← Nederland

ECLI:NL:RBAMS:2024:8707

RECHTBANK AMSTERDAM INTERNATIONALE RECHTSHULPKAMER Parketnummer: 13-242350-24 Datum uitspraak: 5 december 2024 UITSPRAAK op de vordering van 29 juli 2024 van de officier van justitie bij deze rechtbank tot het in behandeling nemen van een Europees aanhoudingsbevel (EAB). Dit EAB is uitgevaardigd op 10 juni 2024 door the Regional Court in Torun, Polen (hierna: de uitvaardigende justitiële autoriteit) en strekt tot de aanhouding en overlevering van: [opgeëiste persoon] , geboren in [geboorteplaats] (Polen) op [geboortedag] 2000, zonder vaste woon- of verblijfplaats in Nederland. gedetineerd in [detentieplaats] , hierna ‘de opgeëiste persoon’. 1Procesgang De zitting van 25 september 2024 De behandeling van het EAB heeft plaatsgevonden op de zitting van 25 september 2024, in aanwezigheid van mr. S.J. Wirken. officier van justitie. De opgeëiste persoon is verschenen en is bijgestaan door zijn raadsvrouw, mr. B. Ivanov-Petkova, advocaat in 's-Gravenhage, en door een tolk in de Poolse taal. De rechtbank heeft de termijn waarbinnen zij op grond van de Overleveringswet (OLW) uitspraak moet doen over de verzochte overlevering met 30 dagen verlengd. Tevens heeft de rechtbank voor sluiting van het onderzoek ter zitting de gevangenhouding bevolen. De tussenuitspraak van 9 oktober 2024 De rechtbank heeft op 9 oktober 2024 een tussenuitspraak gewezen, waarbij het onderzoek is heropend en voor onbepaalde tijd geschorst om de officier van justitie aan de uitvaardigende justitiële autoriteit vragen te laten stellen over de detentieomstandigheden in Polen. Bij tussenuitspraak is de beslistermijn met 30 dagen verlengd op grond van artikel 22, vijfde lid, OLW en de gevangenhouding is ook verlengd op grond van artikel 27, derde lid, OLW. De zitting van 12 november 2024 De behandeling van het EAB is voortgezet op de zitting van 12 november 2024, in aanwezigheid van mr. G.M. Kolman, officier van justitie. De opgeëiste persoon is verschenen en is opnieuw bijgestaan door zijn raadsvrouw, mr. B. Ivanov-Petkova, en door een tolk in de Poolse taal. De rechtbank heeft de beslistermijn met dertig dagen verlengd op grond van artikel 22, vijfde lid, OLW onder gelijktijdige verlenging van de gevangenhouding op grond van artikel 27, derde lid. OLW. De tussenuitspraak van 26 november 2024 De rechtbank heeft op 26 november 2024 een tussenuitspraak gewezen, waarbij het onderzoek is heropend en voor onbepaalde tijd geschorst om de officier van justitie aan de uitvaardigende justitiële autoriteit vragen te laten stellen over de detentieomstandigheden in Polen. Bij tussenuitspraak is de beslistermijn met dertig dagen verlengd op grond van artikel 22, vijfde lid, OLW en de gevangenhouding is ook verlengd op grond van artikel 27, derde lid, OLW. De zitting van 5 december 2024 De rechtbank heeft de behandeling van het EAB – met toestemming van partijen – in gewijzigde samenstelling hervat op de zitting van 5 december 2024, in aanwezigheid van mr. A.L. Wagenaar, officier van justitie. De opgeëiste persoon is verschenen en is wederom bijgestaan door zijn raadsvrouw, mr. B. Ivanov-Petkova, en door een tolk in de Poolse taal. 2Tussenuitspraken van 9 oktober 2024 en 26 november 2024 De rechtbank verwijst naar haar tussenuitspraken van 9 oktober 2024 en 26 november

  1. In de tussenuitspraak van 9 oktober 2024 heeft de rechtbank geoordeeld over de grondslag van het EAB, de inhoud van het EAB, de strafbaarheid van het feit en de Poolse rechtstaatproblematiek in het kader van artikel 11 OLW. In de tussenuitspraak van 26 november 2024 is enkel het onderzoek heropend in het kader van de detentieomstandigheden voor voorlopig gehechten in Polen. De overwegingen uit beide uitspraken dienen hier als herhaald en ingelast te worden beschouwd. 3Artikel 11 OLW: detentieomstandigheden De rechtbank verwijst in dit kader allereerst naar haar overwegingen onder punt 5.2 van de tussenuitspraak van 9 oktober 2024 en haar overwegingen onder punt
  2. van de tussenuitspraak van 26 november
  3. De raadsvrouw heeft ter zitting (opnieuw) de zorgen benoemd die in het rapport van het European Committee for the Prevention of Torture and Inhuman or Degrading Treatment or Punishment (CPT) van 22 februari 2024 (hierna: het CPT-rapport) worden geuit met betrekking tot de detentieomstandigheden van voorlopig gedetineerden in Poolse detentie-instellingen. De rechtbank overweegt dat mede vanwege die zorgen de rechtbank bij uitspraak van 5 juni 2024 heeft geoordeeld dat sprake is van een algemeen reëel gevaar van schending van de grondrechten van gedetineerden die in het remand regime in Polen terechtkomen. Deze vaststelling van een algemeen reëel gevaar van schending van de grondrechten voor gedetineerden die terechtkomen in het remand regime, kan op zichzelf echter niet tot weigering van de overlevering leiden. Het enkele bestaan van gegevens die duiden op gebreken in dit regime, impliceert immers niet noodzakelijkerwijs dat, in een concreet geval, de grondrechten van de opgeëiste persoon bij overlevering zullen worden geschonden. Dit vereist dus nader onderzoek. In het kader van dit nadere onderzoek heeft de rechtbank in haar tussenuitspraak van 9 oktober 2024 de officier van justitie verzocht de uitvaardigende autoriteit een vijftal vragen voor te leggen. Deze vragen zijn door de uitvaardigende autoriteit beantwoord in de aanvullende informatie van 17 oktober
  4. In de tussenuitspraak van 26 november 2024 heeft de rechtbank overwogen dat zij deze aanvullende informatie als volgt leest. De persoonlijke celruimte in the External Remand Centre in Torun, de detentie-instelling waarin de opgeëiste persoon terecht zal komen, zal tussen de 3 en 4 m2 zijn, terwijl de opgeëiste persoon gegarandeerd één uur per dag buiten zijn cel kan wandelen. De overige activiteiten worden aangeboden in een "weekly plan and a schedule created by tutors”. Die activiteiten duren gemiddeld (“on average”) een uur en de activiteiten volgens het weekly plan zijn zonder beperking toegankelijk in twee blokken per dag. Vervolgens wordt er gesteld “which in total gives about 2.5 hours of stay outside their cells. " Omdat het voor de rechtbank niet geheel duidelijk was of de tweeënhalf uur buiten de cel per dag zou zijn en of dit wordt gegarandeerd, heeft de rechtbank in de tussenuitspraak van 26 november 2024 het onderzoek heropend en de officier van justitie verzocht om bij de uitvaardigende justitiële autoriteit na te vragen of gegarandeerd wordt dat de opgeëiste persoon per dag tweeënhalf uur buiten zijn cel zal doorbrengen. Hierop zijn de Poolse autoriteiten op 26 november 2024 de volgende vragen voorgelegd: The additional information of 17 October 2024, in response to questions 2 & 4, states: (…) which in total gives about 2.5 hours of stay outside their cells (…). Can we interpret this part of the additional information as meaning 2.5 hours of stay outside their cells per day ? Does the additional information guarantee that the requested person spends 2.5 hours per day outside of his cell? De Poolse autoriteiten hebben op 28 november 2024 het navolgende geantwoord: In response to your message of November 26 concerning [opgeëiste persoon] born [geboortedag] .2000 in [geboorteplaats] , I would like to inform you that the answer to both questions is ‐ yes. De rechtbank is van oordeel dat de verstrekte detentiegarantie van 17 oktober 2024, met de op 28 november 2024 verstrekte aanvulling, voldoet om het gevaar van schending van grondrechten voor de opgeëiste persoon als gedetineerde in het remand regime weg te nemen. Blijkens de garantie, die in samenhang met de daaraan voorafgegane vraagstelling wordt gelezen, zal de persoonlijke ruimte van de opgeëiste persoon in een meerpersoonscel tussen de 3 en 4 m2 zijn (exclusief sanitaire voorzieningen), terwijl de opgeëiste persoon dus gegarandeerd tweeënhalf uur per dag buiten cel zal kunnen verblijven door te wandelen en deel te nemen aan activiteiten. De raadsvrouw heeft nog aangevoerd dat er aanleiding bestaat te twijfelen aan de juistheid van de (uiteindelijk verstrekte) garantie, omdat deze zou afwijken van wat er eerder over de omstandigheden in het remand regime is gecommuniceerd. De rechtbank gaat daar niet in mee. Op grond van het vertrouwensbeginsel dient de rechtbank in beginsel uit te gaan van de juistheid van de informatie die wordt verstrekt door de uitvaardigende autoriteit. Het enkele feit dat de uitvaardigende autoriteit nieuwe informatie verstrekt, waar ook specifiek door de rechtbank om is verzocht, maakt dit niet anders. Al met al is dit een afdoende individuele garantie waarmee het algemene gevaar dat de rechtbank heeft aangenomen, wordt uitgesloten ten aanzien van de opgeëiste persoon. De detentieomstandigheden van de opgeëiste persoon in Polen na overlevering staan dus niet in de weg aan het toestaan van de overlevering. 4Slotsom De rechtbank stelt vast dat het EAB voldoet aan de eisen van artikel 2 OLW. Verder staan geen weigeringsgronden aan de overlevering in de weg en is geen sprake van een geval waarin aan het EAB geen gevolg mag worden gegeven. Om die reden staat de rechtbank de overlevering toe. 5Toepasselijke wetsartikelen De artikelen 2, 5 en 7 OLW. 6Beslissing STAAT TOE de overlevering van [opgeëiste persoon] aan the Regional Court in Toruń in Polen voor het feit zoals dat is omschreven in onderdeel e) van het EAB. Deze uitspraak is gedaan door mr. E.G.M.M. van Gessel, voorzitter, mrs. A.J. Scheijde en J.B. Oreel, rechters, in tegenwoordigheid van R. Rog, griffier, en in het openbaar uitgesproken op de zitting van 5 december
  5. Ingevolge artikel 29, tweede lid, OLW staat tegen deze uitspraak geen gewoon rechtsmiddel open. Zie artikel 23 Overleveringswet. Zie artikel 22, eerste en derde lid, OLW. ECLI:NL:RBAMS:2024:6120 ECLI:NL:RBAMS:2024:7595 ECLI:NL:RBAMS:2024:4252 Anders dan in ECLl:NL:RBAMS:2024:6926.

🔗 Naar officiële bron

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.