vonnis RECHTBANK AMSTERDAM Afdeling Publiekrecht Teams Strafrecht Parketnummer: 13/081563-23 Datum uitspraak: 22 oktober 2024 Vonnis van de rechtbank Amsterdam, meervoudige kamer voor de behandeling van strafzaken, in de zaak tegen: [verdachte] , geboren te [geboorteplaats] ( [geboorteland] ) op [geboortedag] 1984, ingeschreven in de Basisregistratie Personen op het adres [BRP-adres] 1Het onderzoek ter terechtzitting Dit vonnis is op tegenspraak gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzittingen van 30 mei 2024, 24 september 2024 en 22 oktober 2024. De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officieren van justitie, mrs. A.M. Ruijs en S.A. van Vliet, en van wat verdachte en haar raadsman, mr. M. Pijnenburg, naar voren hebben gebracht. 2Tenlastelegging Aan verdachte is – na wijziging op de zitting – ten laste gelegd dat zij zich heeft schuldig gemaakt aan 1. medeplegen van (gewoonte)witwassen van diverse geldbedragen (met een totaalbedrag van € 2.743.665,-) in de periode van 9 maart 2020 tot en met 4 november 2020 in (verschillende plaatsen
- in)Nederland; 2. medeplegen van (gewoonte)witwassen van een geldbedrag van € 6.700,- en diverse (luxe)goederen op 28 november 2023 in [plaatsnaam] . De volledige tenlastelegging is opgenomen in de bijlage I die aan dit vonnis is gehecht en geldt als hier ingevoegd. 3Voorvragen De dagvaarding is geldig, deze rechtbank is bevoegd tot kennisneming van de ten laste gelegde feiten en het Openbaar Ministerie is ontvankelijk. Er zijn geen redenen voor schorsing van de vervolging. 4Waardering van het bewijs 4.1. Inleiding In het strafrechtelijke onderzoek Argus is onderzoek gedaan naar criminele samenwerkingsverbanden van de gebruikers van cryptocommunicatie via de aanbieder SkyECC (hierna: Sky). Daarbij zijn veel versleutelde berichten ontdekt en ontsleuteld. Uit de inhoud van die berichten zijn diverse verdenkingen ontstaan, waaronder de verdenking in onderhavig onderzoek Ajino. Berichten van de Sky-ID’s [Sky-ID 1] en [Sky-ID 2] zijn in beeld gekomen en volgens de politie behoren deze twee Sky-ID’s toe aan dezelfde gebruiker. Uit de chatberichten die zijn gevoerd met deze Sky-ID’s zou blijken dat dat de gebruiker zich onder meer bezighield met overdrachten van zeer grote contante geldbedragen. De politie heeft medeverdachte [medeverdachte] (hierna: [medeverdachte] ) geïdentificeerd als de gebruiker van deze Sky-ID’s, hetgeen hij ook erkent. Verdachte is de partner van [medeverdachte] en in het onderzoek Ajino is de verdenking ontstaan dat zij bij een aantal geldoverdrachten betrokken zou zijn. Dit is aan verdachte onder feit 1 tenlastegelegd als het medeplegen van gewoontewitwassen. Op 28 november 2023 zijn verdachte en medeverdachte [medeverdachte] aangehouden in het onderzoek Ajino. Bij de doorzoeking in hun woning in [plaatsnaam] zijn diverse luxegoederen (zoals dure merkkleding, tassen en schoenen) alsmede een contant geldbedrag van € 6.700,- aangetroffen. Onder feit 2 is aan verdachte het medeplegen van (gewoonte)witwassen met betrekking tot deze voorwerpen tenlastegelegd. Ten aanzien van medeverdachte [medeverdachte] is tevens de verdenking ontstaan dat hij zich bezighield met (de voorbereiding van) cocaïnehandel (feiten 3 en 4 in de zaak van [medeverdachte] ). Verdachte wordt niet verdacht van betrokkenheid daarbij. 4.2. Het standpunt van het Openbaar Ministerie De officieren van justitie hebben – onder verwijzing naar het op schrift gestelde requisitoir – gerekwireerd tot bewezenverklaring van de onder 1 en 2 ten laste gelegde feiten op grond van de inhoud van het dossier. Daarbij is betoogd dat ten aanzien van feit 1 kan worden bewezen dat verdachte van het witwassen een gewoonte heeft gemaakt. Ten aanzien van feit 2 dient verdachte vrij te worden gesproken van het maken van een gewoonte. 4.3. Het standpunt van de verdediging De raadsman heeft zich met betrekking tot feit 1 op het standpunt gesteld dat ten aanzien van de geldtransacties op 9 maart 2020 (€ 68.750,-) en 22 oktober 2020 (€ 713.760,-), het witwassen kan worden bewezen. Van de overige vier tenlastegelegde geldtransacties heeft de raadsman – onder verwijzing naar zijn pleitnota – vrijspraak bepleit wegens gebrek aan bewijs dat verdachte hierbij betrokken was. Met betrekking tot feit 2 heeft de raadsman betoogd dat niet kan worden bewezen dat de voorwerpen van misdrijf afkomstig zijn, dan wel dat verdachte daarvan wetenschap had. 4.4. Het oordeel van de rechtbank 4.4.1 Feit 1 4.4.1.1. Voorhanden hebben, verwerven en/of overdragen van de tenlastegelegde geldbedragen Algemene vaststellingen De tenlastelegging ziet ten aanzien van verdachte op (het medeplegen van) zes geldtransacties c.q. overdrachten van contante geldbedragen op verschillende data in Nederland. De rechtbank stelt in algemene zin allereerst het volgende vast. De partner van verdachte, medeverdachte [medeverdachte] , heeft bevestigd dat hij in de tenlastegelegde periode de gebruiker was van de Sky-ID’s [Sky-ID 1] en [Sky-ID 2] (hierna: [Sky-ID 1] en [Sky-ID 2] ). [medeverdachte] heeft verder verklaard dat hij een aantal keer zijn vrouw [de rechtbank begrijpt: verdachte] heeft gestuurd om het geld op te halen. Verdachte heeft verklaard dat het klopt dat zij een aantal keer een geldoverdracht heeft gedaan in opdracht van [medeverdachte] , en dat zij in dat verband ook wel eens toegang heeft gehad tot zijn Sky-telefoon. Verdachte zou hiervoor – als beloning – € 5.000,- hebben ontvangen. De rechtbank stelt voorts ten aanzien van de specifiek tenlastegelegde transacties – per transactie – het volgende vast. € 68.750,- op 9 maart 2020 Uit de inhoud van de chatgesprekken van [Sky-ID 1] op 9 maart 2020 en de bekennende verklaring van verdachte bij de politie en op de zitting van 24 september 2024, volgt dat verdachte op 9 maart 2020 een bedrag van € 68.750,- heeft ontvangen bij haar thuis (in [plaatsnaam] ) en dat zij dit geldbedrag ook heeft geteld. € 320.000,- op 28 juni 2020 en € 172.000 op 29 juni 2020 Uit de inhoud van de chatgesprekken tussen [Sky-ID 2] en de gebruikers van de Sky-ID’s [Sky-ID 3] en [Sky-ID 4] volgt dat door de gebruiker van [Sky-ID 2] op 28 juni 2020 €320.000,- is opgehaald (in Rotterdam) en op 29 juni 2020 € 172.000 is opgehaald (in Den Haag). Voorts is op de telefoon van verdachte, die op 28 november 2023 uit handen van verdachte in beslag is genomen, een PDF bestand aangetroffen met als titel “recibido”, hetgeen Spaans is voor “ontvangen”’. Hierin staat vermeld het bedrag van € 320.000,-, met daarachter 28/06/20 en het bedrag € 172.000,-, met daarachter 29/06/20. Ter terechtzitting van 24 september 2024 heeft verdachte verklaard dat het klopt dat [medeverdachte] en zij deze geldbedragen hebben opgehaald c.q. ontvangen en dat zij bij deze geldtransacties aanwezig was. € 420.000,- op 29 juni 2020 Uit de inhoud van de chatgesprekken op 29 juni 2020 tussen [Sky-ID 2] en gebruiker [Sky-ID 5] volgt dat [Sky-ID 5] om een token vraagt. [Sky-ID 2] stuurt het nummer [serienummer] (naar later blijkt het serienummer van een bankbiljet) en zegt ‘420 duizend voorlopig’. [Sky-ID 5] antwoordt hierop: ‘ik zal voor je coördineren dat het ontvangen wordt’. Ongeveer anderhalf uur later zegt [Sky-ID 5] dat hij zo een bevestiging zal sturen van ‘waar wij ontvangen’. [Sky-ID 2] stuurt daarop: ‘ik moet weten hoe laat ik moet leveren’. Ruim twee uur later, omstreeks 19.11 uur (UTC), stuurt [Sky-ID 2] een foto door van een bankbiljet (token) met serienummer [serienummer] . Op het token staan een datum, 29-06-2020, en een tijdstip vermeld, 21:09, en het getal 420. De lokale tijd in Nederland op het moment van het doorsturen van het token valt in de tijdzone UTC+2, dus 21:11 uur. Meteen na het versturen van het token, stuurt [Sky-ID 2] aan [Sky-ID 5] ‘geleverd vriend’. De rechtbank leidt hieruit af dat die dag omstreeks 21:09 uur (Nederlandse tijd) € 420.000 is afgeleverd, welke aflevering twee minuten later, om 21:11 uur (Nederlandse tijd), werd bevestigd door [Sky-ID 2] , onder meer door middel van een foto van het token. Op de om 21:11 uur (Nederlandse tijd) doorgestuurde foto van het bankbiljet met nummer [serienummer] - het token - is zichtbaar dat dit biljet wordt vastgehouden door iemand waarvan de duimnagel is gelakt, zodat het vermoeden bestaat dat dit een vrouw betreft. Verdachte heeft op de terechtzitting van 24 september 2024 verklaard dat zij de persoon is die daar dat bankbiljet vasthoudt en dat het klopt dat er die dag € 420.000,- is afgeleverd en dat zij daarbij betrokken was. € 713.760,- op 22 oktober 2020 Op grond van de inhoud van de chats op 22 oktober 2020 tussen [Sky-ID 2] en [Sky-ID 6], en de bekennende verklaring van verdachte op de terechtzitting van 24 september 2024, volgt dat zij op 22 oktober 2020 (in opdracht van [medeverdachte] ) € 713.760,- heeft opgehaald en geteld (ergens in Nederland). € 1.049.155,- op 3 en 4 november 2020 Uit de inhoud van de chatgesprekken tussen [Sky-ID 2] en [Sky-ID 6] op 3 november 2020 volgt dat [Sky-ID 6] aan [Sky-ID 2] vraagt: ‘kan je geld komen ophalen’. [Sky-ID 2] antwoordt ‘ja natuurlijk’ en vervolgens wordt er gesproken over een tijd en locatie. Er wordt besloten het ‘morgen’ (4 november 2020) te doen. Uit de inhoud van de chatgesprekken tussen [Sky-ID 2] en [Sky-ID 6] op 4 november 2020 volgt dat er wordt afgesproken op het [straat] te Den Haag. [Sky-ID 6] legt uit waar [Sky-ID 2] naartoe moet komen en [Sky-ID 2] zegt vervolgens: ‘wij zijn hier’. Daarop vraagt [Sky-ID 6] aan [Sky-ID 2] : ‘wie is daar, de vrouw of jijzelf’. Hierop antwoordt [Sky-ID 2] : ‘beide’. Even later stuurt [Sky-ID 6] aan [Sky-ID 2] : ‘jij hebt daar 1M en 77 duizend’, waarop [Sky-ID 2] onder meer stuurt: ‘als ik thuis ben laat ik weten’ en ‘als ik alles heb geteld zal ik u vertellen of er wat ontbreekt’. Later die dag stuurt [Sky-ID 2] naar [Sky-ID 6] : ‘Broer u zei tegen mij 1.077.000 maar hier is 1M 49.155’. Op grond hiervan volgt naar het oordeel van de rechtbank dat verdachte, samen met [medeverdachte] , op 4 november 2020 € 1.049.155,- heeft opgehaald in Den Haag. De ter terechtzitting van 24 september 2024 afgelegde verklaring van verdachte dat het niet kan kloppen dat zij bij deze transactie aanwezig was omdat zij op dat moment zwanger was, maakt dit oordeel niet anders. De rechtbank volgt die verklaringen – gezien de voormelde chats – niet. De enkele omstandigheid dat verdachte op dat moment zwanger was maakt ook niet dat het onmogelijk zou zijn dat verdachte bij deze transactie aanwezig is geweest. Conclusie De rechtbank is op grond van het hiervoor beschrevene van oordeel dat kan worden bewezen dat verdachte de ten laste gelegde geldbedragen op de genoemde data (in Nederland) heeft verworven en/of voorhanden heeft gehad en/of heeft overgedragen. 4.4.1.2. Witwassen Voor een bewezenverklaring van het misdrijf ‘witwassen’ is vereist dat komt vast te staan dat het desbetreffende geldbedrag middellijk of onmiddellijk van enig misdrijf afkomstig is en dat verdachte dat wist, dan wel redelijkerwijs had moeten vermoeden. In dit verband overweegt de rechtbank ten aanzien van de tenlastegelegde contante geldbedragen als volgt. In de onderhavige zaak valt op grond van de beschikbare bewijsmiddelen geen rechtstreeks verband te leggen met een nauwkeurig aangeduid misdrijf. Daarom zal vastgesteld dienen te worden of het op grond van de vastgestelde feiten en omstandigheden niet anders kan zijn dan dat dit geld uit enig misdrijf afkomstig is. De rechtbank neemt hierbij de volgende feiten en omstandigheden in aanmerking. In onderhavig geval is sprake van geldtransacties/geldverplaatsingen van telkens zeer grote contante geldbedragen, te weten in één geval zelfs een bedrag van € 1.049.155,-. Het gaat om een totaal van maar liefst € 2.743.665,- aan contant geld binnen een periode van acht maanden tijd. Het op deze wijze op de openbare weg, rechtstreeks en fysiek, overdragen van zulke grote geldbedragen aan een persoon – en buiten het officiële bancaire circuit om – is hoogst ongebruikelijk, onder meer gelet op de aanzienlijke veiligheidsrisico’s waarmee dit gepaard gaat. Daar komt bij dat ten aanzien van (de totstandkoming van) deze transacties c.q. overdrachten gebruik is gemaakt van versleutelde communicatie via Sky-ID’s met anonieme gebruikersnamen. Ook is sprake van zogenoemde ‘tokens’ die kennelijk fungeren als door de ontvangers te gebruiken legitimatie voor degenen die de geldbedragen afleveren en ophalen. Het is een feit van algemene bekendheid dat deze gang van zaken in het criminele circuit een gebruikelijke werkwijze is – om onder meer geld wit te wassen – alsmede dat diverse vormen van criminaliteit gepaard gaan met grote hoeveelheden contant geld. De rechtbank is van oordeel dat voornoemde feiten en omstandigheden het vermoeden rechtvaardigen dat het niet anders kan zijn dan dat de betreffende geldbedragen uit enig misdrijf afkomstig zijn. In dat geval mag van verdachte worden verlangd dat zij een concrete, min of meer verifieerbare en een niet op voorhand hoogst onwaarschijnlijke verklaring geeft over de herkomst van het geld. Daarvan is in dit geval geen sprake, integendeel, verdachte heeft immers in haar verhoor bij de politie op 22 mei 2024 verklaard dat zij doorhad dat het ophalen en afleveren van het geld strafbaar was. Ter terechtzitting van 24 september 2024 heeft zij tevens verklaard dat zij het geld soms ook telde en dat ze wist dat wat ze deed niet in orde en niet normaal was. Zij heeft bovendien verklaard dat zij wist dat als de politie haar zou aanhouden, zij in de problemen zou zitten. Gelet hierop is rechtbank dan ook van oordeel dat het niet anders kan dan dat de betreffende geldbedragen afkomstig waren van enig misdrijf en dat verdachte dat ook wist. 4.4.1.3. Medeplegen De rechtbank is daarnaast van oordeel dat het ten laste gelegde medeplegen kan worden bewezen ten aanzien van alle ten laste gelegde witwasbedragen c.q. geldoverdrachten. Uit de hiervoor in rubriek 4.4.1.1. aangehaalde chatgesprekken via Sky en de verklaringen van verdachte bij de politie (op 22 mei 2024) en ter terechtzitting van 24 september 2024, volgt dat zij de geldoverdrachten samen deed met haar partner [medeverdachte] , dan wel dat zij deze uitvoerde in zijn opdracht en naar aanleiding van zijn instructies. Dit heeft [medeverdachte] in zijn verklaring bij de politie op 7 mei 2024 ook bevestigd. [medeverdachte] heeft daarnaast verklaard dat zij de geldtransacties uitvoerden in opdracht van een persoon die ‘ [naam] ’ werd genoemd, er in de betrokken plaatsen verschillende mannen (met allerlei achtergronden) betrokken waren en dat het contante geld volgens [naam] instructie werd afdragen aan Chinezen.. Uit de in rubriek 4.4.1.1. besproken chatgesprekken tussen de Sky-ID’s van [medeverdachte] – waarvan verdachte in het kader van de transacties ook gebruik maakte naar eigen zeggen en blijkens chatgesprekken – en andere Sky-gebruikers, waaronder een persoon die in de berichten ‘ [naam] ’ wordt genoemd, blijkt een nauwe en bewuste samenwerking ten aanzien van de totstandkoming en de coördinatie van de transacties, en daarmee het medeplegen met deze anderen, ook duidelijk. Er is in dit verband onderling gebruik gemaakt van tokens en tevens zijn administraties/balansen, die zijn te relateren aan (een aantal van) de geldtransacties, aangetroffen in zowel de telefoon van verdachte als in de chats tussen de Sky-ID’s van [medeverdachte] en andere Sky-gebruikers. Verdachte heeft ook verklaard dat zij af en toe de contante geldbedragen heeft geteld. Uit het hiervoor beschrevene blijkt voldoende van de voor medeplegen vereiste nauwe en bewuste samenwerking tussen zowel verdachte en haar partner [medeverdachte] , als tussen hen en de personen met wie zij in contact stonden in het kader van de transacties en ten behoeve van wie zij het geld in ontvangst hebben genomen en hebben afgedragen. 4.4.1.4. Gewoontewitwassen Het witwassen heeft plaatsgevonden in een periode van acht maanden en heeft in die periode een zodanige omvang en continuïteit gehad dat naar het oordeel van de rechtbank ook bewezen kan worden dat verdachte van het witwassen een gewoonte heeft gemaakt. 4.4.2. Feit 2 4.4.2.1. Voorhanden hebben € 6.700,- aan contant geld en luxegoederen Op grond van het proces-verbaal van doorzoeking en de kennisgevingen van inbeslagneming, kan worden vastgesteld dat in de woning van verdachte in [plaatsnaam] op 28 november 2023 – onder meer – in beslag zijn genomen een contant geldbedrag van € 6.700,-, en de volgende luxegoederen van duurdere merken: - een horloge van het merk Rolex ter waarde van € 12.000,-;; - een horloge van het merk Tag Heuer, ter waarde van € 1.000,-;; - 49 paar schoenen van onder meer de merken Louis Vuitton, Gucci en Louboutin; - 10 paar slippers van dure merken zoals Louis Vuitton en Dolce & Gabbana; - 24 tassen van luxe merken, zoals Louis Vuitton, Gucci en Prada; - 14 riemen van luxe merken, zoals Louis Vuitton, Gucci, Louboutin en Burberry. Verdachte heeft verklaard dat het klopt dat deze spullen bij hen in huis lagen en dat het geld en de spullen van verdachte, dan wel van [medeverdachte] zijn. Verdachte woont al jaren in de betreffende woning samen met haar partner [medeverdachte] en zij voeren daar een gezamenlijke huishouding. Gelet hierop is de rechtbank van oordeel dat verdachte, tezamen en in vereniging met [medeverdachte] voornoemd geldbedrag en de luxegoederen (met een totale (dag)waarde van ongeveer € 35.195,-) voorhanden heeft gehad op 28 november 2023. 4.4.2.2. Witwassen Voor een bewezenverklaring van het misdrijf witwassen is vereist dat komt vast te staan dat de in de woning aangetroffen luxegoederen en contanten middellijk of onmiddellijk van enig misdrijf afkomstig zijn en dat verdachte dat wist dan wel redelijkerwijs had moeten vermoeden. De rechtbank stelt in dit verband het volgende vast. Afkomstig uit misdrijf Verdachte heeft ter terechtzitting van 24 september 2024 verklaard, en haar raadsman heeft dat ook aangevoerd, dat het merendeel van de aangetroffen spullen is betaald door [medeverdachte] . Verdachte verklaarde hierover tevens dat [medeverdachte] haar ook contant geld gaf, waarvan zij spullen kocht. Ten aanzien van een deel van de aangetroffen voorwerpen geldt dat op basis van het dossier geen specifiek misdrijf kan worden vastgesteld waaruit deze afkomstig zouden kunnen zijn. Ook echter als niet een concreet misdrijf aan te wijzen valt, kan onder omstandigheden worden bewezen dat de aangetroffen voorwerpen uit misdrijf afkomstig zijn. Er moet dan sprake zijn van een witwasvermoeden op basis van de feiten en omstandigheden waaronder de voorwerpen zijn aangetroffen. Als dat vermoeden er is, dan is het aan verdachte om een verklaring te geven over de legale herkomst van het geld en de voorwerpen. Die verklaring moet concreet zijn, verifieerbaar en niet op voorhand hoogst onwaarschijnlijk. Als de verklaring van verdachte daaraan voldoet, is het Openbaar Ministerie aan zet om nader onderzoek naar de herkomst van de voorwerpen. Ten aanzien van het witwasvermoeden overweegt de rechtbank het volgende. Verdachte en haar partner [medeverdachte] zijn als verdachten in beeld gekomen in het onderzoek (Ajino) naar witwassen, en ten aanzien van [medeverdachte] tevens drugshandel. Vastgesteld is dat verdachte en [medeverdachte] zich gedurende een langere periode in 2020 hebben schuldig gemaakt aan het medeplegen van gewoontewitwassen van zeer hoge (contante) geldbedragen (feit 1) en dat [medeverdachte] zich in 2020 en in de periode van 31 maart tot en met 28 november 2023 tevens heeft schuldig gemaakt aan (voorbereiding van) cocaïnehandel (feiten 2 en 3 [medeverdachte] ). Verder blijkt uit het onderzoek dat door verdachte en [medeverdachte] in 2020 (tussen 23 mei 2020 tot 7 december 2020) bij Louis Vuitton contante aankopen zijn gedaan voor in totaal een bedrag van € 17.410,-. Dit betreffen soortgelijke artikelen als die tijdens de doorzoeking in de woning zijn aangetroffen. Voorts blijkt uit de financiële gegevens die bij de Belastingdienst bekend zijn over verdachte, dat verdachte onvoldoende legaal inkomen had om een verklaring te kunnen bieden voor de aanzienlijke hoeveelheid luxegoederen van onder andere Louis Vuitton (met een totale dagwaarde van ongeveer € 35.194,-) en het aangetroffen contante geld. Deze omstandigheden rechtvaardigen een vermoeden van witwassen. Daarom mag van verdachte worden verlangd dat zij een verklaring geeft over de herkomst van de aangetroffen voorwerpen. In dit verband stelt de rechtbank het volgende vast. Op 2 januari 2024 is aan verdachte een witwasbrief gestuurd waarin is medegedeeld dat met betrekking tot de aangetroffen voorwerpen sprake is van een vermoeden van witwassen en waarin de gelegenheid is gegeven om aanvullende informatie te verstrekken om de herkomst van de goederen te onderbouwen en/of de geldstro(o)m(
- en)te onderbouwen en inzichtelijk te maken. Hieraan heeft verdachte, ook na een verleend uitstel, geen gehoor gegeven. Ook in de verhoren van verdachte bij de politie heeft verdachte geen verklaring afgelegd over de herkomst van de spullen. Eerst ter terechtzitting van 24 september 2024 heeft verdachte verklaard dat het meeste van de aangetroffen spullen is betaald door [medeverdachte] en dat [medeverdachte] ook vaker contant geld zou hebben gepind voor haar. Het geld om (een deel van) de aangetroffen luxegoederen te bekostigen, alsmede € 6.700,- aan contanten te hebben liggen, zou afkomstig zijn van inkomsten uit het bedrijf van [medeverdachte] in Spanje, genaamd [bedrijf]. De rechtbank is van oordeel dat de enkele – pas ter terechtzitting gedane – stelling van verdachte dat de aangetroffen luxegoederen en contanten afkomstig zouden zijn van de inkomsten van haar partner uit dit bedrijf, mede gelet op het late stadium waarin verdachte met deze mededeling komt, onvoldoende is om te gelden als een concrete, verifieerbare niet op voorhand hoogst onwaarschijnlijke verklaring. Daarbij neemt de rechtbank tevens in aanmerking dat op een geen enkele wijze wordt onderbouwd dan wel anderszins handen en voeten wordt gegeven aan de stelling dat [medeverdachte] via dit bedrijf dusdanige (legale) inkomsten had om te kunnen beschikken over voornoemde goederen en contanten. Dit terwijl anderzijds is komen vast te staan dat [medeverdachte] zich in 2020 en in de periode van 1 juli tot en met 27 november 2023 heeft schuldig gemaakt aan (voorbereiding van) cocaïnehandel, waarbij uit het dossier en de verklaringen van [medeverdachte], volgt dat nota bene zijn bedrijf [bedrijf] door [medeverdachte] (als dekmantel) werd gebruikt in het kader van de in zijn zaak bewezenverklaarde voorbereidingen om cocaïne in te voeren in Nederland. Bij deze stand van zaken concludeert de rechtbank dat het niet anders kan zijn dan dat de in de woning van verdachte en [medeverdachte] aangetroffen voorwerpen afkomstig zijn uit enig misdrijf. Dat verdachte dit wist dan wel had moeten weten leidt de rechtbank af uit het feit dat kan worden vastgesteld dat zij in ieder geval wist dat [medeverdachte] zich bezighield met het onder 1 bewezenverklaarde gewoontewitwassen van extreem hoge contante geldbedragen, welk feit zij bovendien heeft medegepleegd en waarvan zij wist dat dit strafbaar was. Bovendien wist verdachte dat hiervoor geld werd ontvangen. Onder die omstandigheden kan worden vastgesteld dat verdachte minst genomen bewust de aanmerkelijke kans heeft aanvaard dat het contante geld en de luxegoederen uit enig misdrijf afkomstig waren. Conclusie Gezien al het voorgaande acht de rechtbank het onder 2 ten laste gelegde medeplegen van witwassen bewezen, zoals hierna in rubriek 5 bewezenverklaard. 4.4.2.3. Vrijspraak van het maken van een gewoonte Met de officier van justitie en de raadsman is de rechtbank van oordeel dat ten aanzien van dit feit geen sprake is van gewoontewitwassen, zodat verdachte van dat onderdeel van de tenlastelegging wordt vrijgesproken. 5Bewezenverklaring De rechtbank acht op grond van de bewijsmiddelen zoals die in de voetnoten in rubriek 4 van dit vonnis zijn weergegeven, bewezen dat verdachte 1. in de periode van 9 maart 2020 tot en met 4 november 2020 in Nederland, tezamen en in vereniging met anderen voorwerpen, te weten - op 9 maart 2020 een geldbedrag van 68.750,- euro en - op 28 juni 2020 een geldbedrag van 320.000,- euro en - op 29 juni 2020 een geldbedrag van 172.000,- euro en - op 29 juni 2020 een geldbedrag van 420.000,- euro en - op 22 oktober 2020 een geldbedrag van 713.760,- euro en - op of omstreeks 3 november 2020 een geldbedrag van 1.049.155,- euro heeft verworven, voorhanden gehad en/of overgedragen, terwijl zij, verdachte, en haar mededaders wisten dat die geldbedragen - onmiddellijk of middellijk – afkomstig waren uit enig misdrijf en zij, verdachte, en haar mededaders van het plegen van witwassen een gewoonte hebben gemaakt; 2. op 28 november 2023 te [plaatsnaam] , tezamen en in vereniging met een ander, voorwerpen, te weten - een geldbedrag van 6.700,- euro en - 2 horloges (van het merk Rolex en Tag Heuer) en - 49 paar schoenen (onder andere van het merk Louis Vuitton en Gucci en Louboutin) en - 10 paar slippers en - 24 tassen (onder andere van het merk Louis Vuitton en Gucci en Prada) en - 14 riemen, heeft voorhanden gehad, terwijl zij, verdachte, en haar mededader wisten, dat die voorwerpen - onmiddellijk of middellijk - afkomstig waren uit enig misdrijf. Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten staan, zijn deze verbeterd. Verdachte is hierdoor niet in de verdediging geschaad. 6De strafbaarheid van de feiten De bewezen geachte feiten zijn volgens de wet strafbaar. Het bestaan van een rechtvaardigingsgrond is niet aannemelijk geworden. 7De strafbaarheid van verdachte Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit. Verdachte is dan ook strafbaar. 8Motivering van de straffen 8.1. De eis van het Openbaar Ministerie De officieren van justitie hebben gevorderd dat verdachte voor de door hen onder 1 en 2 bewezen geachte feiten zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf van 2 jaren, met aftrek van voorarrest, waarvan 1 jaar voorwaardelijk, met een proeftijd van 2 jaren. 8.2. Het standpunt van de verdediging De raadsman heeft verzocht niet over te gaan tot de oplegging van een onvoorwaardelijke gevangenisstraf, maar te volstaan met de oplegging van een forse taakstraf, al dan niet gecombineerd met een voorwaardelijke gevangenisstraf. Daartoe heeft hij aangevoerd dat rekening moet worden gehouden met de omstandigheid dat verdachte heeft gehandeld op verzoek van haar partner, en dat zij niet eerder voor een strafbaar feit is veroordeeld. Tevens is verzocht rekening te houden met de omstandigheid dat de reclassering adviseert aan verdachte geen onvoorwaardelijke gevangenisstraf op te leggen, vanwege de zorg voor de kinderen van verdachte. De vader van de kinderen, [medeverdachte] , is gedetineerd in deze zaak en bij detentie van beide ouders worden de belangen van de kinderen onevenredig geschaad. 8.3. Het oordeel van de rechtbank De hierna te noemen strafoplegging is in overeenstemming met de ernst van het bewezen geachte, de omstandigheden waaronder dit is begaan en de persoon van verdachte, zoals daarvan ter terechtzitting is gebleken. De rechtbank heeft bij de keuze tot het opleggen van een vrijheidsbenemende straf en bij de vaststelling van de duur daarvan in het bijzonder het volgende laten meewegen. De ernst van de feiten Verdachte heeft zich samen met haar partner (medeverdachte [medeverdachte] ) schuldig gemaakt aan het medeplegen van gewoontewitwassen door het verwerven, voorhanden hebben en/of overdragen van zeer grote contante geldbedragen, waarvan zij wist dat deze van enig misdrijf afkomstig waren. In een periode van ongeveer acht maanden heeft verdachte het aanzienlijke bedrag van € 2.743.665,- witgewassen. Daarbij werd professioneel te werk gegaan door onder meer gebruik te maken van Sky-telefoons en tokens. Tevens werd een administratie met betrekking tot (een aantal van) de geldbedragen bijgehouden. Deze mate van organisatie van het witwassen weegt de rechtbank als strafverzwarende omstandigheid mee. Daarnaast heeft verdachte zich samen met haar partner schuldig gemaakt aan het medeplegen van witwassen van een geldbedrag van € 6.700,- alsmede een grote hoeveelheid aan luxegoederen met een totale (dag)waarde van ongeveer € 35.195,-. Witwassen, en zeker op de grote schaal waarmee dat hier (met name met betrekking tot feit 1) plaatsvond, vormt een bedreiging voor de legale economie en tast de integriteit van het financiële en economische verkeer aan. Geld dat wordt verdiend door het plegen van strafbare feiten heeft een ontwrichtende werking op de samenleving. Door het witwassen van crimineel vermogen wordt de onderliggende criminaliteit niet alleen gefaciliteerd, maar ook bevorderd. Het maatschappelijk belang om dergelijk handelen tegen te gaan is dan ook groot en daarom is een forse strafrechtelijke reactie passend. De persoon van de verdachte Voor wat betreft de persoon van verdachte heeft de rechtbank onder meer acht geslagen op het Uittreksel Justitiële Documentatie (het strafblad) van verdachte van 3 juli 2024. Hieruit blijkt dat verdachte niet eerder is veroordeeld voor een strafbaar feit. De rechtbank heeft tevens acht geslagen op het verdachte betreffende reclasseringsrapport van 2 september 2024. Hieruit blijkt kort samengevat het volgende. Bij verdachte is sprake van stabiliteit op meerdere leefgebieden en het risico op recidive wordt ingeschat als laag. Verdachte draagt, mede wegens de detentie van haar partner [medeverdachte] in deze zaak, alleen de zorg voor de kinderen en is kostwinnaar van het gezin. Een onvoorwaardelijke gevangenisstraf kan mogelijk gevolgen hebben voor haar aanstelling op haar werk en zal nadelige gevolgen hebben voor die zorg over haar kinderen. Gelet hierop wordt de oplegging van een onvoorwaardelijke gevangenisstraf ontraden. Er zijn geen contra-indicaties voor het opleggen van een taakstraf. Tevens wordt een straf zonder bijzondere voorwaarden geadviseerd nu interventies of toezicht niet nodig worden geacht. De op te leggen straf De rechtbank heeft rekening gehouden met de oriëntatiepunten voor strafoplegging van het Landelijk Overleg Vakinhoud Strafrecht (LOVS). Deze zijn niet toegespitst op witwassen, maar zien op fraude in algemene zin. Deze oriëntatiepunten zijn gebaseerd op het benadelingsbedrag van de fraude. Als het bedrag dat verdachte heeft witgewassen wordt aangemerkt als het benadelingsbedrag, zou de LOVS in beginsel een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van 24 maanden tot aan de maximum gevangenisstraf voorschrijven. De rechtbank ziet echter in de persoon van verdachte en het advies van de reclassering aanleiding om niet tot de oplegging van een onvoorwaardelijke gevangenisstraf over te gaan. Gelet op het feit dat aan haar partner in het kader van deze strafzaak een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van aanzienlijke duur wordt opgelegd, zal de oplegging van een onvoorwaardelijke gevangenisstraf aan verdachte ertoe leiden dat de beide ouders van de kinderen van verdachte en [medeverdachte] zullen wegvallen. Sinds de detentie van [medeverdachte] en de schorsing van verdachte (uit de voorlopige hechtenis) op 1 december 2023, draagt zij alleen de zorg voor haar kinderen, ook in financiële zin. Verdachte heeft gedurende de afgelopen periode van bijna één jaar laten zien dat zij in staat is de zorg voor de kinderen te dragen en zich niet in te laten met strafbare feiten. Daarnaast zijn er geen familieleden die de zorg voor de kinderen volledig op zich kunnen nemen. De moeder van verdachte heeft zelf een baan. De rechtbank zal gezien het voorgaande de reclassering in het advies volgen. Daarbij neemt de rechtbank tevens in aanmerking dat onder het de voornoemde omstandigheden terugsturen van verdachte naar de gevangenis, de positieve ontwikkeling in het leven van verdachte zal doorkruisen en dat ook de samenleving hierbij niet is gebaat. Verdachte zal echter wel de consequenties van haar handelen moeten ervaren, zodat de rechtbank in de plaats van een onvoorwaardelijke gevangenisstraf, aan verdachte oplegt een taakstraf van maximale duur, te weten 240 uren, met daarnaast – om verdachte ervan te weerhouden zich in de toekomst opnieuw schuldig te maken aan dergelijke feiten – tevens een gevangenisstraf voor de duur van één jaar in voorwaardelijke zin. 9Beslag Tijdens de aanhouding en de doorzoeking in de woning van verdachte en medeverdachte zijn voorwerpen in beslag genomen. Deze zijn alle onder [medeverdachte] in beslag genomen en alleen in zijn zaak is een beslaglijst opgemaakt. Gelet hierop wordt het beslag en de beslissingen hierover, behandeld in het vonnis van [medeverdachte] . 10Toepasselijke wettelijke voorschriften De op te leggen straffen zijn gegrond op de artikelen 9, 14a, 14b, 14c, 22c, 22d, 47, 57, 420bis en 420ter van het Wetboek van Strafrecht. 11Beslissing De rechtbank komt op grond van het voorgaande tot de volgende beslissing. Verklaart bewezen dat verdachte het ten laste gelegde heeft begaan zoals hiervoor in rubriek 5 is vermeld. Verklaart niet bewezen wat aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor is bewezen verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij. Het bewezen verklaarde levert op: ten aanzien van feit 1 medeplegen van gewoontewitwassen ten aanzien van feit 2 medeplegen van witwassen Verklaart het bewezene strafbaar. Verklaart verdachte, [verdachte], daarvoor strafbaar. Veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf van 1 (één) jaar. Bepaalt dat deze straf niet ten uitvoer gelegd zal worden, tenzij later anders wordt bevolen. Stelt daarbij een proeftijd van 2 (twee) jaren vast. De tenuitvoerlegging kan worden bevolen als de veroordeelde zich voor het einde van de proeftijd schuldig maakt aan een strafbaar feit. Veroordeelt verdachte tot een taakstraf van 240 uren, met bevel, voor het geval dat de verdachte de taakstraf niet naar behoren heeft verricht, dat vervangende hechtenis zal worden toegepast van 120 dagen, met bevel dat de tijd die door verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van deze straf geheel in mindering zal worden gebracht naar de maatstaf van 2 uren per dag. Heft op het bevel tot voorlopige hechtenis. Dit vonnis is gewezen door mr. A.H.E. van der Pol, voorzitter, mrs. M. Wiewel en H.H.J. Zevenhuijzen, rechters, in tegenwoordigheid van mr. J.A. Baaijens, griffier, en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank van 22 oktober 2024. […] […] […] […] zij op 28 november 2023 te [plaatsnaam] , althans in Nederland, tezamen en in vereniging met […] […] […] […] […] Proces-verbaal Sky-ID [Sky-ID 2] en [Sky-ID 1] in gebruik bij [medeverdachte] (AD 5.1, p. 009-020). Politieverhoor medeverdachte [medeverdachte] d.d. 7 mei 2024, PD01, p. 35-51. Politieverhoor medeverdachte [medeverdachte] d.d. 7 mei 2024, PD01, p. 35-51. Politieverhoor medeverdachte [medeverdachte] d.d. 7 mei 2024, PD01, p. 35-51. Politieverhoor van verdachte d.d. 22 mei 2024, PD02, p. 38-44 en verklaring verdachte ter terechtzitting 24 september 2024, zoals neergelegd in het proces-verbaal van die zitting. ZD01, p. 74 en ZD02, p. 59. Politieverhoor van verdachte d.d. 22 mei 2024, PD02 p. 38-44. Verklaring verdachte ter terechtzitting 24 september 2024, zoals neergelegd in het proces-verbaal van die zitting. ZD01, p. 32-34 en ZD02 p. 19-22. ZD01, p. 34-36 en ZD02 p. 19-22. ZD02, p. 110. Proces-verbaal eerste onderzoek Iphone [verdachte] , ZD02 p. 110-114. Verklaring verdachte ter terechtzitting 24 september 2024, zoals neergelegd in het proces-verbaal van die zitting. ZD01, p. 103-105. ZD01, p. 103. ZD01, p 104. ZD01, p 104. Verklaring verdachte ter terechtzitting 24 september 2024, zoals neergelegd in het proces-verbaal van die zitting. ZD01, p. 125-126 en ZD02 p. 63. Verklaring verdachte ter terechtzitting 24 september 2024, zoals neergelegd in het proces-verbaal van die zitting. ZD01, p. 44-52. ZD01, p. 44-52. ZD01, p. 49 en ZD02 p. 65. Politieverhoor van verdachte d.d. 22 mei 2024, PD02, p. 38-44. Verklaring verdachte ter terechtzitting 24 september 2024, zoals neergelegd in het proces-verbaal van die zitting. Politieverhoor van verdachte d.d. 22 mei 2024, PD02, p. 38-44 . Verklaring verdachte ter terechtzitting 24 september 2024, zoals neergelegd in het proces-verbaal van die zitting. Politieverhoor medeverdachte [medeverdachte] d.d. 7 mei 2024, PD01, p. 35-51 Politieverhoor medeverdachte [medeverdachte] d.d. 7 mei 2024, PD01, p. 35-51. Politieverhoor van verdachte d.d. 22 mei 2024, PD02 p. 38-44 . ZD01, p. 75. ZD01, p. 74. ZD02, p. 110-114. ZD01, p. 38-39. Verklaring verdachte ter terechtzitting 24 september 2024, zoals neergelegd in het proces-verbaal van die zitting. Proces-verbaal van doorzoeking ter inbeslagname ZD02, p. 107-109 en KVI beslagdossier p. 111. Proces-verbaal van doorzoeking ter inbeslagname ZD02, p. 107-109 en KVI beslagdossier p. 52. Beslagoverzicht met waardebepaling, ongenummerd. Proces-verbaal van doorzoeking ter inbeslagname ZD02, p. 107-109 en KVI beslagdossier p. 87. Beslagoverzicht met waardebepaling, ongenummerd. Proces-verbaal van doorzoeking ter inbeslagname ZD02, p. 107-109 en KVI’s beslagdossier p. 9-43 en 79-84. Proces-verbaal van doorzoeking ter inbeslagname ZD02, p. 107-109 en KVI’s beslagdossier p. 45-51. Proces-verbaal van doorzoeking ter inbeslagname ZD02, p. 107-109 en KVI’s beslagdossier p. 6-8 (3 tassen) + proces-verbaal KVI met documentcode 18813964 (21 tassen) (betreft los pv dat niet in het beslagdossier zit). Proces-verbaal van doorzoeking ter inbeslagname ZD02, p. 107-109 en KVI’s beslagdossier p. 91-98. Verklaringen van verdachte ter terechtzitting 24 september 2024, zoals neergelegd in het proces-verbaal van die zitting en politieverhoor medeverdachte [medeverdachte] d.d. 7 mei 2024, PD01, p. 35-51. Beslagoverzicht met waardebepaling, ongenummerd. Verklaring verdachte ter terechtzitting 24 september 2024, zoals neergelegd in het proces-verbaal van die zitting. Proces-verbaal contante aankopen Louis Vuitton d.d. 18 september 2024 (niet doorgenummerd). Proces-verbaal iCOV rapportage ZD02, p. 78-87. Beslagoverzicht met waardebepaling, ongenummerd. Witwasbrief verdachte d.d. 2 januari 2024, ZD01, p. 178-179 en ZD02 p. 135-136. Verklaring verdachte ter terechtzitting 24 september 2024, zoals neergelegd in het proces-verbaal van die zitting. O.a. ZD03, p. 48-321, 330-463 en 476-508. Politieverhoor medeverdachte [medeverdachte] d.d. 7 mei 2024, PD01, p. 35-51. Politieverhoor van verdachte d.d. 22 mei 2024, PD02, p. 38-44 en verklaring verdachte ter terechtzitting 24 september 2024, zoals neergelegd in het proces-verbaal van die zitting. Politieverhoor van verdachte d.d. 22 mei 2024, PD02, p. 38-44 en verklaring verdachte ter terechtzitting 24 september 2024, zoals neergelegd in het proces-verbaal van die zitting.