← Nederland

ECLI:NL:RBAMS:2024:8921

RECHTBANK AMSTERDAM Bestuursrecht zaaknummer: AMS 24/200 uitspraak van de enkelvoudige kamer van 18 december 2024 in de zaak tussen [eiser], uit [woonplaats], eiser (gemachtigde: mr. I. Rhodes), en de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, verweerder (gemachtigde: [gemachtigde]). Inleiding

  1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiser tegen de weigering van verweerder om de proceskosten in bezwaar te betalen.
  2. Verweerder heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.
  3. De rechtbank heeft partijen laten weten dat zij een zitting niet nodig vindt en gevraagd of zij het daarmee eens zijn. Omdat partijen daarna niet om een zitting hebben gevraagd, heeft de rechtbank het onderzoek gesloten en de zaak niet behandeld op een zitting. Totstandkoming van het besluit
  4. Eiser heeft op 31 augustus 2023 een WW-uitkering aangevraagd. Daarbij heeft hij 1 mei 2023 als eerste dag van werkloosheid opgegeven.
  5. Verweerder heeft de aanvraag op 18 september 2023 afgewezen gelet op de lopende opzegtermijn tot en met 31 augustus
  6. Gedurende de opzegtermijn bestaat er geen recht op een WW-uitkering.
  7. Eiser heeft op 20 september 2023 bezwaar gemaakt tegen de afwijzing. Daarbij heeft hij verzocht om de uitkering per 1 september 2023 toe te kennen. Op diezelfde datum heeft eiser een nieuwe aanvraag ingediend. Daarbij heeft hij 1 september 2023 als eerste dag van werkloosheid opgegeven.
  8. In reactie op de nieuwe aanvraag heeft verweerder op 25 september 2023 beslist de WW-uitkering toe te kennen voor de periode van 1 september 2023 tot en met 31 mei
  9. Met het bestreden besluit van 14 december 2023 heeft verweerder het bezwaar niet-ontvankelijk verklaard omdat eiser, gelet op de inmiddels toegekende WW-uitkering, geen procesbelang meer heeft. Beoordeling door de rechtbank
  10. Niet in geschil tussen partijen is dat het bezwaar van eiser terecht niet-ontvankelijk is verklaard, omdat geen sprake meer is van procesbelang. In geschil is alleen het niet door verweerder aan eiser toekennen van een proceskostenvergoeding in bezwaar. Vast staat dat eiser in zijn bezwaarschrift om een vergoeding van deze kosten heeft verzocht.
  11. Op grond van artikel 7:15, tweede lid, van de Awb worden deze kosten uitsluitend vergoed op verzoek van de belanghebbende voor zover het bestreden besluit wordt herroepen wegens een aan het bestuursorgaan te wijten onrechtmatigheid.
  12. Volgens vaste rechtspraak is slechts sprake van herroepen in de zin van artikel 7:15, tweede lid, van de Awb indien het primaire besluit wordt gewijzigd wat betreft het daarbij beoogde rechtsgevolg.
  13. De rechtbank oordeelt dat verweerder niet gehouden is om de proceskosten in bezwaar te vergoeden. De rechtbank volgt eiser niet in zijn stelling dat het besluit onrechtmatig was. Eiser heeft dit ook niet onderbouwd. Met verweerder is de rechtbank van oordeel dat er geen sprake is van herroeping van het besluit wegens een onrechtmatigheid, het beoogde rechtsgevolg van het primaire besluit is namelijk in stand gehouden. Ook na toekenning van de WW-uitkering met ingang van 1 september 2023 is nog steeds juist, zoals staat in het besluit van 18 september 2023, dat eiser tot en met 31 augustus 2023 geen WW-uitkering kan krijgen. Verweerder hoeft de proceskosten die eiser in bezwaar heeft gemaakt daarom niet te vergoeden. Conclusie en gevolgen
  14. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat eiser geen gelijk krijgt. Eiser krijgt daarom het griffierecht niet terug. Hij krijgt ook geen vergoeding van zijn proceskosten. Beslissing De rechtbank verklaart het beroep ongegrond. Deze uitspraak is gedaan door mr. M. Greebe, rechter, in aanwezigheid van mr.M.C.A. Olsen, griffier. De uitspraak is uitgesproken in het openbaar op 18 december
  15. griffier rechter Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op: Informatie over hoger beroep Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Centrale Raad van Beroep waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Digitaal hoger beroep instellen kan via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan de Centrale Raad van beroep, Postbus 16002, 3500 DA Utrecht. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Centrale Raad van Beroep vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen. Een uitkering op grond van de Werkloosheidswet. Algemene wet bestuursrecht. Zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Centrale Raad van Beroep van 9 december 2020, ECLI:NL:CRVB:2020:3140.

🔗 Naar officiële bron

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.