RECHTBANK AMSTERDAM Bestuursrecht zaaknummer: AMS 24/313 uitspraak van de enkelvoudige kamer van 17 december 2024 in de zaak tussen [eiseres] , uit Amsterdam, eiseres, en de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, verweerder, (gemachtigde: [gemachtigde] ). Procesverloop In het besluit van 7 augustus 2023 (het primaire besluit I) heeft verweerder een bedrag van € 18.761,97 van eiseres teruggevorderd. In het besluit van 15 augustus 2023 (het primaire besluit II) heeft verweerder de terugvordering bijgesteld tot een bedrag van € 14.876,
- In het besluit van 15 december 2023 (het bestreden besluit I) heeft verweerder het bezwaar van eiseres tegen beide primaire besluiten ongegrond verklaard. Eiseres heeft op 9 januari 2024 tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. Bij besluit van eveneens 9 januari 2024 (het bestreden besluit II) heeft verweerder het voorstel tot afkoop van de schuld van eiseres afgewezen en de schuld opnieuw verhoogd naar het oorspronkelijke bedrag van € 18.761,
- Verweerder heeft een verweerschrift ingediend. De rechtbank heeft het beroep op 19 juli 2024 op zitting behandeld. Eiseres is verschenen. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde. In de tussenuitspraak van 7 augustus 2024 (de tussenuitspraak) heeft de rechtbank verweerder in de gelegenheid gesteld om binnen zes weken na verzending van de tussenuitspraak, met inachtneming van wat in de tussenuitspraak is overwogen, het geconstateerde gebrek in het bestreden besluit te herstellen. Verweerder heeft in reactie op de tussenuitspraak een aanvullende motivering ingediend. Eiseres heeft hierop schriftelijk gereageerd. De rechtbank heeft bepaald dat een nadere zitting achterwege blijft. Overwegingen
- Deze uitspraak bouwt voort op de tussenuitspraak. De rechtbank blijft bij al wat zij in de tussenuitspraak heeft overwogen en beslist, tenzij hierna uitdrukkelijk anders wordt overwogen. Het staat de rechtbank niet vrij om terug te komen van zonder voorbehoud gegeven oordelen in de tussenuitspraak. Dit is alleen anders in zeer uitzonderlijke gevallen. De rechtbank verwijst hiervoor naar de uitspraken van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (ABRvS) van 24 augustus 2011 (ECLI:NL:RVS:2011:BR5704) en 15 augustus 2012 (ECLI:NL:RVS:2012:BX4694).
- Verweerder heeft het standpunt in het bestreden besluit gewijzigd door met het besluit van 9 januari 2024 de terugvordering weer te verhogen. De rechtbank beoordeelt dit besluit hier eveneens, onder toepassing van artikel 6:19 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). Wat is gebeurd na de tussenuitspraak
- Ten aanzien van de toets van de dringende redenen is aangevoerd dat de schuld ligt bij eiseres, volgens verweerder. Naast de gevolgen voor de belanghebbende moet ook worden gekeken naar de oorzaak van de herziening/terugvordering. Verweerder houdt verder vast aan de beslagvrije voet en wijst erop dat er volgens de rechtspraak sprake is van voldoende rechtsbescherming, indien rekening wordt gehouden met de van toepassing zijnde beslagvrije voet. Bij het vaststellen van de beslagvrije voet hoeft alleen rekening te worden gehouden met preferente schuldeisers. Aangezien eiseres niet maandelijks afbetaalt aan de Belastingdienst, hoeft verweerder geen rekening te houden met deze vordering. Ook het aanstellen van een eventuele bewindvoerder heeft geen invloed op het besluit van verweerder. Dit leidt tot een aflossingscapaciteit van € 995,- per maand. Op basis van de door eiseres na de tussenuitspraak ingediende stukken moet die aflossingscapaciteit nu worden vastgesteld op € 827,-. De gemachtigde heeft de invordering voorlopig stopgezet, tot aan de definitieve uitspraak van de rechtbank. Hetgeen eiseres heeft aangevoerd over de stress die zij door dit alles ervaart en de gevolgen daarvan voor haar mentale gezondheid overweegt verweerder dat dit invoelbaar is, maar dat niet is gebleken dat er sprake van is onaanvaardbare sociale consequenties. Hierover is de verzekeringsarts nog geraadpleegd, die dit heeft bevestigd. Tenslotte is er geen sprake van schending van de algemene beginselen van behoorlijk bestuur.
- Eiseres heeft een reactie hierop gegeven. Zij heeft stukken overgelegd waaruit blijkt dat zij vele schulden heeft opgebouwd bij vrienden en kennissen en bij bedrijven waar zij leningen heeft afgesloten. In totaal bedraagt haar schuld € 58.610,-. Door de stress heeft zij zich weer ziek moeten melden en hierdoor is haar inkomen nog eens met 30% achteruit gegaan. De opmerking van de gemachtigde over het stopzetten van de invordering is niet juist; deze gaat nog altijd door. Door de opstelling van verweerder komt eiseres ook in een moeilijke positie tegenover de Belastingdienst te verkeren; zij moet nu feitelijk kiezen welke van de twee grote schulden zij eerst gaat aflossen. Eiseres is weer teruggevallen in haar gokverslaving. Zij vraagt om een schadevergoeding. Beoordeling door de rechtbank
- In de tussenuitspraak heeft de rechtbank, kort gezegd, overwogen dat verweerder in het bestreden besluit niet op juiste wijze heeft getoetst aan de uitspraak van de Centrale Raad van Beroep (CRvB) van 18 april 2024, waarin een ruimere uitleg wordt gegeven aan het begrip “dringende reden” en het evenredigheidsbeginsel.
- Artikel 77 van de Wet Werk en inkomen naar arbeidsvermogen (WIA) geeft verweerder de bevoegdheid om in geval van dringende redenen geheel of gedeeltelijk af te zien van de terugvordering. De belangenafweging die daartoe dient te worden uitgevoerd omvat zowel financiële als sociale omstandigheden en gevolgen en mag niet een voor de belanghebbende onevenredig nadelige uitkomst hebben.
- De te wegen belangen zijn enerzijds het belang van de overheid bij een juiste vaststelling van het recht op uitkering en terugbetaling van hetgeen te veel is ontvangen en anderzijds het belang van een betrokkene dat hij door een dergelijk belastend overheidsbesluit niet onevenredig wordt geraakt. De toetsing door de bestuursrechter zal, gelet op de aard van de betrokken belangen, op het punt van de evenwichtigheid intensief zijn, aldus de CRvB. Het gaat bij terugvorderingsbesluiten om uitkeringsgerechtigden die, doordat zij een uitkering ontvangen, vaak (fors) in inkomen zijn gedaald en die veelal een kwetsbare positie hebben in de samenleving. Dergelijke besluiten kunnen diep ingrijpen in de financiële belangen van een betrokkene.
- De rechtbank is nog steeds van oordeel dat verweerder niet heeft getoetst op de wijze zoals de CRvB dat heeft bedoeld in de uitspraak van 18 april
- Weliswaar heeft verweerder een en ander gezegd over de mate van verwijtbaarheid aan de kant van eiseres en de sociale en financiële omstandigheden, maar verweerder heeft niet gekeken naar zijn eigen verwijtbaarheid. Eiseres heeft weliswaar niet tijdig haar inkomsten doorgegeven wat haar te verwijten valt, maar daar staat tegenover dat eiseres op 10 juni 2022 de aanvraag heeft ingediend en 1 jaar heeft moeten wachten op een medische keuring. Deze vond plaats op 20 juli
- Zij ontving met het besluit van 7 augustus 2023 een WIA-uitkering. De wettelijke termijn voor het nemen van een beslissing is 8 weken. Eiseres heeft dus te maken gehad met een niet tijdige claimbeoordeling. Dat kan eiseres niet worden aangerekend. De financiële problemen als gevolg van de verstrekte (hoge) voorschotten zijn dus óók aan verweerder te wijten. De schuld is ook opgelopen doordat verweerder niet binnen de wettelijke termijn een beslissing heeft genomen. Ook heeft eiseres een voorstel voor afdoening gedaan, waar verweerder zeer laks op heeft gereageerd. Verweerder heeft eveneens nagelaten om in de overweging mee te nemen dat eiseres gokverslaafd is en welke invloeden dit op haar handelen heeft gehad. Hier zal de rechtbank later nog op ingaan.
- Eiseres heeft een overzicht van haar totale schuldenlast van € 58.610,- overgelegd. Inmiddels heeft zij twee bewindvoerders gekregen, die wachten op een uitspraak van de rechtbank, om haar belastbaarheid definitief te kunnen vaststellen. Daarnaast is haar inkomen opnieuw achteruit gegaan doordat zij weer ziek is geworden. Verweerder zegt alleen rekening te houden met preferente schuldeisers en met de vastgestelde beslagvrije voet. Los van hetgeen in de laatste reactie wordt aangevoerd over het niet rekening houden met de schuld bij de Belastingdienst omdat eiseres niet aan het afbetalen is, dient het criterium hier te zijn: het voorkomen van onevenredige nadelige financiële gevolgen. In dat kader moet in zijn totaliteit getoetst worden wat de gevolgen van de terugvordering en afbetaling daarvan voor eiseres zijn. Een deel van de schulden buiten beschouwing laten voldoet naar het oordeel van de rechtbank niet aan het hierboven gestelde criterium. In ieder geval niet zonder een nadere motivering. Door de schuld bij de Belastingdienst, die ongeveer € 20.000 bedraagt, pas mee te tellen als deze feitelijk moet worden afgelost, wordt een situatie gecreëerd die geen recht doet aan de werkelijkheid. Deze vordering is immers preferent en is opeisbaar. Onduidelijk is hoe verweerder hier rekening mee heeft gehouden. Daarnaast telt verweerder ook de overige (grote en kleinere) schulden niet mee. Daarmee sluit verweerder de ogen voor de reële situatie waarin eiseres verkeert. Dit terwijl verweerder rekening moet houden met alle relevante feiten en omstandigheden. Verder overweegt de rechtbank dat bij de toepassing van de ruimere toets die de CRvB voorstaat in de uitspraak van 18 april 2024 niet langer zonder meer kan worden volstaan met het toepassen van de vastgestelde beslagvrije voet; er moet intensief worden gekeken naar de individuele gevolgen voor de betrokkene en of die onevenredig zijn. De beslagvrije voet ligt 5% lager dan de bijstandsnorm. In dit verband verwijst de rechtbank naar onderzoeken van het Nationaal instituut voor budgetvoorlichting (Nibud), dat in 2020 al diverse voorbeelden heeft gegeven van de te lage normen voor bijstand en minimumloon. De rechtbank overweegt daarbij dat het verweerder vrijstaat om met eiseres (en haar bewindvoerders) tot een redelijke afbetalingsregeling te komen waarbij rekening wordt gehouden met haar financiële belangen. Deze oplossing dient zowel de belangen van eiseres als verweerder, aangezien een redelijke afbetalingsregeling de grootste kans biedt om de schuld op een haalbare manier te voldoen. Tevens zorgt een redelijke afbetalingsregeling ervoor dat eiseres niet in financiële problemen komt en in haar levensonderhoud kan blijven voorzien.
- Verweerder heeft in zijn reactie van 20 september 2024 geen aandacht besteed aan de oorzaak van de schulden. Deze is gelegen in de gokverslaving van eiseres. De enkele redenering van verweerder dat eiseres had moeten begrijpen dat zij niet meer in aanmerking kwam voor een uitkering gelet op haar inkomen is gelet op haar verslaving onvoldoende. Die redenering gaat wellicht op voor niet-verslaafden. Een kenmerk bij gokverslaafden is dat zij niet verantwoord kunnen omgaan met geld en hun impulsen minder goed kunnen onderdrukken. Dit blijkt ook uit de hoeveelheid schulden die eiseres in de loop der jaren heeft opgebouwd. De kwetsbare situatie van eiseres is dan ook een omstandigheid waar verweerder rekening mee had moeten houden. Eiseres heeft verder aangegeven dat het geschil met verweerder over de terugvordering grote gevolgen heeft voor haar mentale toestand vanwege toegenomen stress. Zij heeft zich weer moeten ziekmelden en is teruggevallen in haar gokverslaving. Verweerder zegt de verzekeringsarts te hebben geraadpleegd over eventuele negatieve gevolgen voor eiseres. Die verzekeringsarts zegt dat de terugvordering en de hoogte van het maandelijkse aflossingsbedrag geen negatieve gevolgen heeft voor eiseres, volgens de gemachtigde van verweerder. De rechtbank merkt in de eerste plaats op dat hiervan geen verslag is overgelegd; evenmin is gebleken dat er een onderzoek door een verzekeringsarts heeft plaatsgevonden. Uit het dossier van eiseres blijkt iets anders. Eiseres is onder behandeling (geweest) voor PTSS en comorbiditeit. De rechtbank kan daarom niet zonder meer tot het oordeel komen dat er geen onevenredig negatieve gevolgen aan het bestreden besluit voor eiseres kleven.
- Gelet op alle feiten en omstandigheden is de rechtbank van oordeel dat verweerder onvoldoende rekening heeft gehouden met onevenredige gevolgen van het besluit. Verweerder heeft zijn eigen verwijtbaarheid niet bij de besluitvorming betrokken en te weinig rekening gehouden met de kwetsbare positie van eiseres en de onaanvaardbare financiële en sociale gevolgen voor eiseres.
- Nu verweerder al de mogelijkheid heeft gehad om het motiveringsgebrek te herstellen, wil de rechtbank het geschil zoveel mogelijk finaal beslechten. Hoe langer deze situatie voortduurt, hoe groter de financiële en psychologische gevolgen voor eiseres zijn. Eiseres heeft eerder een voorstel tot (afgerond) € 7.000,- gedaan. Dit is inmiddels achterhaald doordat er toch bruto is teruggevorderd. Op grond van al hetgeen hierboven is overwogen ziet de rechtbank een gedeelde verwijtbaarheid voor zowel eiseres als verweerder. Verder ziet de rechtbank reden tot matiging, gelet op de gevolgen van het besluit, zoals hiervoor is overwogen. Daarom stelt de rechtbank het door eiseres af te betalen bedrag op € 9.350,-, ongeveer de helft van de totale schuld van € 18.761,
- Hoewel de rechtbank, zoals is toegelicht in de tussenuitspraak, wel de invordering behandelt, heeft zij geen zicht op wat eiseres precies maandelijks kan aflossen. Het bestreden besluit wordt dus wat betreft de invordering vernietigd en verweerder zal een nieuwe beslissing op het bezwaar moeten nemen met inachtneming van hetgeen de rechtbank hierboven heeft overwogen. Verweerder mag daarbij niet volstaan met een verwijzing naar de beslagvrije voet, maar moet uitgaan van de werkelijke financiële situatie van eiseres en de reële gevolgen van de maandelijkse aflossing op het leven van eiseres. De rechtbank geeft verweerder daarbij mee om in overleg met de bewindvoerders van eiseres te komen tot een redelijke maandelijkse aflossing waarbij met de werkelijke aflossingscapaciteit en alles wat hiervoor is overwogen rekening wordt gehouden. De rechtbank draagt verweerder daarbij op om de huidige invordering met onmiddellijke ingang stop te zetten (voor zover dat nog niet is gebeurd).
- Gelet op de in de tussenuitspraak geconstateerde gebreken, is het beroep gegrond. De rechtbank vernietigt de bestreden besluiten I en II. De rechtbank voorziet deels zelf in de zaak zoals hierboven onder 12 en 13 is weergegeven en draagt verweerder op om een nieuw besluit op bezwaar te nemen met inachtneming van deze uitspraak voor wat betreft de invordering.
- Ten aanzien van het verzoek om vergoeding van de immateriële schade overweegt de rechtbank dat niet in geschil is dat de bestreden besluiten onjuist waren, zodat de onrechtmatigheid van dat besluit vaststaat. Voor zover het verzoek van eiseres ziet op schadevergoeding wegens geestelijk leed ten gevolge van dit onjuiste besluit, is de rechtbank van oordeel dat deze grond niet kan slagen. Naar vaste rechtspraak van de Centrale Raad van Beroep, zie bijvoorbeeld de uitspraak van 30 juni 2011, ECLI:NL:CRVB:2011:BR1216, kan geestelijk letsel onder omstandigheden worden aangemerkt als een aantasting van de persoon die recht heeft op vergoeding van immateriële schade. Daarvan zal echter niet snel sprake zijn. De rechtbank vindt het begrijpelijk dat de zaak bij eiseres stress en onzekerheid heeft veroorzaakt. Eiseres is er echter naar het oordeel van de rechtbank niet in geslaagd aannemelijk te maken dat zij zodanig leed heeft ondervonden ten gevolge van de bestreden besluiten dat sprake is van geestelijk letsel. Eiseres heeft haar stelling namelijk niet met (medische) stukken onderbouwd. Het verzoek om vergoeding van immateriële schade moet daarom worden afgewezen.
- Omdat de rechtbank het beroep gegrond verklaart, moet verweerder aan eiseres het door haar betaalde griffierecht vergoeden.
- Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding. Beslissing De rechtbank: - verklaart het beroep gegrond; - vernietigt de bestreden besluiten I en II; - bepaalt dat de uitspraak van de rechtbank in de plaats van de vernietigde besluiten treedt; - draagt verweerder op om een nieuw besluit op bezwaar te nemen met inachtneming van deze uitspraak voor wat betreft de invordering; - wijst het verzoek om schadevergoeding af; - draagt verweerder op het betaalde griffierecht van € 51,- aan eiseres te vergoeden. Deze uitspraak is gedaan door mr. L.Z. Achouak el Idrissi, rechter, in aanwezigheid van M. van Velzen, griffier. De uitspraak is uitgesproken in het openbaar op 17 december
- griffier rechter Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op: Informatie over hoger beroep Een partij die het niet eens is met deze uitspraak en de tussenuitspraak/tussenuitspraken, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Centrale Raad van Beroep waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak en de tussenuitspraak/tussenuitspraken. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Digitaal hoger beroep instellen kan via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan de Centrale Raad van beroep, Postbus 16002, 3500 DA Utrecht. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Centrale Raad van Beroep vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen. ECLI:NL:CRVB:2024:
- ECLI:NL:RBLIM:2024:
- Huidig inkomensondersteuningssyteem onvoldoende om armoede tegen te gaan, Nibud 2020.