RECHTBANK AMSTERDAM Bestuursrecht zaaknummer: AMS 23/856 uitspraak van de enkelvoudige kamer van 24 december 2024 in de zaak tussen [eiser] , te [woonplaats] , eiser en Deken van de Orde van Advocaten Amsterdam, verweerder (gemachtigde: mr. F.C. van der Jagt en mr. M.C. van Velzen). Procesverloop Met een besluit van 25 mei 2021 (het primaire besluit) is beslist op een verzoek van eiser op grond van de Algemene Verordening Gegevensbescherming (AVG). Met een besluit van 28 februari 2022 (het bestreden besluit I) heeft verweerder het bezwaar van eiser tegen het primaire besluit ongegrond verklaard. De rechtbank heeft met de uitspraak van 22 november 2022 het beroep van eiser tegen het bestreden besluit I gegrond verklaard. De rechtbank heeft het bestreden besluit I vernietigd en verweerder opgedragen een nieuwe beslissing op bezwaar te nemen met inachtneming van de uitspraak. Verweerder heeft bij besluit van 3 januari 2023 (het bestreden besluit II) een nieuwe beslissing op bezwaar genomen en het bezwaar van eiser ongegrond verklaard. Eiser heeft tegen het bestreden besluit II beroep ingesteld. Verweerder heeft een verweerschrift ingediend. Het onderzoek op de zitting heeft plaatsgevonden op 30 september 2024. Eiser is verschenen. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigden. Overwegingen Wat aan deze procedure voorafging 1. Op 25 april 2021 heeft eiser verweerder op grond van de AVG verzocht om verstrekking van de van hem en zijn stiefdochter verwerkte (persoons)gegevens en informatie over wat is gedeeld met derden. 2. Met het primaire besluit is besloten de verzochte gegevens niet te verstrekken. In het kader van de toezichthoudende taken van verweerder is een beroep gedaan op artikel 41, eerste lid, onder h, van de Uitvoeringswet Algemene Verordening Gegevensverwerking (UAVG). Vanaf juni 2018 tot en met de datum van het primaire besluit zijn eisers persoonsgegevens niet verwerkt in klachtzaken die op eiser betrekking hebben. Een overzicht van de over eiser verwerkte persoonsgegevens over de periode tot juni 2018 is al aan eiser verstrekt. 3. Met een e-mailbericht van 14 juni 2021 heeft eiser zijn verzoek nader gespecificeerd. Op 5 juli 2021 heeft eiser bezwaar gemaakt. 4. Op 6 juli 2021 heeft verweerder eiser laten weten dat verzuimd is te melden dat in de periode vanaf juni 2018 in vier zaken die betrekking hebben op eiser en zijn dochter wel persoonsgegevens zijn verwerkt en een overzicht van die gegevens verstrekt. Het betreffen klachtdossiers waarvan de stukken al eerder in het kader van de behandeling van de klachten aan eiser zijn verstrekt. 5. Op 2 september 2021 heeft in het kader van het door eiser gemaakte bezwaar een hoorzitting plaatsgevonden. 6. Met het bestreden besluit I heeft verweerder het bezwaar van eiser ongegrond verklaard. Verweerder heeft zich op het standpunt gesteld dat eiser met de lijst met de van eiser en zijn stiefdochter verwerkte persoonsgegevens van 25 april 2021, aangevuld op 6 juli 2021, een overzicht heeft ontvangen van de gegevens die verweerder kan verstrekken, rekening houdend met de beperking van artikel 41, eerste lid, onder h, van de UAVG. Volgens verweerder is hiermee overeenkomstig de AVG op eisers verzoek beslist. 7. Eiser is tegen het bestreden besluit I in beroep gegaan. Het beroep is door rechtbank Amsterdam in een uitspraak van 22 november 2022 gegrond verklaard, vanwege het ontbreken van een schriftelijk verslag van de hoorzitting van 2 september 2021. Dit is in strijd met artikel 7:7 Algemene wet bestuursrecht (Awb) en volgens de rechtbank kan niet gezegd worden dat eiser door de schending van dat artikel niet is benadeeld. De rechtbank heeft hierin aanleiding gezien het bestreden besluit I te vernietigen en het noodzakelijk geacht dat eiser opnieuw wordt gehoord en dat daarvan een schriftelijk verslag wordt gemaakt. 8. Op 22 december 2022 heeft een telefonische hoorzitting plaatsgevonden. 9. Met het bestreden besluit II heeft verweerder het bezwaar van eiser ongegrond verklaard. Verweerder meent dat het inzagerecht niet absoluut is. Artikel 41, eerste lid, onder h en i, van de UAVG kent beperkingen van dat recht. Verweerder merkt op dat bij het besluit van 25 mei 2021 een lijst is verstrekt met daarop de verwerkte persoonsgegevens van eiser en zijn stiefdochter, aangevuld op 6 juli 2021, rekening houdend met voornoemde beperkingen. Verder stelt verweerder dat de AVG geen recht geeft op verstrekking van een kopie van de (volledige) documenten waarin de persoonsgegevens zijn opgenomen. Standpunt van eiser 10. Eiser kan zich niet verenigen met het bestreden besluit II. Volgens eiser blijkt uit een uitspraak van het Europese Hof van Justitie van 4 mei 2023 dat hij recht heeft op een kopie van de (volledige) documenten waarin zijn persoonsgegevens en die van zijn stiefdochter zijn opgenomen. Alleen zo kan hij het recht op rectificatie en gegevenswissing inroepen. Daarnaast voert eiser aan dat artikel 41 UAVG in deze situatie niet geldt. Eiser meent bovendien dat veel meer persoonsgegevens van hem en zijn stiefdochter bij de deken liggen, nu de deken een usb-stick heeft ontvangen met persoonsgegevens van hen erop. Ook verzoekt eiser om een schadevergoeding. Standpunt van verweerder 11. Verweerder meent primair dat het beroep niet-ontvankelijk is, vanwege een termijnoverschrijding van het insturen van de beroepsgronden door eiser. Subsidiair stelt verweerder dat aan eiser een overzicht is verstrekt van de van hem en zijn stiefdochter verwerkte persoonsgegevens, behoudens voor zover het dossiers van derden betreft die zijn opgesteld in het kader van de toezichthoudende taak. In dat overzicht is opgenomen om welke gegevens het gaat, met welk doel de gegevens zijn verwerkt, van wie de gegevens zijn ontvangen, met wie de gegevens zijn gedeeld en hoe lang de gegevens worden bewaard. Het oordeel van de rechtbank Ontvankelijkheid beroep 12. De rechtbank volgt het betoog van verweerder dat het beroep van eiser niet-ontvankelijk is niet en overweegt als volgt. De rechtbank stelt vast dat eiser op 8 februari 2023 beroep heeft ingesteld tegen het bestreden besluit II. Eiser zegt daarin: “Er is een hoorzitting geweest maar er is niets maar dan ook niets gedaan met mijn gronden over de AVG en de rest. Ik ben het niet eens met deze beslissing op bezwaar en dien daarom (…) beroep in tegen dit besluit. (…) Ik wil graag een termijn om de gronden aan te vullen (…).” Hieruit leidt de rechtbank af dat eiser meent dat nu wel een hoorzitting is gehouden maar dat nog steeds niets met zijn gronden over de AVG is gedaan en hij het daarom niet eens is met de beslissing op bezwaar. Naar het oordeel van de rechtbank bevat het beroepschrift van eiser van 8 februari 2023 een reden waarom hij het niet eens is met de beslissing op bezwaar. Het betreft een summiere beroepsgrond, maar dat is voldoende voor de ontvankelijkheid van het beroep. Omdat eiser om een termijn heeft verzocht om nadere gronden in te dienen, is hij bij brief van 11 juli 2023 door de rechtbank in de gelegenheid gesteld om uiterlijk binnen vier weken na de datum van verzending van die brief de gronden van het beroep in te dienen, dus uiterlijk op 8 augustus 2024. Eiser heeft op 13 augustus 2023 per e-mail de gronden van het beroep ingediend. Dat is weliswaar iets later dan de gestelde termijn, maar daarmee is geen sprake van strijd met de goede procesorde. Verweerder heeft tot de zitting van 30 september 2024 immers ruimschoots de tijd gehad om op de beroepsgronden van 13 augustus 2023 te reageren. Ook in het buiten de gestelde termijn indienen van de aanvullende beroepsgronden ziet de rechtbank geen aanleiding om die buiten toepassing te laten. Omvang van het geding 13. De rechtbank stelt vast dat het in deze procedure gaat om persoonsgegevens die zijn verwerkt in klachtdossiers van eiser en in toezichtdossiers die bij verweerder in behandeling waren in het kader van de toezichthoudende taak van verweerder. De beroepsgronden van eiser richten zich niet tegen de klachtdossiers, waarvan al een overzicht van verwerkte persoonsgegevens aan eiser zijn verstrekt, maar op de toezichtdossiers. In deze uitspraak wordt dan ook niet ingegaan op de zogenoemde klachtdossiers. 14. Vooropgesteld wordt dat eiser een verzoek heeft gedaan op grond van artikel 15, eerste lid van de AVG. Hij wil weten welke persoonsgegevens van hem en zijn stiefdochter zijn verwerkt en wil inzage in die persoonsgegevens en informatie als bedoeld in artikel 15, eerste lid van de AVG. In deze procedure ligt dan ook alleen de beslissing op bezwaar naar aanleiding van dit verzoek ter beoordeling voor. Voor zover eiser in beroep verzoekt om rectificatie of gegevenswissing oordeelt de rechtbank dat dat buiten de omvang van het geding valt. Ook de vraag of verweerder de usb-stick die mr. Raat aan de deken heeft gestuurd mocht gebruiken en mocht overgaan tot het instellen van het onderzoek tegen de voormalig advocaat van eiser valt buiten de omvang van het geding. 15. De rechtbank stelt voorop dat de definitie van het begrip ‘persoonsgegevens’ in artikel 4 onder 1 van de AVG zeer ruim is. Het gaat om “alle informatie over een (…) natuurlijke persoon”. Het was de bedoeling van de Uniewetgever om een ruime betekenis te geven aan dit begrip, dat niet beperkt is tot gevoelige of persoonlijke informatie maar zich potentieel uitstrekt tot elke soort informatie, zowel objectieve informatie als subjectieve informatie in de vorm van meningen of beoordelingen, voor zover die informatie de betrokkene betreft. Dat laatste is het geval wanneer die informatie wegens haar inhoud, doel of gevolg gelieerd is aan de betrokkene. De rechtbank gaat in deze uitspraak dan ook uit van dit ruime begrip van persoonsgegevens. Artikel 41, eerste lid, onder g, h en i, van de UAVG 16. De rechtbank dient de vraag te beantwoorden of verweerder inzage in de persoonsgegevens van eiser en zijn stiefdochter uit de toezichtdossiers op grond van artikel 41, eerste lid, onder g, h en i, van de UAVG heeft mogen weigeren. 17. Verweerder stelt dat zij toezicht houdt op de naleving door advocaten van de Advocatenwet en andere regelgeving. Verweerder meent dat het buiten toepassing laten van het inzagerecht noodzakelijk en evenredig is, omdat verweerder anders in strijd zou handelen met de geheimhoudingsplicht. Eerder is door het Hof Arnhem-Leeuwarden in een kwestie aangaande de geheimhoudingsverplichtingen van accountants geoordeeld dat inzage mag worden geweigerd indien de verstrekking van de persoonsgegevens het beginsel van de vertrouwelijkheid in de kern zouden raken, hetgeen in deze procedure evident is. Daarnaast speelt dat ook de rechten en vrijheden van anderen, zijnde de onder toezicht gestelde advocaten en andere personen waarvan informatie is ontvangen of waarmee informatie is uitgewisseld, zouden worden geschonden. 18. De rechtbank overweegt dat de in artikel 41, eerste lid, van de UAVG opgenomen uitzonderingsgronden het voor de verwerkingsverantwoordelijke mogelijk maken om (in dit geval) het inzagerecht buiten toepassing te laten, voor zover dat noodzakelijk en evenredig is ter waarborging van de diverse in dat artikel benoemde belangen. Onder andere zijn daar genoemd het onderzoek naar schendingen van de beroepscodes voor gereglementeerde beroepen (g), een taak op het gebied van het daarop te verrichten toezicht (
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.