← Nederland

ECLI:NL:RBAMS:2024:8888

RECHTBANK AMSTERDAM Civiel recht Kantonrechter Zaaknummer / rekestnummer: 10910981 \ EA VERZ 24-92 Beschikking van 31 mei 2024 in de zaak van [verzoeker] , wonende te [woonplaats] (India), verzoekende partij, verwerende partij in het incident en het tegenverzoek, hierna te noemen: [verzoeker] , gemachtigde: mr. R.E. Verkerke, tegen GOT INTERNATIONAL B.V., gevestigd te Amsterdam, verwerende partij, verzoekende partij in het tegenverzoek, hierna te noemen: GOT gemachtigde: mr. C.M. van der Burg. VERLOOP VAN DE PROCEDURE [verzoeker] heeft op 31 januari 2024 een verzoek ingediend, met producties, dat primair strekt tot vernietiging van de opzegging van de arbeidsovereenkomst door GOT, met nevenverzoeken. Subsidiair, namelijk voor het geval sprake is van een overeenkomst van opdracht, verzoekt [verzoeker] betaling van haar vergoeding over de opzegtermijn van deze overeenkomst van opdracht . Omdat dit subsidiaire verzoek buiten de competentie van de kantonrechter valt hebben partijen ter zitting ingestemd om, indien aan de subsidiaire vordering wordt toegekomen, deze op grond van artikel 96 Rv als gezamenlijk verzoek te behandelen, waarbij partijen zich het recht van hoger beroep voorbehouden hebben. GOT heeft een verzoek gedaan om op grond van artikel 224 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv) om [verzoeker] te veroordelen zekerheid te stellen voor een bedrag aan proceskosten van € 1.086,

  1. GOT heeft voorts een verweerschrift ingediend, eveneens met producties. Voorafgaand aan de zitting heeft [verzoeker] nog nadere stukken ingediend, maar deze zijn buiten beschouwing gelaten vanwege het (te late) moment van indiening. De verzoeken zijn mondeling behandeld op 2 mei
  2. [verzoeker] is verschenen via een videoverbinding, vergezeld door de gemachtigde en namens GOT is de gemachtigde verschenen. Partijen hebben hun standpunten toegelicht, [verzoeker] mede aan de hand van een pleitnota, en vragen van de kantonrechter beantwoord. Na verder debat is beschikking gevraagd en is een datum voor beschikking bepaald. Feiten
  3. Als gesteld en niet (voldoende) weersproken staat het volgende vast. 1.
  4. [verzoeker] is op 1 juni 2023 bij GPSP (gelieerd aan GOT, gevestigd in India) in dienst getreden in de functie van Senior Legal Counsel, tegen een bruto maandsalaris van € 7.500,- per maand, hetgeen neerkomt op een jaarsalaris, inclusief vakantiegeld, van € 90.000,- bruto per jaar. Zij verrichtte haar werkzaamheden (voornamelijk) op afstand, namelijk vanuit haar woonplaats in India. Partijen hadden bij deze arbeidsovereenkomst gekozen voor de toepasselijkheid van het recht van India. 1.
  5. [verzoeker] heeft vanwege fiscale redenen verzocht om werkzaam te mogen zijn als zzp’er in plaats van als werknemer. Op die manier zou zij minder belasting hoeven betalen. GOT is daarmee akkoord gegaan. Per 1 oktober 2023 is de arbeidsovereenkomst op verzoek van [verzoeker] geëindigd en zijn partijen daarom een overeenkomst van opdracht (Freelance Overeenkomst) aangegaan. Daarin zijn partijen overeengekomen dat de overeenkomst voor onbepaalde tijd loopt, dat [verzoeker] een honorarium krijgt van € 400,- per dag voor iedere gewerkte dag, met een maximum van 225 dagen per jaar (hetgeen neerkomt op € 90.000,-), en een opzegtermijn van 3 maanden. Verder hebben partijen Nederlands recht van toepassing verklaard op deze overeenkomst, en de rechtbank te Amsterdam aangewezen als de bevoegde rechter. 1.
  6. In de overeenkomst staat onder meer dat de heer [naam 1] (verder [naam 1] ) van GOT verantwoordelijk is voor het toewijzen van en toezicht houden op de door [verzoeker] te verrichten werkzaamheden, en dat [verzoeker] daarnaast taken zal moeten uitvoeren die partijen overeenkomen. Verder staat in de overeenkomst dat [verzoeker] gehouden is wekelijks ‘worksheets’ aan te leveren waar zij haar geleverde diensten op registreert, waarna zij na afloop van de maand de worksheets samen met een maandelijkse factuur moet indienen. 1.
  7. GOT werkt met een systeem van tickets. Een vraag of op te pakken taak wordt in dat systeem als ticket geregistreerd. [verzoeker] kon middels dat ticket systeem werk naar zich toe trekken. Zij kon dan registreren dat zij een bepaalde taak zou oppakken, waarna deze op haar naam kwam te staan. 1.
  8. Van 18 september 2023 tot en met 5 oktober 2023 heeft [verzoeker] Oostenrijk bezocht voor een congres, is zij doorgereisd naar Tsjechië, waar [naam 1] woont en werkt, en heeft zij ook Zwitserland bezocht. In Zwitserland was het bedrijf Avyana gevestigd, evenals Camylyon. Aan deze bedrijven is [verzoeker] gelieerd (zie r.o. 1.17). 1.
  9. Op 19 oktober 2023 heeft [naam 1] [verzoeker] gevraagd of zij haar uren registreert. De volgende berichten werden gewisseld:[naam 1] : You keep track of your hours that we need to invoice?[verzoeker] : haven’t tracked the time, no. But will look back and prepare the list tomorrow.[naam 1] : Please do this daily, it’s our only lifeline. Without that no justification. [verzoeker] : yes sir. 1.
  10. Op 17 november 2023 vraagt [naam 1] aan [verzoeker] waarom hij pas na werktijd (in India) van [verzoeker] hoort, waarom zij reageert dat zij online komt ‘about CET timezone’, en ‘we have the festivals going on’, ‘this weekend is the last’, ‘but I stay here till midnight’. Ook geeft zij aan dat ze wel aan het werk is geweest. 1.
  11. Op 3 december 2023 heeft [naam 1] een gesprek met [verzoeker] via een chatprogramma over (de noodzaak van) het schrijven van de gewerkte uren. Daarin zijn onder meer de volgende berichten uitgewisseld:[verzoeker] : I can’t actually create one for October now – don’t even remember what all I worked on. And Nov I have added a few on our sheet from memory[naam 1] : Remember as well that bank holidays can’t be invoiced: [naam 2] , last Monday/or Friday you were off etc.[verzoeker] : I only had. One back holiday in November. [naam 2] was on Sunday. Rest all days I was working. so Yes I have excluded that one bank holiday.(…) [verzoeker] : I understand the situation we have, and I would really appreciate your guidance on how to ensure that you know I am working everyday I am billing.(…)[naam 1] : I need to rely on you.(…)[verzoeker] : Thank you for this trust. Please know I will not bill unnecessary. 1.
  12. [verzoeker] heeft voor oktober 17 dagen gefactureerd, en over november 21 dagen. Deze facturen zijn na indiening niet door GOT betaald. 1.
  13. Op 19 december 2023 is via de chat gesproken over het (nog) niet uitbetalen van de facturen en het aanleveren van een urenstaat bij de facturen. Uit de die dag verstrekte urenstaten blijkt dat [verzoeker] over de maand oktober in totaal 26 uur en 43 minuten aan gewerkte tijd heeft geregistreerd, waaronder zowel declarabele als niet-declarabele uren. Over november 2023 gaat het om 29 uur en 3 minuten. Daar zijn dagen bij dat er slechts één of enkele minuten werk zijn geregistreerd (12 minuten op 6 oktober, 16 minuten op 20 oktober, 4 minuten op 10 november, 1 minuut op 14 november , 2 minuten op 25 november). Voorts is er nimmer 8 uur op een dag gewerkt. Ook voor de dagen waarop maar (heel) kort is gewerkt heeft [verzoeker] € 400,- bij GOT in rekening gebracht. 1.
  14. Over de urenstaten heeft [verzoeker] per e-mail van 20 december 2023 aan [naam 1] geschreven:All activities for the day(s) were listed. If we are looking at to see if 8hrs were spent everyday, then no. This was the same situation when I was employed too. 1.
  15. Per e-mail van 22 december 2023 heeft [naam 1] , voor zover relevant, aan [verzoeker] geschreven:Unfortunately, we will not be paying these invoices since you haven’t provided the services as agreed by freelance contract. Based on the time sheets (distinguishing between billable non billable time) you submitted, it has become – undisputedly – clear that cumulatively you only have been working a few days per month, and instead you are invoicing each day regardless of the services you provided.Can you please adjust, and the resubmit your invoices based on the correct (read: where 1x day represents 8 hours of actual work) amount of days, together – and in close alignment – with the now duly authorized timesheets, and I’ll make sure that you get paid? (…) 1.
  16. Daarop heeft [verzoeker] op 22 december 2023 als volgt gereageerd:(…)The contract clearly states that I shall be paid 400 euro everyday. I have been working and available everyday as invoiced – it is not MY PROBLEM that you did not have enough work. BTW, the contract DOES NOT state how many HOURS I need to put in everyday, so your reason here is not valid. (…) 1.
  17. Per e-mail van 22 december 2023 heeft GOT de overeenkomst met [verzoeker] met onmiddellijke ingang beëindigd. 1.
  18. Op 29 december 2023 heeft (de gemachtigde van) [verzoeker] zich op het standpunt gesteld dat sprake is van een arbeidsovereenkomst en GOT deze niet had kunnen opzeggen. [verzoeker] heeft zich daarbij beschikbaar gehouden voor werk. Op dezelfde dag heeft (de gemachtigde van) [verzoeker] een factuur gestuurd over de maand december 2023, waarbij 20 dagen zijn gefactureerd. Uit de urenstaat van [verzoeker] volgt dat zij in december 2023 totaal 16 dagen werkzaamheden heeft verricht. Daaronder zijn ook dagen waarop maar enkele minuten is gewerkt, zoals 10 minuten op 11 december , 5 minuten op 12 december en 4 minuten op 22 december . 1.
  19. Op 19 maart 2024 is door de voorzieningenrechter bij de rechtbank Amsterdam in kort geding een vonnis gewezen waarin, kort samengevat, is geoordeeld dat geen sprake was van een gezagsverhouding in de relatie tussen [verzoeker] en GOT en daarom geen sprake is van een arbeidsovereenkomst. Daarbij is relevant geacht dat voldoende aannemelijk is gemaakt dat [verzoeker] de vrijheid had, en ook de tijd, om werkzaamheden voor anderen te doen en dat ook heeft gedaan, dat zij zelf werkzaamheden naar zich toe kon trekken, en zij slechts ongeveer 24 uur per maand werkte, oftewel ongeveer 3 werkdagen, hetgeen niet wijst op een gezagsverhouding, in die zin dat er toezicht werd gehouden op wanneer en hoeveel [verzoeker] werkte en in dat kader instructies aan haar werden gegeven. 1.
  20. Kort voordat de mondelinge behandeling in voornoemd kort geding plaatsvond heeft [verzoeker] haar LinkedIn aangepast. Vóór die aanpassing stond op 13 februari 2024 op haar LinkedIn profiel onder meer het volgende:Senior Legal Counsel, Legal/Out, Juli 2023 – heden (…)Co-founder Compliant AI, 2023 – heden (…) Co-founder Avyana fulltime, Januari 2021 – heden (…) Zug, Zwitserland (…)Legal Advisor Camylyon, part-time, April 2021 – heden (…) Zurich, Zwitserland (…)Legal Advisor, De3Fi, Maart 2022 – heden (…) Londen.Legal Advisor FlatWorld.co, maart 2020 – heden (…) Verzoek
  21. [verzoeker] stelt zich op het standpunt dat sprake is van een arbeidsovereenkomst in plaats van een overeenkomst van opdracht, en dat die arbeidsovereenkomst niet rechtsgeldig is beëindigd. Zij verzoekt primair een verklaring voor recht dat de overeenkomst tussen partijen kwalificeert als arbeidsovereenkomst in de zin van artikel 7:610 BW, en vernietiging van de opzegging van 22 december
  22. Verder verzoekt zij betaling van haar achterstallig salaris over oktober tot en met december 2023, vermeerderd met wettelijke verhoging en rente, betaling van het salaris vanaf januari 2024 tot de arbeidsovereenkomst rechtsgeldig is beëindigd, toelating tot de bedongen arbeid en werkzaamheden, toelating tot het zakelijke e-mailaccount en systeem van GOT en betaling van buitengerechtelijke kosten, met veroordeling van GOT in de kosten van de procedure.
  23. [verzoeker] heeft ter onderbouwing hiervan aangevoerd dat de factoren arbeid en loon aanwezig zijn en ook ongewijzigd zijn gebleven na het wijzigen van de overeenkomst naar ‘overeenkomst van opdracht’. Voorts zijn de werkzaamheden ook bij voortduring uitgevoerd. Ook gezag is aanwezig, nu [verzoeker] op dezelfde wijze werd aangestuurd als onder de voorafgaande arbeidsovereenkomst. [naam 1] hield de prestaties in het oog en controleerde de gewerkte uren, en [verzoeker] had toegang tot het hele team. Zij diende ook op dezelfde manier (via [naam 1] ) verlof aan te vragen. Zij werkte op dezelfde wijze als eerder, op afstand, onder gezag van [naam 1] , waarbij werk toebedeeld werd door [naam 1] , en zij op dezelfde manier over haar werkzaamheden moest rapporteren. Zij diende de arbeid ook persoonlijk te verrichten, en was ingebed in de organisatie. [verzoeker] is ook niet te typeren als opdrachtnemer, zij werkt alleen voor GOT en is afhankelijk van GOT. Derhalve is, gelet op de uitspraak inzake Gemeente Amsterdam/X en het gegeven dat de partijbedoeling geen rol speelt bij de kwalificatie, sprake van een arbeidsovereenkomst. Dat heeft tot gevolg dat de beëindiging per 22 december 2023 niet rechtsgeldig is zodat de arbeidsovereenkomst voortduurt.
  24. Subsidiair meent [verzoeker] dat, indien sprake is van een overeenkomst van opdracht, de opzegtermijn van 3 maanden in acht had moeten worden genomen en aan haar nog een bedrag toekomt over de maanden oktober, november en december
  25. GOT heeft wanprestatie gepleegd doordat zij de facturen over de maanden oktober, november en december 2023 niet heeft voldaan, ten gevolge waarvan [verzoeker] schade heeft geleden ter grootte van het honorarium over die 3 maanden. Ook de opzegtermijn van 3 maanden dient te worden vergoed. GOT dient derhalve € 44.800,- te betalen, te verminderen met de na het kort geding gedane betaling. Verweer
  26. GOT verweert zich tegen het verzoek. Zij voert aan – samengevat – dat geen sprake is van een gezagsverhouding. [verzoeker] kon zelf haar werk (en de hoeveelheid daarvan) bepalen middels het ticket systeem en had ook dossiers toegewezen gekregen. Zij kon zelf bepalen wanneer en hoeveel zij werkte, en heeft ook altijd minder dan 8 uur per dag gewerkt. Er was ook geen sprake van verlof, [verzoeker] was soms niet beschikbaar en bepaalde zelf wanneer dat was, hetgeen soms achteraf pas bij GOT bekend werd. Voorts heeft [verzoeker] aangegeven dat zij mogelijk een jurist zou gaan aannemen om het werk voor haar te doen. Daarnaast is relevant dat [verzoeker] , die advocaat is en ook gespecialiseerd in het arbeidsrecht, zelf heeft verzocht om te mogen werken op basis van een overeenkomst van opdracht om zo minder inkomstenbelasting te hoeven betalen.
  27. Voorts is het juist dat de overeenkomst van opdracht een opzegtermijn van 3 maanden kent, maar het hanteren daarvan zou leiden tot een onredelijke en onbillijke situatie (artikel 6:248 lid 2 BW), nu GOT alle vertrouwen in [verzoeker] heeft verloren en haar niet meer wenst in te zetten. Als GOT het honorarium over de opzegtermijn wel dient te betalen kan zij enkel gehouden zijn een ‘redelijk loon’ te voldoen in de zin van artikel 7:405 lid 2 BW, zijnde het gemiddelde van wat [verzoeker] in oktober, november en december 2023 heeft gewerkt, hetgeen neerkomt op in totaal € 3.617,
  28. Hetgeen overigens door partijen is aangevoerd komt, voor zover relevant, bij de beoordeling aan de orde. Beoordeling
  29. Alvorens kan worden toegekomen aan de vraag of de beëindiging van de relatie tussen partijen rechtsgeldig was, dient te worden beoordeeld of werd gewerkt op basis van een arbeidsovereenkomst of een overeenkomst van opdracht. Om een overeenkomst aan te kunnen merken als arbeidsovereenkomst dient sprake te zijn van een overeenkomst waarbij de ene partij, de werknemer, zich verbindt in dienst van de andere partij, de werkgever, tegen loon gedurende zekere tijd arbeid te verrichten (artikel 7:610 lid 1 BW). Bij deze (twee fasen) beoordeling is eerst van belang welke rechten en verplichtingen partijen overeen zijn gekomen. Daarbij is de bedoeling van partijen niet relevant. Vervolgens dient te worden beoordeeld of de overeenkomst de kenmerken heeft van een arbeidsovereenkomst (ECLI:NL:HR:2020:1746). In 2023 heeft de Hoge Raad daarover voorts nog overwogen (ECLI:NL:HR:2023:443, ro. 3.2.5.): “of een overeenkomst moet worden aangemerkt als arbeidsovereenkomst, hangt af van alle omstandigheden van het geval in onderling verband bezien. Van belang kunnen onder meer zijn de aard en duur van de werkzaamheden, de wijze waarop de werkzaamheden en de werktijden worden bepaald, de inbedding van het werk en degene die de werkzaamheden verricht in de organisatie en de bedrijfsvoering van degene voor wie de werkzaamheden worden verricht, het al dan niet bestaan van een verplichting het werk persoonlijk uit te voeren, de wijze waarop de contractuele regeling van de verhouding van partijen is tot stand gekomen, de wijze waarop de beloning wordt bepaald en waarop deze wordt uitgekeerd, de hoogte van deze beloningen, en de vraag of degene die de werkzaamheden verricht daarbij commercieel risico loopt. Ook kan van belang zijn of degene die de werkzaamheden verricht zich in het economisch verkeer als ondernemer gedraagt of kan gedragen, bijvoorbeeld bij het verwerven van een reputatie, bij acquisitie, wat betreft fiscale behandeling, en gelet op het aantal opdrachtgevers voor wie hij werkt of heeft gewerkt en de duur waarvoor hij zich doorgaans aan een bepaalde opdrachtgever verbindt. Het gewicht dat toekomt aan een contractueel beding bij beantwoording van de vraag of een overeenkomst als arbeidsovereenkomst moet worden aangemerkt, hangt mede af van de mate waarin dat beding daadwerkelijk betekenis heeft voor de partij die de werkzaamheden verricht.”
  30. Uitgaande van voornoemd toetsingskader wordt geoordeeld als volgt. Dat sprake was van arbeid en loon is evident. [verzoeker] heeft immers werkzaamheden uitgevoerd, en GOT was gehouden daarvoor een vergoeding te betalen. De vraag is evenwel of sprake was van gezag. Uit de overeenkomst d.d. 1 oktober 2023 tussen partijen en de invulling daarvan blijkt dat [verzoeker] veel vrijheid had bij het invullen van haar werkzaamheden. Niet alleen had zij zelf invloed op welke werkzaamheden zij deed, zij kon immers zelf werkzaamheden (tickets) aan zichzelf toebedelen, maar ook kon zij zelf bepalen wanneer zij werkte en hoeveel uur (of minuten) zij werkte. Uit de correspondentie tussen partijen blijkt dat [verzoeker] zelf haar werkuren bepaalde. Anders dan [verzoeker] stelt is ook niet gebleken dat zij gehouden was de werkzaamheden persoonlijk uit te voeren, hetgeen onder meer ondersteund wordt door de (niet (voldoende) weersproken) stelling van GOT dat [verzoeker] had aangekondigd dat zij mogelijk een jurist zou gaan aannemen om haar te ondersteunen bij de uit te voeren werkzaamheden. Voorts diende [verzoeker] haar werkzaamheden in een urenstaat bij te houden en op basis daarvan haar factuur in te dienen.
  31. Van gezag van de zijde van GOT is dan ook niet gebleken. Gesteld noch gebleken is dat GOT op enigerlei wijze invloed uitoefende op de werktijden en -dagen van [verzoeker] , noch dat zij invloed uitoefende op de manier waarop [verzoeker] haar werk moest uitvoeren. Het enkel verstrekken van één of meerdere opdrachten, zoals het toewijzen van bepaalde dossiers of tickets, is daartoe niet voldoende. Van inbedding van [verzoeker] en/of de door haar uitgevoerde werkzaamheden is evenmin gebleken.
  32. Voorts heeft [verzoeker] zich in het economisch verkeer ook gedragen als ondernemer. Zij heeft specifiek verzocht om op basis van een overeenkomst van opdracht te mogen werken omdat zij dan fiscaal beter af zou zijn, en uit haar LinkedIn pagina van 13 februari 2024 blijkt dat zij ook nog bij een zestal andere bedrijven betrokken was. Dat zij daartoe ook de gelegenheid had blijkt ook uit de door [verzoeker] opgemaakte urenstaten, waaruit blijkt dat zij op sommige dagen slechts 1 minuut, en regelmatig minder dan 1 of 2 uur werkte voor GOT. Verder wijzen ook het overeengekomen tarief van € 400,00 per werkdag, oftewel € 50,00 per uur, en de wijze van betaling (na indiening van een factuur met urenstaat) op een overeenkomst van opdracht.
  33. Van een arbeidsovereenkomst is gezien het voorgaande geen sprake geweest. Daarop stranden de primair ingestelde verzoeken en de verzoekentot het geven van een verklaring van recht en vernietiging van de opzegging. De vorderingen tot betaling van achterstallig salaris, salaris vanaf januari 2024, toelating tot de werkzaamheden en toelating tot de systemen en het zakelijke emailaccount van GOT gaan uit van het bestaan van een arbeidsovereenkomst. Nu daar geen sprake van is worden ook deze verzoeken afgewezen. Derhalve wordt toegekomen aan de vraag of de overeenkomst van opdracht rechtsgeldig zonder inachtneming van de opzegtermijn van 3 maanden is opgezegd, en of aan [verzoeker] nog een vergoeding toekomt over de opzegtermijn en de gewerkte maanden. Het subsidiaire verzoek van [verzoeker] hebben partijen op basis van artikel 96 Rv aan de kantonrechter voorgelegd, onder voorbehoud van het recht om hoger beroep in te stellen.
  34. Vaststaat dat partijen in beginsel een opzegtermijn van 3 maanden zijn overeengekomen in de overeenkomst van opdracht. GOT heeft zich echter, kort gezegd, op het standpunt gesteld dat het naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is dat zij de overeengekomen opzegtermijn in acht zou moeten nemen. Onder de omstandigheden als in onderhavig geval, namelijk een werkneemster die op eigen verzoek aan de slag gaat op basis van een overeenkomst van opdracht, waarna zij vervolgens cumulatief nauwelijks meer dan 3 werkdagen per maand heeft gewerkt maar wel heeft gefactureerd alsof zij iedere werkdag van de maand heeft gewerkt, is het naar het oordeel van de kantonrechter inderdaad naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar als GOT aan haar een vergoeding zou moeten betalen over de opzegtermijn van 3 maanden. Het handelen van [verzoeker] is laakbaar en had, indien wél sprake was geweest van een arbeidsovereenkomst, ook reden kunnen zijn voor een ontslag op staande voet. Onder die omstandigheden mocht GOT de overeenkomst met [verzoeker] per direct beëindigen, zonder toekenning van enige vergoeding over de opzegtermijn.
  35. De kantonrechter is verder van oordeel dat de overeenkomst en de bepaling over de aan [verzoeker] toekomende vergoeding van € 400,00 per dag niet anders kan worden gelezen dan dat zij voor die vergoeding ook daadwerkelijk een ‘dag’ moet hebben gewerkt, oftewel 8 uur. Niets in de overeenkomst ondersteunt de uitleg die [verzoeker] geeft aan de bepaling omtrent de vergoeding, namelijk dat zij redelijkerwijs van GOT mocht verwachten dat die € 400,00 zou betalen voor een werkdag van 1 minuut. Van enige betaling over de maanden waarin [verzoeker] werkzaamheden heeft verricht, anders dan hetgeen GOT reeds heeft betaald over de gewerkte uren, kan dan ook geen sprake zijn.
  36. Het voorgaande leidt tot de conclusie dat alle verzoeken van [verzoeker] moeten worden afgewezen.
  37. Het incidentele verzoek ex artikel 224 Rv (het stellen van zekerheid) behoeft geen nadere bespreking meer nu ter zitting door de gemachtigde van [verzoeker] is bevestigd dat het door GOT verwachte bedrag aan proceskosten ad € 1.086,00 nog op de derdengeldenrekening aanwezig is en daarvoor kan worden aangewend, waarmee het belang bij dit verzoek is komen te vervallen.
  38. De proceskosten komen voor rekening van [verzoeker] als de in het ongelijk gestelde partij. Deze worden begroot op € 882,00, bestaande uit € 814,00 aan salaris gemachtigde en € 68,00 aan nakosten. BESLISSING De kantonrechter: verklaart [verzoeker] in het primaire verzoek tot vernietiging van de opzegging niet-ontvankelijk; wijst de overige (primaire) verzoeken van [verzoeker] af; wijst het subsidiaire verzoek van [verzoeker] af; veroordeelt [verzoeker] in de kosten van het geding, tot op heden aan de zijde van GOT begroot op € 882,00, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe. Als [verzoeker] niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en de beschikking daarna wordt betekend, dan moet [verzoeker] ook de wettelijke/Btag kosten van betekening betalen; verklaart de kostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad. Deze beschikking is gegeven door mr. T.M.A. van Löben Sels, kantonrechter, bij diens afwezigheid ondertekend door mr. M.V. Ulrici, kantonrechter, en op 31 mei 2024 in het openbaar uitgesproken in aanwezigheid van mr. J. Higler-Huisman, de griffier. Op verzoek van GOT, waarop door [verzoeker] is gereageerd, verbetert de kantonrechter de beschikking aldus dat als gemachtigde van GOT moet worden gelezen mr. M.J.S. Spanjersberg in plaats van mr. C.M. van der Burg. GOT heeft ook verzocht om de beschikking omtrent de proceskosten aan te passen omdat zij meent dat discussie kan ontstaan over de vraag of de proceskosten voor het incident wel of niet verschuldigd zijn. In rechtsoverweging 17 is evenwel expliciet beslist op de proceskosten, zodat van aanvulling of herstel geen sprake kan zijn. Aldus gegeven door mr. T.M.A. van Löben Sels, kantonrechter en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 17 juli 2024, in tegenwoordigheid van de griffier.

🔗 Naar officiële bron

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.