← Nederland

ECLI:NL:RBAMS:2024:8284

RECHTBANK AMSTERDAM Bestuursrecht zaaknummer: AMS 24/1535 uitspraak van de meervoudige kamer van 30 december 2024 in de zaak tussen [eiseres] , te Belchatow (Polen), eiseres, en de Raad van bestuur van de Sociale verzekeringsbank, verweerder, (gemachtigde: drs. W. van den Berg) Procesverloop 1.

  1. Met besluiten van 13 en 28 april 2023 heeft verweerder het recht van eiseres op kinderbijslag op grond van de AKW over de periode vanaf het vierde kwartaal van 2020 tot en met het eerste kwartaal van 2023 herzien. Hiertegen heeft eiseres bezwaar gemaakt. 1.
  2. Met het besluit van 17 januari 2024 (het bestreden besluit I) heeft verweerder het bezwaar ongegrond verklaard en het herzieningsbesluit gehandhaafd. 1.
  3. Eiseres heeft hiertegen beroep ingesteld. Verweerder heeft een verweerschrift ingediend. In het verweerschrift heeft verweerder aangekondigd een nieuw besluit op bezwaar te zullen nemen. 1.4 Met een nieuw besluit op bezwaar van 7 november 2024 (het bestreden besluit II) heeft verweerder het bezwaar deels gegrond verklaard. Hierbij is de herziening beperkt tot de periode vanaf het vierde kwartaal 2021 tot en met het derde kwartaal van
  4. 1.5 Op grond van artikel 6:19 van de Awb betrekt de rechtbank dit besluit bij de beoordeling van het beroep. 1.
  5. De rechtbank heeft het beroep op 18 november 2024 op zitting behandeld. De gemachtigde van verweerder heeft hieraan deelgenomen. Eiseres heeft de rechtbank laten weten niet aanwezig te kunnen zijn. Overwegingen 2.1 Nu het bestreden besluit I is vervangen door het bestreden besluit II, heeft eiseres geen belang meer bij een inhoudelijke beoordeling van het beroep tegen bestreden besluit I. De rechtbank zal daarom het beroep voor zover gericht tegen bestreden besluit I niet-ontvankelijk verklaren wegens het ontbreken van procesbelang. De beoordeling is hierna gericht op het bestreden besluit II. 2.
  6. In het bestreden besluit II wordt de herziening van het recht op kinderbijslag van eiseres beperkt tot de periode van het vierde kwartaal van 2021 tot en met het derde kwartaal van
  7. Dit betreft in totaal vier kwartalen. Hoewel in het bestreden besluit II is overwogen dat de aanvankelijke herziening over een periode van tien maanden gematigd wordt tot 50%, wat neerkomt op vijf kwartalen, heeft verweerder op de zitting te kennen gegeven dat ervan uit moet worden gegaan dat de herziening beperkt is tot vier kwartalen (en niet vijf kwartalen). De rechtbank zal hier bij de beoordeling dan ook van uitgaan. 2.3 De rechtbank beoordeelt of verweerder het recht van eiseres op kinderbijslag terecht heeft herzien. Zij doet dat aan de hand van de beroepsgronden van eiseres. 2.4 Omdat sprake is van een grensoverschrijdende situatie binnen de Europese Unie (EU), zijn bij die beoordeling naast de regels van de AKW de bepalingen over gezinsbijslag in de Europese Verordeningen over de sociale zekerheid van belang. Feiten en omstandigheden
  8. Eiseres woont met haar zoon [naam 1] (geboren op [geboortedatum] ) in Polen en is daar ook werkzaam. Haar ex-echtgenoot en de vader van [naam 1] , [vader] , woont en werkt sinds 2010 in Nederland.
  9. Met ingang van het vierde kwartaal van 2012 heeft verweerder aan eiseres, in aanvulling op de Poolse gezinsbijslag, een aanvullende kinderbijslag vanuit Nederland toegekend. Grondslag hiervoor zijn de prioriteitsregels bij samenloop van gezinsbijslag zoals neergelegd in artikel 68 van Verordening 883/2004 (de Verordening).
  10. Per 1 april 2016 is in Polen een nieuwe regeling over gezinsbijslag van kracht, de Świadczenie wychowawcze (500+ uitkering). Met ingang van 1 juli 2019 is deze ook aan eiseres toegekend.
  11. Bij besluit van 31 december 2020 heeft verweerder eiseres meegedeeld dat haar kinderbijslag wijzigt in die zin dat de vergelijkbare Poolse gezinsbijslag wordt afgetrokken van de Nederlandse kinderbijslag. Verweerder heeft vervolgens het teveel uitgekeerde bedrag aan kinderbijslag teruggevorderd en aangegeven voornemens te zijn een boete aan eiseres op te leggen. Eiseres heeft verweerder een brief gestuurd, waarin zij heeft gereageerd op dit voornemen. Met de brief van 30 november 2021 heeft verweerder beslist af te zien van het opleggen van een boete. Wat de herziening en terugvordering betreft, heeft eiseres ingestemd met een betalingsregeling. Standpunten van partijen
  12. De toekenning van de 500+-uitkering aan eiseres per 1 juli 2019 was voor verweerder aanleiding deze in mindering te brengen op de Nederlandse kinderbijslag. Volgens verweerder gaat het om een vorm van gezinsbijslag die van dezelfde aard is als de Nederlandse kinderbijslag en mag deze daarom worden verrekend. Verweerder verwijst hier naar het arrest [naam 2] van het Hof van Justitie van de EU, een uitspraak van de Centrale Raad van Beroep (de Raad) van 30 januari 2015 en het op die uitspraak gebaseerde beleid van verweerder, neergelegd in beleidsregel SB
  13. Volgens verweerder had eiseres kunnen weten dat de Poolse uitkering in mindering kon worden gebracht op de Nederlandse kinderbijslag. Omdat ook sprake is van een fout aan de zijde van verweerder, wordt de terugwerkende kracht gematigd met 50%.
  14. Eiseres heeft aangevoerd dat de Poolse uitkering niet van dezelfde aard is als de Nederlandse kinderbijslag. Het gaat hier volgens haar om een vorm van sociale bijstand. Die valt niet onder de Verordening. Eiseres ontvangt vanaf 1 november 2020 geen gezinsbijslag meer in Polen die vergelijkbaar is met de Nederlandse kinderbijslag; haar aanvraag daartoe is afgewezen. De herziening had volgens eiseres ook niet met terugwerkende kracht mogen plaatsvinden. Beoordeling door de rechtbank
  15. Niet is in geschil dat eiseres in de periode waarover het recht op gezinsbijslag is herzien zowel (aanvullende) kinderbijslag vanuit Nederland ontving als de 500+-uitkering vanuit Polen. De vraag die voorligt is of verweerder de Poolse uitkering mocht verrekenen met de Nederlandse kinderbijslag.
  16. De rechtbank volgt eiseres niet in het standpunt dat de 500+-uitkering een vorm van sociale bijstand is en geen gezinsbijslag. Onder gezinsbijslag wordt in de Verordening (artikel 1z) verstaan: alle verstrekkingen en uitkeringen ter tegemoetkoming van de gezinslasten, met uitzondering van voorschotten op onderhoudsbijdragen, en de in bijlage I vermelde bijzondere uitkeringen bij geboorte of adoptie. Uit de beschikbare informatie over de 500+-uitkering blijkt dat deze is bedoeld om gezinnen te ondersteunen bij het gedeeltelijk dekken van de kosten in verband met het opvoeden van kinderen, inclusief de zorg voor hen en het voorzien in hun levensbehoeften. Daarmee valt de uitkering onder de gezinsbijslagen zoals bedoeld in de Verordening. De Verordening is dus van toepassing. Uitkering van dezelfde aard?
  17. Verrekening van verschillende gezinsbijslagen binnen de Unie is toegestaan als sprake is van uitkeringen van dezelfde aard. Dit volgt uit de Verordeningsbepalingen en de rechtspraak hierover van het Hof van Justitie van de EU en van de Raad. In de hiervoor genoemde uitspraak van 30 januari 2015 heeft de Raad onder meer het volgende overwogen: “4.
  18. Zoals het Hof in het arrest [naam 2] , onder verwijzing naar zijn eerdere rechtspraak, heeft overwogen (punt 54) moeten socialezekerheidsuitkeringen worden geacht van dezelfde aard te zijn wanneer het voorwerp en de doelstelling alsook de berekeningsgrondslag en de toekenningsvoorwaarden ervan identiek zijn. Het vereiste van identieke berekeningsgrondslagen en toekenningsvoorwaarden, zou echter gezien de talrijke verschillen tussen de nationale stelsels van sociale zekerheid leiden tot een aanzienlijke beperking van de toepassing van het in artikel 12 van Vo 1408/71 vervatte cumulatieverbod. Dit zou in strijd zijn met het doel van dat verbod, niet-gerechtvaardigde cumulaties van sociale uitkeringen te vermijden (punt 55). 4.6.Het Hof voegt daaraan toe dat Vo 1408/71 ziet op, enerzijds, de in artikel 1, sub u-i, omschreven “gezinsbijslagen”, en anderzijds de “kinderbijslag”, dat een categorie van de “gezinsbijslagen” is en wordt omschreven in artikel 1, sub u-ii. Bij de verschillende gezinsbijslagen die een migrerende werknemer kan ontvangen op grond van de wetgeving van tewerkstelling en die wordt ontvangen op grond van de wetgeving van de lidstaat van de woonplaats, is er dan ook niet noodzakelijk sprake van uitkeringen “van dezelfde aard” in de zin van artikel 12 van Vo 1408/71 (punten 57 en 58). Hoewel die gezinsbijslagen overeenkomstig artikel 1, sub u-i, van Vo 1408/71 beogen de gezinslasten te bestrijden, hebben zij niet noodzakelijkerwijs allemaal hetzelfde specifieke voorwerp, en evenmin dezelfde kenmerken of rechthebbenden (punt 59). Bovendien zijn slechts een deel van de gezinsbijslagen kinderbijslagen in de zin van artikel 1, sub u-ii, van Vo 1408/71 (punt 60).”
  19. Hoewel het arrest [naam 2] is gewezen onder de voorloper van de Verordening, namelijk Verordening 1408/71, die nog een verschil kende tussen gezinsbijslag en kinderbijslag, zijn de in het arrest genoemde elementen om vast te stellen of sprake is van ‘dezelfde aard’ ook onder de huidige Verordening relevant en toepasbaar. Van belang is om te bezien wat het voorwerp van de uitkeringen is, het doel, de berekeningsgrondslag en de toekenningsvoorwaarden.
  20. Verweerder concludeert dat bij de kinderbijslag en de 500+-uitkering sprake is van uitkeringen van dezelfde aard. Bij beide uitkeringen geeft de staat een bijdrage aan de ouders voor de verzorging van het kind. Beide uitkeringen zijn generiek en beperken zich niet tot een specifieke categorie kinderen. Tevens zijn beide uitkeringen inkomensonafhankelijk en komen in beginsel alle inwoners van het land met kinderen voor de uitkering in aanmerking.
  21. De rechtbank is van oordeel dat verweerder deze feiten en omstandigheden terecht in aanmerking heeft genomen en volgt de conclusie dat de Nederlandse kinderbijslag en de Poolse 500+-uitkering op de relevante onderdelen overeenkomen. Beide uitkeringen beogen het bieden van een financiële tegemoetkoming aan ouders ten behoeve van het onderhouden van hun kinderen. Er wordt geen onderscheid gemaakt naar de inkomenspositie van de ouder; in beginsel komt elke ouder in het land ervoor in aanmerking. Omdat de Poolse 500+-uitkering uitdrukkelijk onafhankelijk van inkomen wordt toegekend, volgt de rechtbank eiseres ook om die reden niet in haar standpunt dat de uitkering eigenlijk een vorm van sociale bijstand is. Ook het standpunt van eiseres dat de 500+-uitkering aanvankelijk tot doel had om te bewerkstelligen dat meer kinderen worden geboren, kan haar niet baten. Wat hier ook van zij, dit vormt in elk geval sinds 1 juli 2019 (tevens het moment van toekenning aan eiseres) een onvoldoende onderscheidend element om de uitkeringen als verschillende uitkeringen aan te merken. Uit de toekenningsvoorwaarden van de 500+-uitkering per 1 juli 2019 volgt niet (meer) dat dit een doel van de uitkering is. Bovendien hebben ook pleegouders recht op de 500+-uitkering en is voor toekenning vereist dat het kind bij de (pleeg)ouder woont, wat bevestigt dat de regeling primair tot doel heeft om bij te dragen in (het onderhoud van) het kind en niet om het aantal geboortes te stimuleren. Herziening met terugwerkende kracht
  22. Verweerder heeft de terugwerkende kracht van de herziening beperkt tot 50%, wat overigens effectief nog lager uitvalt aangezien in het bestreden besluit II de periode van herziening nog vier kwartalen betreft in plaats van vijf (zie onder 2.2). Aan die matiging heeft verweerder ten grondslag gelegd dat zowel aan de kant van eiseres als aan die van verweerder sprake is van verwijtbaarheid. Eiseres had als gevolg van eerdere berichtgeving kunnen begrijpen dat de 500+-uitkering van invloed kon zijn op de kinderbijslag. Verweerder kon op het moment van toekenning van de volledige aanvulling kinderbijslag op 30 november 2021 al weten dat eiseres de Poolse uitkering ontving. Hier is sprake van een kenbaar evidente fout, aldus verweerder.
  23. De rechtbank is van oordeel dat verweerder op goede gronden heeft besloten tot de matiging van de terugwerkende kracht tot 50%. Dat verweerder feitelijk heeft teruggevorderd tot vier kwartalen in plaats van de vijf kwartalen (50%), is in het voordeel van eiseres en de gronden van eiseres richten zich niet tegen deze beperktere terugwerkende kracht. De rechtbank zal dan ook niet ten nadele van eiseres daarover oordelen. Zoals verweerder heeft toegelicht in het bestreden besluit II, is eiseres reeds in 2016 geattendeerd op een mogelijke invloed van de 500+-uitkering op de Nederlandse kinderbijslag. Eiseres is ook eerder, met het besluit van 31 december 2020, geconfronteerd met een herziening als gevolg van verrekening van de Poolse gezinsbijslag. Eiseres heeft gereageerd op de voorgenomen boete. Uit deze reactie blijkt dat zij wist dat de 500+-uitkering in mindering kon worden gebracht op de kinderbijslag. Afgezet tegen de fout van verweerder – het toekennen van een volledige aanvulling terwijl op dat moment al bekend was dat eiseres de 500+-uitkering ontving – is de rechtbank van oordeel dat de matiging tot 50% in overeenstemming is met het beleid van verweerder en niet als onjuist kan worden beschouwd. Conclusie en gevolgen
  24. Uit het voorgaande volgt dat verweerder op goede gronden is overgegaan tot herziening van het recht op kinderbijslag van eiseres over de periode van het vierde kwartaal van 2021 tot en met het derde kwartaal van
  25. Dit betekent dat het bestreden besluit II in stand kan blijven. Het beroep daartegen is ongegrond.
  26. Gelet op het in de beroepsprocedure genomen bestreden besluit II, waarbij het bestreden besluit I is ingetrokken, is er aanleiding om te bepalen dat verweerder het door eiseres betaalde griffierecht van € 51,- aan haar dient te vergoeden. Beslissing De rechtbank: verklaart het beroep tegen bestreden besluit I niet ontvankelijk; verklaart het beroep tegen bestreden besluit II ongegrond; bepaalt dat verweerder het door eiseres betaalde griffierecht van € 51,- aan haar vergoedt. Deze uitspraak is gedaan door mr. M.F. Zaagsma, voorzitter, en mrs. J.A.W. Jansen en M.C. Werner, rechters, in aanwezigheid van mr. J.A. Lammertink, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 30 december 2024.** griffier voorzitter Afschrift verzonden aan partijen op: Informatie over hoger beroep Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Centrale Raad van Beroep waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Digitaal beroep instellen kan via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl. U kunt ook hoger beroep instellen door verzending van een brief aan de Centrale Raad van Beroep, Postbus 16002, 3500 DA Utrecht. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Centrale Raad van Beroep vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen. Algemene kinderbijslagwet Algemene wet bestuursrecht EG-Verordeningen 883/2004 en 987/2009, o.a. artikel 68 van Verordening 883/2004 Arrest van 8 mei 2014, zaak C-347/12, ECLI:EU:C:2014:300 ECLI:NL:CRVB:2015:226 Uitkeringen van dezelfde aard (SB2328) (https://puc.overheid.nl/svb/doc/PUC_2328_20/)

🔗 Naar officiële bron

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.