← Nederland

ECLI:NL:RBAMS:2024:8628

vonnis RECHTBANK AMSTERDAM Afdeling Publiekrecht Teams Strafrecht Parketnummer: 13/241926-23 Parketnummer vordering tul: 13/153712-23 Datum uitspraak: 6 december 2024 Verkort vonnis van de rechtbank Amsterdam, meervoudige kamer voor de behandeling van strafzaken, in de zaak tegen: [verdachte] , geboren op [geboortedag] 2001 te [geboorteplaats] ( [geboorteland] ), zonder vaste woon- of verblijfplaats in Nederland. 1Het onderzoek ter terechtzitting Dit vonnis is bij verstek gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van 6 december

  1. Verdachte was daarbij niet aanwezig. De niet gemachtigde raadsman van verdachte, mr. J. van Appia, was ter terechtzitting aanwezig. De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie, mr. S.M. van der Veen. 2Tenlastelegging Aan verdachte is – kort gezegd – ten laste gelegd dat hij zich op 19 september 2023 te Amsterdam heeft schuldig gemaakt aan een winkeldiefstal. De volledige tenlastelegging is opgenomen in bijlage I die aan dit vonnis is gehecht en geldt als hier ingevoegd. Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten staan, zijn deze verbeterd. Verdachte is hierdoor niet in de verdediging geschaad. 3Waardering van het bewijs 3.1 Het standpunt van het openbaar ministerie De officier van justitie stelt zich op het standpunt dat het ten laste gelegde feit bewezenverklaard kan worden op grond van de aangifte en de bekennende verklaring van verdachte. 3.2 Het oordeel van de rechtbank De rechtbank acht, gelet op de aangifte, bekennende verklaringen van verdachte en de overige inhoud van het dossier, het ten laste gelegde feit bewezen. 4Bewezenverklaring De rechtbank acht bewezen dat verdachte: op 19 september 2023 te Amsterdam levensmiddelen ter waarde van 180,88 die aan winkelbedrijf Dirk van den Broek gelegen aan de [adres] toebehoorden heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen. De rechtbank grondt haar beslissing dat verdachte het bewezen geachte heeft begaan op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat. Omdat verdachte heeft bekend, wordt op grond van het bepaalde in artikel 359, derde lid, van het Wetboek van Strafvordering volstaan met een opsomming van de gebruikte bewijsmiddelen. Die bewijsmiddelen zijn opgesomd in bijlage II bij dit vonnis. 5De strafbaarheid van het feit Het bewezen geachte feit is volgens de wet strafbaar. Het bestaan van een rechtvaardigingsgrond is niet aannemelijk geworden. 6De strafbaarheid van verdachte Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit. Verdachte is dan ook strafbaar. 7Motivering van de straf 7.1 De eis van de officier van justitie De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte wordt veroordeeld tot een gevangenisstraf van 41 dagen, met aftrek van voorarrest. De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de maatregel tot plaatsing in een inrichting voor stelselmatige daders (hierna: ISD-maatregel) niet aan de orde is, omdat verdachte sinds het ten laste gelegde feit niet meer met politie en justitie in aanraking is gekomen en het vermoeden bestaat dat hij reeds is teruggekeerd naar Roemenië. 7.2 Het oordeel van de rechtbank De hierna te noemen strafoplegging is in overeenstemming met de ernst van het bewezen geachte, de omstandigheden waaronder dit is begaan en de persoon van verdachte, zoals van een en ander ter terechtzitting is gebleken. De rechtbank heeft bij de keuze tot het opleggen van een vrijheidsbenemende straf en bij de vaststelling van de duur daarvan in het bijzonder het volgende laten meewegen. Ernst van het feit Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan een winkeldiefstal. Het winkelpersoneel ervaart veel ongemakken uit winkeldiefstal en het levert daarnaast veel schade en overlast op voor de eigenaren van de winkels. Persoon van verdachte De rechtbank heeft acht geslagen op het Uittreksel Justitiële Documentatie (het strafblad) van verdachte van 23 oktober
  2. Hieruit blijkt dat verdachte veelvuldig is veroordeeld voor winkeldiefstallen. De rechtbank weegt dit in strafverzwarende zin mee. Verder wordt rekening gehouden met de toepassing van artikel 63 van het Wetboek van Strafrecht (hierna: Sr). De rechtbank heeft kennisgenomen van het advies van de Reclassering van het Leger des Heils van 7 december 2023, opgemaakt door [persoon] . De reclassering heeft – kort samengevat – gerapporteerd dat er sprake is van instabiliteit op alle leefgebieden van verdachte. Ook is er bij verdachte sprake van middelenproblematiek. Het recidiverisico wordt als hoog ingeschat, mede gelet op het ontstane delictpatroon. De reclassering heeft verder gerapporteerd dat de IND bij beschikking van 18 oktober 2023 het rechtmatig verblijf van verdachte in Nederland heeft beëindigd. Hierdoor kan verdachte geen aanspraak meer maken op sociale voorzieningen, waardoor onvoldoende inhoudelijke invulling gegeven kan worden aan een hulpverlenings- of drangtraject. De reclassering heeft echter na de beschikking van de IND geen contact gehad met verdachte, waardoor niet geverifieerd is of verdachte is teruggekeerd. De reclassering merkt daarbij op dat verdachte wel de wens had om terug te keren naar Roemenië. Op basis van het voorgaande voldoet verdachte volgens de reclassering aan zowel de harde als de zachte ISD-criteria. Bij een veroordeling adviseert de reclassering een onvoorwaardelijke ISD-maatregel aan verdachte op te leggen, zodat verdachte kan worden begeleid bij zijn terugkeer naar Roemenië. Aangezien de vordering tot oplegging van de ISD-maatregel niet voorligt, en het er bovendien op lijkt dat verdachte niet meer in Nederland verblijft, zal de rechtbank het reclasseringsadvies – voor zover dit ziet op de ISD-maatregel – niet volgen. De op te leggen straf Gelet op alle hiervoor genoemde omstandigheden is de rechtbank met de officier van justitie van oordeel dat een gevangenisstraf voor de duur van 41 dagen, met aftrek van voorarrest, passend en geboden is. Deze straf is gelijk aan de duur van de voorlopige hechtenis. 8De vordering tenuitvoerlegging na voorwaardelijke veroordeling 13/153712-23 De rechtbank zal de vordering tot tenuitvoerlegging met parketnummer 13/153712-23 afwijzen, omdat de IND het rechtmatig verblijf van verdachte in Nederland heeft beëindigd, verdachte heeft aangegeven te willen terugkeren naar Roemenië, en het erop lijkt dat hij dat intussen ook heeft gedaan. Toewijzing van de vordering vindt de rechtbank daarom niet opportuun. 9De toepasselijke wettelijke voorschriften De op te leggen straf is gegrond op de artikelen 63 en 310 Sr. 10Beslissing De rechtbank komt op grond van het voorgaande tot de volgende beslissing. Verklaart bewezen dat verdachte het ten laste gelegde heeft begaan zoals hiervoor in rubriek 4 is vermeld. Verklaart niet bewezen hetgeen aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor is bewezenverklaard en spreekt verdachte daarvan vrij. Het bewezen verklaarde levert op: diefstal. Verklaart het bewezene strafbaar. Verklaart verdachte, [verdachte], daarvoor strafbaar. Veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 41 dagen. Beveelt dat de tijd die door veroordeelde voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en in voorlopige hechtenis is doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van die straf in mindering gebracht zal worden. Vordering tenuitvoerlegging na voorwaardelijke veroordeling 13/153712-23 Wijst af de vordering van de officier van justitie tot tenuitvoerlegging in de zaak met parketnummer 13/153712-23, te weten een gevangenisstraf voor de duur van 1 (één) week. Dit vonnis is gewezen door mr. A.S. Dogan, voorzitter, mrs. M. Smit en M. Nieuwenhuijs, rechters, in tegenwoordigheid van mr. M.K. Raspoort, griffier, en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank van 6 december
  3. […]

🔗 Naar officiële bron

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.