vonnis RECHTBANK AMSTERDAM Afdeling Publiekrecht Teams Strafrecht Parketnummer: 13.274238.23 Datum uitspraak: 20 september 2024 Verkort vonnis van de rechtbank Amsterdam, meervoudige strafkamer, in de zaak tegen [verdachte] , geboren te [geboorteplaats ] ( [geboorteland] ) in 1938, wonende op het adres [adres] , thans gedetineerd te [detentieadres] . 1Het onderzoek ter terechtzitting Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van 6 september
- De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie, mr. T.M. van Wanrooij, en van wat verdachte en zijn raadslieden, mrs. J. Zaim en C. Haddouzi, alsmede mr. A. van Kernebeek, raadsman van de benadeelde partij, naar voren hebben gebracht. 2Tenlastelegging Aan verdachte is – kort samengevat – tenlastegelegd dat hij zich op 17 oktober 2023 schuldig heeft gemaakt aan poging tot moord dan wel poging tot doodslag. Subsidiair is tenlastegelegd dat hij met voorbedachten rade zijn echtgenote zwaar lichamelijk letsel heeft toegebracht. Meer subsidiair is dit tenlastegelegd als een poging daartoe. De volledige tenlastelegging is opgenomen in een bijlage die aan dit vonnis is gehecht en geldt als hier ingevoegd. 3Waardering van het bewijs 3.
- Het standpunt van de officier van justitie De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat bewezen kan worden verklaard dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan een poging tot moord door aangeefster met een mes in haar buik te steken. Aangeefster zou de eer van verdachte hebben aangetast door enige tijd eerder, toen zij met verdachte in [land] verbleef, alleen en zonder dat hij dat wist vanuit [land] naar Nederland terug te reizen. Verdachte wilde daarom, eenmaal terug in Nederland, wraak nemen en is op 17 oktober 2023 met een mes uit zijn woning naar de woning van zijn zoon gegaan, alwaar aangeefster op dat moment al enige tijd verbleef. Dat verdachte binnen het gezin dominant en gewelddadig richting zijn gezinsleden was en dat sprake was van relatieproblemen tussen aangeefster en verdachte, wordt ondersteund door de verklaringen van hun kinderen. Uit de geschetste voorgeschiedenis, alsmede uit de rustige manier waarop verdachte op bezoek kwam en de manier waarop hij uiteindelijk aangeefster heeft benaderd in de keuken en heeft gestoken – kalm en zonder enige twijfel – kan worden afgeleid dat sprake is geweest van een vooropgezet plan om aangeefster met het mes te doden en aldus dat verdachte met voorbedachten rade heeft gehandeld. 3.
- Het standpunt van de verdediging De verdediging heeft bepleit dat verdachte integraal moet worden vrijgesproken. Verdachte heeft niet geprobeerd om aangeefster om het leven te brengen en heeft geen mes uit zijn woning meegenomen. Hij heeft aangeefster inderdaad met een mes gestoken, maar dit was omdat hij handelde uit zelfverdediging toen aangeefster hem uit het niets bij zijn kruis greep en heel hard zijn ballen samenkneep. Hij heeft toen in reactie daarop ter plaatse een mes gepakt en aangeefster daarmee gestoken. Dat verdachte tegenover zijn gezinsleden een gewelddadige man zou zijn en dat hij en aangeefster relatieproblemen zouden hebben, wordt niet door objectieve bewijsmiddelen ondersteund. 3.
- Het oordeel van de rechtbank De rechtbank is van oordeel dat bewezen kan worden geacht dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan poging tot moord. De rechtbank grondt haar beslissing op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat. Indien tegen dit verkort vonnis hoger beroep wordt ingesteld, worden de door de rechtbank gebruikte bewijsmiddelen die redengevend zijn voor de bewezenverklaring opgenomen in een aanvulling op het verkorte vonnis. Deze aanvulling wordt dan aan het verkorte vonnis gehecht. In het navolgende zal de rechtbank uiteenzetten hoe zij aan de hand van die bewijsmiddelen tot een bewezenverklaring van de tenlastegelegde poging tot moord komt. Op 17 oktober 2023 is aangeefster met een mes in haar bovenbuik gestoken. Zij verbleef toen in de woning van haar zoon [persoon 1] . Verdachte heeft bekend dat hij degene is geweest die aangeefster heeft gestoken. Had verdachte opzet op de dood van aangeefster? De rechtbank ziet zich allereerst voor de vraag gesteld of verdachte met de betreffende messteek opzet heeft gehad op de dood van aangeefster. De rechtbank overweegt in dit kader het volgende. In het letselrapport heeft de forensisch arts genoteerd dat aangeefster met spoed is geopereerd. Tijdens de operatie zijn op twee plaatsen scheurwonden van het middelste gedeelte van de dikke darm aangetroffen, waarna een deel van de dikke darm is verwijderd en de uiteinden aan elkaar zijn gehecht. Na de operatie heeft aangeefster een bloedtransfusie ondergaan, omdat zij bij het steekincident en tijdens de operatie veel bloed had verloren. Verdachte heeft aangeefster één keer gestoken met een mes. De politie heeft (de onderdelen van) het mes in de woning van zoon [persoon 1] aangetroffen en heeft beschreven dat het snijvlak van het mes naar schatting ongeveer 20 tot 25 centimeter lang was. De foto’s die van het mes zijn gemaakt, laten zien dat aan beide zijden van het lemmet op ongeveer 8 à 9 centimeter, gerekend vanaf de punt van het lemmet, bloedvlekken zaten. [persoon 1] heeft verklaard dat verdachte alleen het heft in zijn hand had toen hij zijn vader en moeder in de keuken aantrof. Het lemmet is door verbalisanten onder de bank aangetroffen. Gelet op de aard en de ernst van het letsel alsmede op het gegeven dat het mes, gezien het waargenomen bloed op het lemmet, tot 8 à 9 cm diep in de buik moet zijn geweest en vervolgens in twee stukken is gebroken, kan naar het oordeel van de rechtbank worden vastgesteld dat verdachte met een groot mes met heel veel kracht in de buik van aangeefster heeft gestoken. Het is een feit van algemene bekendheid dat zich in de buik van een persoon vitale organen bevinden. Het gericht en met grote kracht steken van een mes in andermans buik is naar de uiterlijke verschijningsvorm zo gericht op het doden van die persoon, dat het niet anders kan dan dat verdachte de intentie had om zijn toenmalige vrouw te doden. Van contra-indicaties, waaruit zou blijken dat verdachte de dood van aangeefster niet heeft gewild, is niet gebleken. De rechtbank gaat dan ook uit van vol opzet bij verdachte op de dood van aangeefster. Dat de dood uiteindelijk niet is ingetreden, is niet te wijten aan verdachte, maar enerzijds aan het optreden van zoon [persoon 1] , die ertussen sprong en gelijk de politie belde, en anderzijds aan het medische handelen dat op de messteek is gevolgd. Heeft verdachte gehandeld met voorbedachte rade? De rechtbank ziet zich vervolgens voor de vraag gesteld of verdachte heeft gehandeld met voorbedachten rade. Voor een bewezenverklaring van het bestanddeel ‘voorbedachte rade’ moet komen vast te staan, dat de verdachte zich gedurende enige tijd heeft kunnen beraden op het te nemen of het genomen besluit en dat hij niet heeft gehandeld in een ogenblikkelijke gemoedsopwelling, zodat hij de gelegenheid heeft gehad na te denken over de betekenis en de gevolgen van zijn voorgenomen daad en zich daarvan rekenschap te geven. Aangeefster heeft verklaard dat verdachte in mei 2023 naar hun tweede woning in [land] is gegaan en dat zij hem in augustus is nagereisd. Het doel was om samen een nieuw leven op te bouwen in [land] . Maar omdat het slachtoffer de eieren in een verkeerde pan bakte, heeft verdachte haar met de vlakke hand en met zijn vuist een aantal keer geslagen. Aangeefster is toen voor haar man gevlucht en met behulp van haar zonen is ze drie dagen later naar Nederland gevlogen. Aangeefster heeft verder verklaard dat verdachte in [land] tegen de buren heeft gezegd dat hij haar zou gaan vermoorden. Zij denkt dat zij de eer van verdachte heeft geschaad door zonder hem uit [land] te vertrekken. De verklaring van aangeefster wordt ondersteund door de verklaring van haar zoon, [persoon 2] , inhoudende dat hij zijn moeder totaal overstuur aantrof toen ze uit [land] in Nederland aankwam en dat ook hij het gevoel heeft dat verdachte zich in zijn eer aangetast voelt. Dat sprake was van relatieproblemen tussen verdachte en aangeefster, zoals aangeefster heeft verklaard, wordt voorts ondersteund door de verklaringen van andere kinderen van aangeefster en verdachte. Ook hebben zij verklaard dat verdachte vaker gewelddadig is geweest naar hun moeder en andere leden van het gezin. Zo heeft [persoon 1] verklaard dat zijn vader zijn moeder in [land] heeft geslagen, waarna zijn moeder alleen naar Nederland is gekomen. Ze hebben met de familie geprobeerd de problemen op te lossen en te bemiddelen. Hij heeft een tijdje bij zijn ouders verbleven. Daarna is hij naar zijn eigen huis teruggegaan en is zijn moeder met hem meegegaan. [persoon 3] (dochter van verdachte en aangeefster) heeft verklaard dat zij al 25 jaar geen contact met haar ouders heeft vanwege het geweld dat tijdens haar jeugd plaatsvond. Verdachte heeft haar, haar moeder en de andere kinderen regelmatig mishandeld. Om het minste of geringste werden ze door verdachte in elkaar geslagen. Een andere dochter, [persoon 4] , heeft verklaard dat verdachte alle andere gezinsleden fysiek heeft mishandeld. Op een dag werd haar vader zo kwaad dat hij haar moeder een schop heeft gegeven, haar zusje op haar neus heeft geslagen en haar een kopstoot heeft gegeven. De verklaring van aangeefster over relatieproblemen wordt verder ondersteund door de eigen verklaring van verdachte. Hij heeft immers ter terechtzitting verklaard dat hij moeite moest doen om erachter te komen waar aangeefster verbleef toen ze in [land] zonder zijn weten plotseling was weggegaan, hetgeen niet strookt met zijn verklaring dat er tussen hem en aangeefster geen problemen waren. Daar komt bij dat verbalisanten hebben gezien dat in de woning van [persoon 1] verschillende goederen van aangeefster stonden en dat zij daardoor de indruk kregen dat aangeefster langere tijd in de woning verbleef. Over 17 oktober 2023 – de dag dat aangeefster door verdachte is neergestoken – heeft aangeefster verklaard dat zij in de woning van haar zoon [persoon 1] was, omdat ze voorlopig bij hem was ingetrokken. [persoon 1] was die ochtend weg toen haar man voor de deur stond. Ze kon de deur niet openen, omdat [persoon 1] , die was gaan sporten, de deur op slot had gedraaid en zij geen sleutel had. Verdachte heeft toen gewacht tot [persoon 1] terugkwam. Toen [persoon 1] terug kwam van het sporten, heeft hij verdachte binnengelaten. Aangeefster is vervolgens samen met [persoon 1] Marokkaanse pannenkoeken gaan bakken, terwijl verdachte op de bank ging zitten. Verdachte zei niets. Toen [persoon 1] na 1,5 uur ging douchen vroeg verdachte aan aangeefster waar [persoon 1] was en liep hij richting de douche. Even later keerde hij terug in de woonkamer. Al die tijd had hij zijn jas aangehouden. Hij hield zijn lichaam krampachtig vast met zijn handen in de zakken van zijn jas. Verdachte liep vervolgens naar aangeefster, die in de keuken stond, en ging naast haar staan. Hij draaide zich toen om en ging een beetje door zijn knieën. Toen heeft hij aangeefster van onderaf in haar buik gestoken. Het kwam totaal onverwacht, aldus aangeefster. [persoon 1] heeft verklaard dat hij zijn moeder hoorde gillen toen hij aan het douchen was. [persoon 1] rende naar de keuken en zag dat zijn vader met een mes in zijn hand bij zijn moeder stond. Hij heeft toen zijn vader van achteren vastgepakt en hem van zijn moeder afgetrokken. Er ontstond toen een worsteling tussen [persoon 1] en zijn vader. Toen [persoon 1] zijn vader in bedwang had, heeft hij de politie gebeld. Zowel aangeefster als [persoon 1] hebben verklaard dat het mes niet uit de woning van [persoon 1] komt. De politie heeft in de woning van [persoon 1] ook geen messen aangetroffen die gelijkend waren aan (de delen van) het mes waarmee verdachte aangeefster heeft gestoken. Bij een doorzoeking van de woning van verdachte, zijn in zijn woning daarentegen in de keukenla twee messen aangetroffen die qua vorm, kleur en materiaal van het heft gelijkenissen vertonen met het mes waarmee aangeefster gestoken is en die uit één en dezelfde messenset afkomstig lijken te zijn. Opgevallen was namelijk dat de messen (zowel die uit de keukenlade van verdachte als het mes van het steekincident) duidelijk slijtage vertonen en kennelijk al lange tijd in gebruik zijn en dat de messen op dezelfde plek van het lemmet een opdruk hebben, waarop nog deels de tekst 'gemuse messer' zichtbaar is. De rechtbank is van oordeel dat op grond van het voorgaande kan worden vastgesteld dat verdachte doelbewust heeft geprobeerd om aangeefster om het leven te brengen en dat hij daartoe een mes vanuit zijn woning heeft meegenomen. Verdachte is met dat plan naar de woning van [persoon 1] gegaan. Hij heeft rustig op [persoon 1] gewacht om de woning in te kunnen gaan. Na ongeveer 1,5 uur is [persoon 1] gaan douchen. Verdachte heeft al die tijd zijn jas aangehouden en zo het mes uit het zicht te kunnen houden. Toen [persoon 1] ging douchen en verdachte zich ervan had vergewist dat hij daadwerkelijk in de badkamer was, is hij naar aangeefster in de keuken gegaan en heeft hij haar met het mes gestoken. Verdachte heeft vanaf het moment dat hij bij de woning van [persoon 1] was een kalme indruk bij aangeefster en [persoon 1] gewekt. Verdachte heeft bovendien voldoende tijd gehad om na te denken over de gevolgen van zijn plan om aangeefster om het leven te brengen. Verdachte heeft dan ook gehandeld met voorbedachte rade. Alternatief scenario? Verdachte heeft ontkend dat hij aangeefster om het leven wilde brengen. Hij heeft verklaard dat hij met aangeefster in de keuken stond en dat hij toen uit het niets door aangeefster hard in zijn kruis werd gegrepen. Aangeefster zou daarbij zijn ballen zo hard hebben samengeknepen dat het verdachte zwart voor zijn ogen werd. Omdat aangeefster niet los liet en verdachte zoveel pijn had, heeft hij een mes gepakt dat toevallig op het aanrecht lag en aangeefster gestoken. Volgens verdachte hadden aangeefster en hij geen relatieproblemen en was er geen aanleiding voor aangeefster om verdachte in zijn testikels te knijpen. Verdachte heeft geen idee waarom aangeefster hem aanviel. Het dossier bevat geen aanknopingspunten die de verklaring van verdachte ondersteunen, terwijl de verklaring van aangeefster op hoofdlijnen wel degelijk door andere (objectieve) bewijsmiddelen wordt ondersteund. Gewezen wordt in dit verband op de verklaringen van de kinderen over de aanloop naar en het motief van verdachte voor de messteek, de verklaring van zoon [persoon 1] dat aangeefster al enige tijd bij hem was ingetrokken, de waarneming van de politie (spullen van aangeefster in de woning van [persoon 1] ) dat dit klopt en op het door verdachte uit zijn eigen woning meegebrachte mes. Bovendien is het ongeloofwaardig dat aangeefster zonder enige aanleiding in het kruis van verdachte zou hebben geknepen. Volgens de verklaring van verdachte was er op dat moment immers geen vuiltje aan de lucht. Verdachte heeft op zitting overigens tevens verklaard dat hij bang is voor aangeefster, maar ook dat vindt de rechtbank ongeloofwaardig als er tussen aangeefster en hem – naar zijn eigen zeggen – nooit iets aan de hand was en zij altijd gelukkig met elkaar waren. Daar komt bij dat verdachte wisselende verklaringen heeft afgelegd over wat er precies zou zijn gebeurd op het moment dat aangeefster hem in zijn kruis zou hebben gegrepen. Enerzijds heeft hij verklaard dat het zwart voor zijn ogen werd en dat hij zich daardoor niet meer kan herinneren dat hij een mes heeft gepakt en heeft gestoken. Anderzijds heeft hij verklaard dat hij naar de grond viel en toen een mes van het aanrecht heeft gepakt, maar hoe hem dat (vanaf de grond) is gelukt, heeft hij niet duidelijk kunnen maken. . Dat hij naar de grond zou zijn gevallen op het moment dat aangeefster hem bij zijn ballen zou hebben gegrepen strookt bovendien niet met de verklaring van [persoon 1] dat hij zag dat zijn vader bij zijn moeder stond, zijn vader vervolgens van achteren heeft vastgepakt en van zijn moeder heeft afgetrokken. In zijn verhoor bij de politie heeft hij overigens evenmin, ook niet nadat hem een plattegrond werd verschaft, duidelijk kunnen maken waar het mes dat hij zou hebben gepakt, nu precies zou hebben gelegen. Gelet op al het voorgaande acht de rechtbank de verklaring van verdachte en het door de verdediging geschetste alternatieve scenario volstrekt niet aannemelijk geworden. Conclusie Alles afwegende, kan naar het oordeel van de rechtbank bewezen worden geacht dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan de primair tenlastegelegde poging tot moord. 4Bewezenverklaring De rechtbank acht bewezen dat verdachte op 17 oktober 2023 te [plaats] , ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om [slachtoffer] opzettelijk en met voorbedachten rade van het leven te beroven, eenmaal met een mes in de buikstreek heeft gestoken, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid. 5De strafbaarheid van het feit en van verdachte Zoals reeds onder paragraaf
- is overwogen, wordt bewezen geacht dat verdachte heeft geprobeerd om aangeefster van het leven te beroven en dat hij dat heeft gedaan met voorbedachte rade. In dat verband is eveneens ingegaan op de door verdachte aangevoerde aanleiding voor zijn handelen. Het verweer van de verdediging dat verdachte heeft gehandeld uit zelfverdediging, behoeft daarom geen verdere bespreking. Het beroep op noodweer(exces) wordt verworpen. De bewezen geachte feiten zijn volgens de wet strafbaar. Het bestaan van een rechtvaardigingsgrond is niet aannemelijk geworden. Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit. Verdachte is dan ook strafbaar. 6Motivering van de straf en maatregel 6.
- De eis van de officier van justitie De officier van justitie heeft gevorderd dat aan verdachte voor het door hem bewezen geachte primaire feit zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf van twaalf jaar, met aftrek van voorarrest, en dat aan verdachte een gedragsbeïnvloedende en vrijheidsbeperkende maatregel (hierna: GVM-maatregel) als bedoeld in artikel 38z van het Wetboek van Strafrecht (Sr) wordt opgelegd. 6.
- Het standpunt van de verdediging De verdediging heeft verzocht om bij het bepalen van de op te leggen straf rekening te houden met de persoonlijke omstandigheden van verdachte. Verdachte is een hoogbejaarde man van 86 jaar oud en heeft onder meer een hartziekte, suikerziekte, een verhoogd cholesterol en pijn aan zijn lippen, nek en heup. Verdachte wenst zijn laatste dagen in vrijheid door te brengen. Ook dreigt hij zijn woning kwijt te raken. De verdediging heeft verzocht om te volstaan met een onvoorwaardelijke gevangenisstraf overeenkomstig de duur van het voorarrest en een voorwaardelijke gevangenisstraf van zes maanden, als stok achter de deur. 6.
- Het oordeel van de rechtbank De hierna te noemen strafoplegging is in overeenstemming met de ernst van het bewezen geachte, de omstandigheden waaronder dit is begaan en de persoon van verdachte, zoals daarvan ter terechtzitting is gebleken. De rechtbank heeft bij de keuze tot het opleggen van een vrijheidsbenemende straf en bij de vaststelling van de duur daarvan in het bijzonder het volgende laten meewegen. Verdachte heeft het slachtoffer, zijn toenmalige echtgenote, in de woning van hun zoon met een mes neergestoken. Het slachtoffer had bij haar zoon onderdak gezocht, omdat ze niet thuis kon blijven; ze was bang dat haar man haar iets aan zou doen. Verdachte is vervolgens naar de woning waar zij verbleef, gegaan en deed voorkomen alsof hij geen kwaad in de zin had. Verdachte had op dat moment echter een mes bij zich dat hij vanuit zijn woning had meegenomen. Verdachte heeft het juiste moment afgewacht – namelijk toen hun zoon ging douchen – en heeft het slachtoffer toen met het mes in haar buik gestoken. De zoon van verdachte heeft verdachte van zijn moeder moeten aftrekken. Het slachtoffer heeft levensbedreigend letsel opgelopen en moest geopereerd worden: een deel van haar darm (10 cm) moest worden verwijderd en de uiteinden zijn weer aan elkaar gehecht. Het motief van verdachte was eerwraak. Verdachte heeft met zijn handelen aangetoond zijn eer belangrijker te vinden dan het leven van zijn vrouw. Niet alleen voor het slachtoffer, maar ook voor de in de woning aanwezige zoon en de andere kinderen uit het gezin moet dit een zeer traumatische gebeurtenis zijn geweest, die voor de rest van hun leven diepe sporen zal achterlaten in de familie. De rechtbank weegt ook mee dat deze poging tot femicide in de samenleving gevoelens van grote onveiligheid teweegbrengt. De rechtbank heeft acht geslagen op een Pro Justitia rapport van 19 april 2024, opgemaakt door C.A.M. van der Meijs, psychiater, en [naam], arts in opleiding tot specialist (psychiatrie). Daarin is het volgende gerapporteerd. Differentiaal diagnostisch wordt gedacht aan antisociale persoonlijkheidskenmerken, maar een antisociale persoonlijkheidsstoornis kan niet als diagnose worden gesteld. De vermoedelijke antisociale persoonlijkheidskenmerken waren actueel ten tijde van het tenlastegelegde. Hoewel antisociale persoonlijkheidskenmerken mogelijk aanwezig waren heeft verdachte in aanloop naar het tenlastegelegde alle tijd gehad om zich te hernemen. Van overmanning door emotie, die bij persoonlijkheidsproblematiek iemand verminderd in staat zou kunnen stellen beheersing toe te passen, was in dit geval geen sprake, omdat dergelijke overmanning acuut in het moment en van korte duur is. Ten aanzien van het tenlastegelegde was er sprake van een aanloop van minstens uren waarin voorbereidingen zijn getroffen en aanstalten zijn gemaakt. Het tenlastegelegde kan verdachte volledig worden toegerekend. Het risico op recidief wordt als verhoogd gezien, gelet op de vermoedelijk aanhoudende wraakgevoelens die verdachte richting zijn vrouw koestert. Vanwege de ervaren krenking en de externaliserende coping zijn deze er vermoedelijk nog steeds. Gezichtsverlies is bij verdachte extra gevoelig omdat hij zich volgens zijn kinderen in [land] presenteert als een welvarend en succesvol man, waaraan hij een groot deel van zijn zelfgevoel lijkt te ontlenen. Verdachte toont geen enkel probleembesef ten aanzien van de door zijn familie gemelde agressieregulatie problemen. Vanwege de taalbarrière en de hoge leeftijd van verdachte wordt een eventuele behandeling moeilijk uitvoerbaar. Onderzoekers adviseren vooral maatregelen om de veiligheid van zijn vrouw te waarborgen. Geadviseerd wordt een contact- en gebiedsverbod van verdachte met zijn (ex-)vrouw. Dit zou kunnen worden vormgegeven met GVM- maatregel. Verdachte is ook onderzocht door een forensisch neuropsycholoog, drs. G.J.W. Pol. In het Pro Justitie rapport van 15 april 2024 heeft de forensisch neuropsycholoog het volgende gerapporteerd. Er zijn uit het neuropsychologisch onderzoek aanwijzingen naar voren gekomen dat verdachte tijdens het testen de neiging heeft gehad om onder zijn feitelijke kunnen te presteren en aldus cognitieve klachten te simuleren of aan te dikken. Of verdachte daadwerkelijk cognitieve klachten simuleert, in welk geval er bij hem geen sprake zou zijn van cognitieve stoornissen, of dat hij cognitieve klachten aandikt, in welk geval er bij hem wel sprake zou kunnen zijn van cognitieve problemen die hij dan vervolgens extra aanzet, is niet nader te objectiveren. Mocht bij hem daadwerkelijk sprake zijn van cognitieve problemen, zijn deze (afgaande op het geheel aan beschikbare informatie) niet van ernstig beperkende aard. Van een dementieel functioneren kan sowieso niet worden gesproken. De rechtbank neemt de conclusies en adviezen van de deskundigen over en maakt deze tot de hare. Het bewezenverklaarde feit zal volledig aan verdachte worden toegerekend. De reclassering heeft in haar rapport van 12 juni 2024 gerapporteerd dat zij geen mogelijkheden ziet om met interventies of toezicht de risico’s te beperken of het gedrag van verdachte te veranderen. Verdachte heeft mogelijk begeleiding nodig bij het organiseren van praktische zaken voor de periode na zijn detentie, onder andere gericht op huisvesting. Dit kan plaats vinden in het kader van detentiefasering. Van belang is dat er wordt ingezet op bescherming van het slachtoffer. Ten behoeve van een eventueel VI-kader kan er onder andere onderzoek gedaan worden naar de wenselijkheid en mogelijkheid van elektronische monitoring. Mocht verdachte geen dan wel onvoldoende medewerking verlenen aan een VI-traject, dan kan er middels een GVM-maatregel ingezet worden op bescherming van het slachtoffer en gedragsverandering. De reclassering acht deze maatregel noodzakelijk om verdachte nog te blijven ondersteunen in de vorm van een langdurig reclasseringstoezicht na de gevangenisstraf en zijn mogelijke voorlopige invrijheidsstelling. Het is van belang om aan het einde van zijn gevangenisstraf en eventuele VI-periode opnieuw te onderzoeken wat er ingezet kan worden ten aanzien van mogelijke bescherming van het slachtoffer en de eventuele noodzaak voor verdere begeleiding van verdachte, aldus de reclassering. Onvoorwaardelijke gevangenisstraf Bij het bepalen van de op te leggen straf houdt de rechtbank er in strafverzwarende zin rekening mee dat sprake is van huiselijk geweld en eerwraak en dat de poging om aangeefster in dat kader om het leven te brengen is gedaan in aanwezigheid van hun zoon. Zoals ook op de zitting is gebleken heeft verdachte nog steeds geen probleembesef en voelt hij zichzelf een slachtoffer. Uit de voornoemde rapporten van psycholoog en psychiater blijkt dat hij wraakgevoelens naar het slachtoffer toe heeft. Verdachte heeft op geen enkele manier berouw getoond of zorgen of interesse geuit over de toestand van het slachtoffer. Er is bij verdachte geen stoornis geconstateerd. Er is dan ook geen behandelplan of een mogelijkheid om door middel van bijzondere voorwaarden het hoge recidiverisico in te perken. Verdachte is weliswaar een man op leeftijd, namelijk 86 jaar, maar leeftijd kan en mag geen vrijbrief zijn om dit soort zeer ernstige delicten te plegen zonder daar ernstige consequenties van te ervaren. Een zeer forse onvoorwaardelijke gevangenisstraf is daarom naar het oordeel van de rechtbank de enige passende straf. Wel zal de rechtbank in strafverminderende zin rekening houden met de medische gezondheid van verdachte en dat de bewezenverklaring een poging betreft, geen voltooid delict. Alles afwegende, is de rechtbank van oordeel dat – overeenkomstig de eis van de officier van justitie – de oplegging van een onvoorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van twaalf jaar, met aftrek van voorarrest, passend en geboden is. GVM-maatregel De rechtbank acht het voorts van belang dat het slachtoffer beschermd zal worden tegen verdachte, zolang als dat nodig is. Aan de voorwaarden voor het opleggen van een GVM-maatregel is voldaan, nu verdachte wordt veroordeeld tot een gevangenisstraf wegens een misdrijf dat gericht is tegen of gevaar veroorzaakt voor de onaantastbaarheid van het lichaam van een of meer personen en waarop naar de wettelijke omschrijving een gevangenisstraf van vier jaren of meer is gesteld. Met de oplegging van een GVM-maatregel kan de rechtbank – nadat verdachte zijn gevangenisstraf heeft uitgezeten, op vordering van de officier van justitie en na beoordeling van de op dat moment actuele situatie – de tenuitvoerlegging van de GVM-maatregel bevelen. Op die manier kan na de gevangenisstraf – indien aangewezen – zicht worden gehouden op verdachte en kunnen voorwaarden worden opgesteld waaraan hij zich dient te houden. Contact- en gebiedsverboden De rechtbank ziet daarnaast aanleiding om een maatregel als bedoeld in artikel 38v Sr op te leggen, inhoudende een contactverbod ten aanzien van het slachtoffer [slachtoffer] op te leggen. Verdachte zal worden verboden om direct of indirect contact met het slachtoffer op te nemen. De rechtbank is van oordeel dat dit verbod noodzakelijk is ter voorkoming van strafbare feiten en ter bescherming van het slachtoffer. Deze maatregel zal worden opgelegd voor de duur van vijf jaar. De rechtbank beveelt daarbij dat na te noemen vervangende hechtenis zal worden toegepast voor iedere keer dat niet aan de maatregel wordt voldaan, gemaximeerd tot zes maanden. De rechtbank begrijpt daarnaast de verzoeken van de kinderen van het slachtoffer om ook ten aanzien van hen een contact- en gebiedsverbod op te leggen, maar – net als de officier van justitie – ziet de rechtbank de GVM-maatregel als voldoende waarborg om tegemoet te komen aan de verzoeken met betrekking tot ieders veiligheid. 7Ten aanzien van de benadeelde partij en de schadevergoedingsmaatregel De benadeelde partij, [slachtoffer] , thans de ex-vrouw van verdachte, heeft zich in het strafproces gevoegd met een vordering tot schadevergoeding. Gevorderd wordt een bedrag van € 46.380,-, waarvan € 12.380 aan materiële schade en € 34.000,- aan immateriële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel. Materiële schade De materiele schade bestaat uit de volgende posten: kleding € 250,- daggeldvergoeding ziekenhuisopname € 280,- eigen risico zorgverzekering 2024 + 2025 € 770,- verhuiskostenvergoeding € 7.156,- huishoudelijke hulp € 3.924,- De advocaat van de benadeelde partij heeft de rechtbank verzocht de vordering in zijn geheel toe te wijzen, met toekenning van wettelijke rente vanaf 17 oktober
- De officier van justitie heeft ter terechtzitting gevorderd dat de vordering in zijn geheel wordt toegewezen met toekenning van wettelijke rente en oplegging van de schadevergoedingsmaatregel. Mr. C. Haddouzi heeft, als raadsman van de verdachte, ter terechtzitting primair bepleit dat de vordering, gezien de bepleite vrijspraak, dient te worden afgewezen. Subsidiair is bepleit dat de benadeelde partij niet-ontvankelijk in haar vordering dient te worden verklaard, vanwege de complexheid van de vordering; behandeling ervan zou het strafproces onevenredig belasten. Meer subsidiair heeft de verdediging zich gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank voor wat betreft de gevorderde kledingschade (€ 250) en daggeldvergoeding ziekhuisopname (€ 280), maar verweer gevoerd ten aanzien van de overige posten. De rechtbank overweegt als volgt. Kledingschade De rechtbank acht aannemelijk dat de kleding die de benadeelde partij op 17 oktober 2023 droeg ten gevolge van het bewezenverklaarde handelen is beschadigd, want met een mes doorboord en bebloed. Mede gelet hierop en op de aanwezige wond in de buik, acht de rechtbank het aannemelijk dat de benadeelde partij (een aantal) kledingstukken heeft moeten vervangen en aanschaffen. De omvang van de gestelde kledingschade is door de verdediging niet betwist. De vordering zal in zoverre worden toegewezen. Daggeldvergoeding ziekenhuisopname De benadeelde partij heeft een vergoeding gevorderd ten bedrage van € 280,-, omdat zij acht dagen in het ziekenhuis opgenomen is geweest. Van de zijde van de benadeelde partij is dit ook met documenten onderbouwd. Blijkens De Letselschade Richtlijn Ziekenhuis-en Revalidatiedaggeldvergoeding bedroeg de daggeldvergoeding voor een opname in het ziekenhuis in 2023 € 35,- per dag. De rechtbank zal het gevorderde bedrag van € 280,- (8 dagen x € 35,-), waartegen geen verweer is gevoerd, toewijzen. Eigen risico zorgverzekering 2024 en 2025 Niet in geschil is dat, hoewel het bewezenverklaarde handelen van verdachte op 17 oktober 2023 heeft plaatsgevonden, in relatie tot het eigen risico van de zorgverzekering in 2023 geen verhaalbare kosten voor de benadeelde zijn ontstaan, omdat haar eigen risico dat jaar reeds was aangesproken in verband met een andere medische behandeling. Over 2023 wordt daarom ook geen vergoeding van het eigen risico gevorderd. Benadeelde stelt dat zij - gelet op het bij haar door het bewezenverklaarde veroorzaakte letsel (waaronder de kans op infecties; ook al heeft dat risico zich nog niet verwezenlijkt) en de aannemelijkheid dat zij in de toekomst nog intensieve psychologische behandelingen zal moeten ondergaan - langdurig, zo niet de rest van haar leven, met medische kosten (dus de kosten van het eigen risico) zal worden geconfronteerd. Vanuit redelijkheidsoverwegingen heeft de benadeelde in deze procedure echter volstaan met een vordering tot vergoeding van het eigen risico over een periode van twee jaar, te weten 2024 en
- De verdediging heeft er - kort samengevat - op gewezen dat de noodzaak tot langdurige behandeling in relatie tot het bewezenverklaarde onvoldoende uit de overgelegde stukken blijkt, terwijl uit het medisch verslag van de huisarts juist wel blijkt dat bij de benadeelde sprake is van een belaste medische voorgeschiedenis met diverse pre-existente klachten. De rechtbank begrijpt het verweer aldus dat niet kan worden vastgesteld dat het eigen risico over 2024 is en zal worden aangesproken in verband met het bewezenverklaarde en dat, als dat wel zou worden aangenomen, in dat geval onduidelijk is of het eigen risico over 2024 en 2025 niet (reeds) in verband met andere medische problematiek is of zal worden aangesproken. Zonder een nadere onderbouwing, die op dit moment ontbreekt, kan, gelet op het gevoerde verweer, niet met voldoende zekerheid worden vastgesteld of de benadeelde partij over 2024 en 2025, het bewezenverklaarde weggedacht, het eigen risico niet ook had aangesproken en/of zal aanspreken. Het toelaten van nadere bewijslevering zou betekenen dat de behandeling van de strafzaak moet worden aangehouden en dit zou een onevenredige belasting van het strafgeding opleveren. De rechtbank zal de benadeelde partij voor dit onderdeel van de vordering daarom niet-ontvankelijk verklaren. De benadeelde partij kan haar vordering in zoverre bij de burgerlijke rechter aanbrengen. Verhuiskosten De benadeelde partij heeft een vergoeding gevorderd voor de kosten die zij heeft gemaakt voor een noodzakelijke verhuizing naar een geheim adres. Conform de wettelijk vastgestelde minimum verhuiskostenvergoeding wordt een bedrag van € 7.156,- gevorderd. De benadeelde heeft niets uit de voormalige echtelijke woning meegenomen, ter voorkoming dat verdachte hierover, in het geval hij op vrije voeten zou komen, contact met haar zou afdwingen. Zij heeft haar nieuwe woning dan ook volledig opnieuw moeten inrichten. De werkelijke kosten zijn dan ook veel hoger dan wordt gevorderd, aldus steeds de benadeelde. De verdediging heeft de vordering betwist. Volgens de verdediging had de vordering volledig en concreter moeten worden onderbouwd en heeft de benadeelde niet voldaan aan haar schadebeperkingsplicht: zij had de gemeente om bijstand voor verhuis- en inrichtingskosten kunnen vragen. De rechtbank overweegt dat de benadeelde, tegenover de gemotiveerde betwisting van de verdediging dat de gevorderde kosten daadwerkelijk zijn gemaakt, onvoldoende heeft onderbouwd dat de kosten tot het gevorderde bedrag zijn gemaakt. De vordering is weliswaar met enkele facturen onderbouwd, maar hierbij valt op dat de onderbouwing ook bestaat uit een factuur op naam van een zoon van de benadeelde. Anders dan door de raadsman van de benadeelde is aangevoerd, worden verhuiskosten niet forfaitair vastgesteld aan de hand van de verhuiskostenvergoeding die is opgenomen in de Regeling minimumbijdrage verhuis- en inrichtingskosten bij renovatie. Dergelijke regelingen kunnen worden gebruikt om de redelijkheid van de gevorderde kosten te toetsen, maar komen niet in de plaats van het vereiste dat de benadeelde partij de vordering, indien betwist, met stukken onderbouwt. Opnieuw geldt dat het toelaten van nadere bewijslevering zou betekenen dat de behandeling van de strafzaak moet worden aangehouden. De benadeelde partij zal daarom voor dit onderdeel niet-ontvankelijk in haar vordering worden verklaard. Zij kan haar vordering in zoverre eveneens bij de burgerlijke rechter aanbrengen. Huishoudelijke hulp De benadeelde heeft kosten voor huishoudelijke hulp gevorderd. Gesteld is dat met name de kinderen van benadeelde na het misdrijf als mantelzorgers hebben opgetreden en huishoudelijke werkzaamheden voor haar hebben verricht en tot op heden nog steeds intensief hulp bieden aan hun moeder. Een van de zoons zou zelfs enige tijd bij zijn moeder zijn ingetrokken, zowel vanwege de praktische noodzaak van zorg en hulp, als vanwege de psychische/emotionele toestand van de benadeelde. De werkelijke situatie vóór het misdrijf (waarin benadeelde zoveel mogelijk teruggebracht dient te worden door de schade veroorzakende partij) betreft een tweepersoonshuishouden, waarin zij 100% van het huishouden verrichtte. Voor een tweepersoonshuishouden geldt op grond van de Letselschade Richtlijn Huishoudelijke Hulp (hierna: de Richtlijn) voor een licht tot matige beperking een te vergoeden normbedrag van € 109,00 per week en € 218,00 bij zware beperkingen. Gezien het letsel en de beperkingen van de benadeelde, is het volgens haar raadsman redelijk om voor de eerste 12 weken na het ontslag uit het ziekenhuis (25 oktober 2023) aan te sluiten bij zware beperking (dus tot 17 januari 2024) en daarna nog 12 weken bij licht tot matige beperking (dus tot 10 april ’24). Gevorderd is aldus een bedrag van € 3.924,
- De verdediging heeft de vordering op vrijwel alle gestelde onderdelen betwist. Volgens de verdediging is maximaal een bedrag van 12 weken x € 109,00 per week toewijsbaar en dient daar 33% van worden afgetrokken, omdat geen sprake zou zijn geweest van een tweepersoonshuishouden: de zoon zou ook bij de benadeelde en de verdachte hebben ingewoond. De rechtbank overweegt dat vaste rechtspraak is dat in geval van letselschade de kosten van huishoudelijke hulp en/of verzorging door de aansprakelijke partij aan de benadeelde moeten worden vergoed, indien de benadeelde niet langer in staat is de desbetreffende werkzaamheden zelf te verrichten, voor zover het gaat om werkzaamheden waarvan het in de situatie waarin de benadeelde verkeert normaal en gebruikelijk is dat zij worden verricht door professionele, voor hun diensten gehonoreerde hulpverleners. Dit is niet anders indien die werkzaamheden in feite worden verricht door personen die daarvoor geen kosten in rekening (kunnen) brengen. De rechtbank acht op basis van het gestelde en het onderliggende dossier, waaronder de verklaringen van de kinderen van de benadeelde en verdachte, voldoende onderbouwd dat sprake was van een tweepersoonshuishouden waarin de benadeelde de meeste werkzaamheden voor haar rekening nam. Voor de eerste 12 weken is overeenkomstig de Richtlijn een bedrag van 12 x € 218,00 = € 2.616,00 gevorderd. De rechtbank is van oordeel dat die schade voldoende en conform de Richtlijn is onderbouwd. Die schade zal dus worden toegewezen. Dit is anders voor de gevorderde kosten voor de huishoudelijke hulp na de eerste 12 weken. Het is de rechtbank onduidelijk hoe deze schade, de Richtlijn in acht genomen, is opgebouwd. Bovendien heeft de verdediging deze schade betwist. Behandeling van de vordering zou daarom nadere bewijslevering vergen, wat naar het oordeel van de rechtbank een onevenredige belasting van het strafgeding zou opleveren. De benadeelde zal daarom ook voor dat deel van haar vordering niet-ontvankelijk worden verklaard. Immateriële schade Vast staat dat aan de benadeelde partij door het bewezenverklaarde rechtstreeks immateriële schade is toegebracht. Op grond van artikel 6:106, eerste lid, aanhef en onder b, van het Burgerlijk Wetboek heeft de benadeelde partij recht op een naar billijkheid vast te stellen vergoeding van de immateriële schade, aangezien de benadeelde partij ten gevolge van het strafbare feit lichamelijk letsel heeft opgelopen, er een ernstige inbreuk is gepleegd op haar persoonlijke levenssfeer en er een ernstige inbreuk is gepleegd op haar lichamelijke integriteit. Door het handelen van verdachte – gemotiveerd door eerwraak – heeft de benadeelde partij zeer ernstig letsel opgelopen, waarvan ze tot op de dag van vandaag fysieke klachten ondervindt. Ook mentaal heeft het handelen van verdachte nog steeds een diepe impact op haar. Ze heeft een groot deel van haar zelfstandigheid verloren en ze leeft continu in angst. Ze zit ondergedoken op een geheim adres en is bang om naar buiten te gaan. Dagelijks heeft zij herbelevingen en ze slaapt slecht. Benadeelde acht zich op dit moment nog onvoldoende in staat om psychische hulp te zoeken. Op grond van de door de benadeelde partij gestelde omstandigheden, begroot de rechtbank de immateriële schadevergoeding naar billijkheid op € 20.000,-. Conclusie Concluderend zal de vordering tot schadevergoeding worden toegewezen tot een totaalbedrag van € 3.146,- aan materiële schade en € 20.000,- aan immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf het moment waarop het strafbare feit is gepleegd. Schadevergoedingsmaatregel De rechtbank zal de hierna te noemen schadevergoedingsmaatregel opleggen, aangezien verdachte jegens het slachtoffer [slachtoffer] , naar burgerlijk recht aansprakelijk is voor de schade die door het bewezen geachte feit is toegebracht. De rechtbank waardeert deze op een bedrag van € 23.146,-, vermeerderd met de wettelijke rente. 8Beslag Onder verdachte zijn de volgende voorwerpen in beslag genomen: een heft (PL1300-2023235719-6410458) en een lemmet (PL1300-2023235719-6410459). De voorwerpen behoren aan verdachte toe. Nu met behulp van die voorwerpen het bewezen geachte is begaan, worden deze voorwerpen verbeurdverklaard. 9Toepasselijke wettelijke voorschriften De op te leggen straf en maatregel zijn gegrond op de artikelen 33, 33a, 36f, 45, 38v, 38z en 289 Sr. 10Beslissing De rechtbank komt op grond van het voorgaande tot de volgende beslissing. Verklaart bewezen dat verdachte het primair impliciet primair tenlastegelegde heeft begaan zoals hiervoor in rubriek
- is vermeld. Verklaart niet bewezen wat aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor is bewezen verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij. Het bewezen verklaarde levert op: poging tot moord. Verklaart het bewezene strafbaar. Verklaart verdachte, [verdachte] , daarvoor strafbaar. Veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf van 12 (twaalf) jaren. Beveelt dat de tijd die door veroordeelde voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en in voorlopige hechtenis is doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van die straf in mindering gebracht zal worden. Tenuitvoerlegging van de opgelegde gevangenisstraf zal volledig plaatsvinden binnen de penitentiaire inrichting, tot het moment dat de veroordeelde in aanmerking komt voor deelname aan een penitentiair programma, als bedoeld in artikel 4 van de Penitentiaire beginselenwet, dan wel de regeling van voorwaardelijke invrijheidstelling, als bedoeld in artikel 6:2:10 van het Wetboek van Strafvordering, aan de orde is. Legt aan verdachte op de maatregel tot gedragsbeïnvloeding of vrijheidsbeperking als bedoeld in artikel 38z van het Wetboek van Strafrecht. Legt op de maatregel dat de veroordeelde voor de duur van 5 (vijf) jaren op geen enkele wijze - direct of indirect - contact zal opnemen, zoeken of hebben met [slachtoffer] , geboren op [geboortedag] 1942 in [geboorteplaats ] ( [geboorteland] ). Beveelt dat vervangende hechtenis zal worden toegepast voor het geval niet aan de maatregel wordt voldaan. De duur van deze vervangende hechtenis bedraagt 1 (een) week voor iedere keer dat niet aan de maatregel wordt voldaan. De totale duur van de tenuitvoergelegde vervangende hechtenis bedraagt ten hoogste zes maanden. Toepassing van de vervangende hechtenis heft de verplichtingen ingevolge de opgelegde maatregel niet op. Omdat er ernstig rekening mee moet worden gehouden dat de verdachte opnieuw een strafbaar feit zal plegen en/of zich belastend zal gedragen jegens een bepaalde persoon of bepaalde personen beveelt de rechter, gelet op artikel 38v, vierde lid, van het Wetboek van Strafrecht, dat de opgelegde maatregel, dadelijk uitvoerbaar is. Wijst de vordering van de benadeelde partij [slachtoffer] toe tot een bedrag van € 23.146,- (drieëntwintigduizend honderdzesenveertig euro), bestaande uit € 3.146,- (drieduizend honderdzesenveertig euro) aan vergoeding van materiële schade en € 20.000,- (twintigduizend euro) aan vergoeding van immateriële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf het moment van het ontstaan van de schade (17 oktober 2023) tot aan de dag van de algehele voldoening. Veroordeelt verdachte tot betaling van het toegewezen bedrag aan [slachtoffer] voornoemd. Veroordeelt verdachte voorts in de kosten door de benadeelde partij gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog te maken, tot op heden begroot op nihil. Bepaalt dat de benadeelde partij voor het overige niet-ontvankelijk in haar vordering is. Legt verdachte de verplichting op ten behoeve van [slachtoffer] aan de Staat te betalen € 23.146,- (drieëntwintigduizend honderdzesenveertig euro), bestaande uit € 3.146,- (drieduizend honderdzesenveertig euro) aan vergoeding van materiële schade en € 20.000,- (twintigduizend euro) aan vergoeding van immateriële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf het moment van het ontstaan van de schade (17 oktober 2023) tot aan de dag van de algehele voldoening. Bij gebreke van betaling en verhaal kan gijzeling worden toegepast voor de duur van 150 (honderdvijftig) dagen. De toepassing van die gijzeling heft de betalingsverplichting niet op. Bepaalt dat, indien en voor zover verdachte aan een van de genoemde betalingsverplichtingen heeft voldaan, daarmee de andere is vervallen. Verklaart verbeurd: een heft (PL1300-2023235719-6410458 en een lemmet (PL1300-2023235719-6410458). Dit vonnis is gewezen door mr. D. Bode, voorzitter, mrs. A.J. Scheijde en M.F.A.M. Smeets, rechters, in tegenwoordigheid van mr. S.D. Riggelink, griffier, en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank van 20 september
- […] Bij beschikking van 28 augustus 2024 is de echtscheiding uitgesproken.