vonnis RECHTBANK AMSTERDAM Afdeling Publiekrecht Teams Strafrecht Parketnummer: 13/213276-24 Datum uitspraak: 24 december 2024 Vonnis van de rechtbank Amsterdam, meervoudige kamer voor de behandeling van strafzaken, in de zaak tegen: [verdachte] , geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 1989, ingeschreven op het adres: [adres 1] , thans gedetineerd te: [detentieplaats] . 1Het onderzoek ter terechtzitting Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van 24 december 2024. De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie, mr. M.D. Braber, en van wat verdachte en zijn raadsman, mr. M. Rasterhoff, naar voren hebben gebracht. 2Tenlastelegging Verdachte wordt ervan beschuldigd dat: 1 hij op of omstreeks 1 juli 2024 te Amsterdam opzettelijk een ontploffing teweeg heeft gebracht door een ontsteker (een batterij aan een elektriciteitssnoer) in aanraking te brengen met een explosieve stof voor/tegen de deur van een woning aan de [adres 2] , terwijl daarvan - gemeen gevaar voor voornoemde woning en/of één of meer aangrenzende woningen en/of panden, in elk geval gevaar voor goederen en/of - levensgevaar en/of gevaar voor zwaar lichamelijk letsel voor een of meer bewoner(
- s)van en/of aanwezigen in naastgelegen woning(en), in elk geval levensgevaar en/of zwaar lichamelijk letsel voor een ander of anderen te duchten was; 2 hij op of omstreeks 1 juli 2024 te Amsterdamopzettelijk en wederrechtelijk een woning gelegen aan de [adres 2] , in elk geval enig goed, dat/die geheel of ten dele aan [aangever] , in elk geval aan een ander toebehoorde(
- n)heeft vernield, beschadigd, onbruikbaar gemaakt en/of weggemaakt; 3 hij op of omstreeks 1 juli 2024 te Amsterdam een wapen van categorie II, onder 7 van de Wet wapens en munitie, te weten een IED, (improvised explosive device), zijnde een voorwerp bestemd voor het treffen van personen of zaken door vuur of door middel van ontploffing, voorhanden heeft gehad. 3Voorvragen De dagvaarding is geldig, deze rechtbank is bevoegd tot kennisneming van de tenlastegelegde feiten en de officier van justitie is ontvankelijk. Er zijn geen redenen voor schorsing van de vervolging. 4Waardering van het bewijs 4.1. Het standpunt van het Openbaar Ministerie De officier van justitie vindt dat alle aan verdachte tenlastegelegde feiten kunnen worden bewezen. 4.2. Het standpunt van de verdediging De raadsman van verdachte heeft ten aanzien van feit 1 vrijspraak bepleit van het onderdeel ‘terwijl daarvan levensgevaar en/of gevaar voor zwaar lichamelijk letsel te duchten was’, omdat – kort samengevat – uit de inhoud van de wettige bewijsmiddelen niet volgt dat een dergelijk gevaar ten tijde van het teweegbrengen van de ontploffing voorzienbaar was en uit het dossier niet blijkt wat de kracht van de ontploffing was, welke stof is gebruikt, hoeveel daarvan is gebruikt en dat er personen dusdanig in de buurt waren dat zij zwaar lichamelijk letsel of erger hadden kunnen bekomen. 4.3. Het oordeel van de rechtbank De rechtbank acht op grond van de in de bijlage vervatte bewijsmiddelen bewezen dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan de hem onder 1, 2 en 3 tenlastegelegde feiten. Verdachte heeft deze feiten bij de politie, bij de rechter-commissaris en ter terechtzitting bekend. 4.3.1. Feit 1 De rechtbank overweegt ten aanzien van feit 1 in het bijzonder als volgt. Vastgesteld kan worden dat verdachte zich op 1 juli 2024 schuldig heeft gemaakt aan het teweegbrengen van een ontploffing voor de woning van aangever [aangever] aan de [adres 2] te Amsterdam en dat daarmee gemeen gevaar voor goederen bestond. Verdachte wordt ook verweten dat hij door het teweegbrengen van die ontploffing levensgevaar dan wel gevaar voor zwaar lichamelijk letsel voor anderen heeft veroorzaakt. Om in rechte zodanig gevaar als vaststaand te kunnen aannemen, is vereist dat uit de inhoud van wettige bewijsmiddelen volgt dat dit levensgevaar of dit gevaar voor zwaar lichamelijk letsel inderdaad te duchten was. Dit betekent dat het levensgevaar of gevaar voor zwaar lichamelijk letsel ten tijde van de ontploffing naar algemene ervaringsregels voorzienbaar moet zijn geweest. Uit het dossier blijkt dat in de naast- en bovengelegen woningen ten tijde van de ontploffing personen aanwezig waren. De ontploffing vond plaats in een dichtbevolkte buurt in Amsterdam, waar ook in de nachtelijke uren de aanwezigheid van passanten op straat niet kan worden uitgesloten. Verdachte heeft zelf verklaard dat hij vanaf de hoek waar hij stond geen zicht had op – het gangetje naast – de woning. Hij kon dus niet zien of zich daar mensen bevonden en kon dit ook niet uitsluiten. Getuigen [naam 1] en [naam 2] , die ter plaatse zijn gehoord, hebben vlak voor de ontploffing een scooter of motor horen wegrijden, waaruit blijkt dat er daadwerkelijk passanten in de buurt waren. De ontploffing was bovendien zo krachtig dat meters verderop brokstukken en afgebroken stukken hout op de weg zijn aangetroffen. Gelet op het voorgaande stelt de rechtbank vast dat door de ontploffing ook levensgevaar en gevaar voor zwaar lichamelijk letsel te duchten was. 4.3.2. Feit 2 en feit 3 Verdachte heeft door het teweegbrengen van de ontploffing de woning van aangever aan de [adres 2] te Amsterdam beschadigd (feit 2). Voor deze ontploffing heeft verdachte een IED (Improvised Explosive Device) gebruikt en dit dus voorhanden gehad (feit 3). Deze feiten kunnen worden bewezen op basis van de bewijsmiddelen in het dossier en de bekennende verklaring van verdachte. Gelet op het standpunt van de verdediging ten aanzien van deze feiten behoeft dit oordeel geen nadere motivering. 5Bewezenverklaring De rechtbank acht bewezen dat verdachte 1 op 1 juli 2024 te Amsterdam opzettelijk een ontploffing teweeg heeft gebracht door een ontsteker, een batterij aan een elektriciteitssnoer, in aanraking te brengen met een explosieve stof voor de deur van een woning aan de [adres 2] , terwijl daarvan - gemeen gevaar voor goederen en - levensgevaar en gevaar voor zwaar lichamelijk letsel voor anderen te duchten was; 2 op 1 juli 2024 te Amsterdam opzettelijk en wederrechtelijk een woning gelegen aan de [adres 2] , die geheel of ten dele aan [aangever] toebehoorde, heeft beschadigd; 3 op 1 juli 2024 te Amsterdam een wapen van categorie II, onder 7 van de Wet wapens en munitie, te weten een IED (Improvised Explosive Device), zijnde een voorwerp bestemd voor het treffen van personen of zaken door vuur of door middel van ontploffing, voorhanden heeft gehad. Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze verbeterd. Verdachte is hierdoor niet in de verdediging geschaad. 6. De strafbaarheid van de feiten De bewezen geachte feiten zijn volgens de wet strafbaar. Het bestaan van een rechtvaardigingsgrond is niet aannemelijk geworden. 7De strafbaarheid van verdachte Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit. Verdachte is dan ook strafbaar. 8Motivering van de straf 8.1. De eis van de officier van justitie De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf van veertig maanden, met aftrek van voorarrest, waarvan tien maanden voorwaardelijk, met een proeftijd van drie jaren en de volgende bijzondere voorwaarden: meldplicht bij de reclassering; opname in een zorginstelling; ambulante behandeling (met mogelijkheid tot kortdurende klinische opname); begeleid wonen of maatschappelijke opvang; locatieverbod: zich niet bevinden binnen 1 kilometer rondom de woning van aangever; meewerken aan middelencontrole. 8.2. Het strafmaatverweer van de verdediging De raadsman heeft verzocht bij de strafoplegging in het voordeel van verdachte rekening te houden met de persoonlijke omstandigheden van verdachte, zijn proceshouding en het feit dat verdachte schuldbewust is en verantwoordelijkheid neemt voor zijn daden. De raadsman vindt, net als de officier van justitie, dat verdachte gebaat is bij reclasseringstoezicht en de door GGZ Reclassering Fivoor geadviseerde bijzondere voorwaarden. De raadsman heeft verzocht het locatieverbod te beperken tot 500 meter. 8.3. Het oordeel van de rechtbank De hierna te noemen strafoplegging is in overeenstemming met de ernst van het bewezen geachte, de omstandigheden waaronder dit is begaan en de persoon van verdachte, zoals daarvan ter terechtzitting is gebleken. De rechtbank heeft bij de keuze tot het opleggen van een vrijheidsbenemende straf en bij de vaststelling van de duur daarvan in het bijzonder het volgende laten meewegen. 8.3.1. De ernst van de feiten Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan het voorhanden hebben van een IED en het teweegbrengen van een ontploffing door middel van deze IED bij de woning aan de [adres 2] te Amsterdam. De ontploffing had een harde knal en flinke schade tot gevolg. De brokstukken zijn over de openbare weg gevlogen en op meters afstand op straat beland. Verdachte heeft zich door financieel gewin laten leiden en hierdoor onverantwoorde risico’s genomen ten aanzien van de veiligheid en gezondheid van de bewoners en passanten op straat. De ontploffing heeft nog steeds veel impact op de bewoner van de betreffende woning, zoals ook blijkt uit zijn slachtofferverklaring op de zitting. Het aantal gerichte ontploffingen bij (onder meer) woningen loopt in Nederland steeds verder op, waardoor ook het gevoel van angst en onveiligheid in de samenleving als geheel groeit. Verdachte heeft door zijn handelen hieraan bijgedragen. 8.3.2. De persoon van de verdachte De rechtbank heeft acht geslagen op het reclasseringsrapport van GGZ Reclassering Fivoor van 6 december 2024, waarin wordt geadviseerd aan verdachte een (deels) voorwaardelijke straf op te leggen, met bijzondere voorwaarden zoals gevorderd door de officier van justitie. Gelet op de verklaring van verdachte op de terechtzitting en blijkens het reclasseringsrapport is bij verdachte sprake van delictgerelateerd middelengebruik en heeft hij de feiten gepleegd om in zijn middelengebruik te voorzien. De reclassering ziet mogelijkheden om middels interventies te komen tot gedragsverandering en verkleining van het recidiverisico, dat wordt ingeschat als gemiddeld. De reclassering is van mening dat het middelengebruik en de psychische gesteldheid aangemerkt kunnen worden als de primaire criminogene factoren. Verdachte is in het verleden gediagnosticeerd met ADHD en een antisociale persoonlijkheidsstoornis. Hij worstelt met de ervaringen uit zijn jeugd en probeert aan deze gedachten te ontsnappen door het gebruik van middelen. Positief is dat verdachte inzicht toont in zijn problematiek en dat hij eerder heeft getracht aan zijn problemen te werken door vrijwillige opnames in de verslavingszorg. Aan verdachte is niet eerder een verplicht reclasseringscontact met bijzondere voorwaarden opgelegd en eerdere interventies hebben niet geleid tot een langdurige gedragsverandering. Gezien de ernst van de feiten en de chronische ernst van de problematiek van verdachte, acht de reclassering een langdurige opname in een zorginstelling geïndiceerd. Binnen een dergelijke behandeling kan opnieuw diagnostisch onderzoek worden uitgevoerd, krijgt verdachte verschillende therapieën aangeboden en kan gewerkt worden aan het opbouwen van een maatschappelijk geaccepteerd bestaan. De reclassering adviseert dadelijke uitvoerbaarheid van de bijzondere voorwaarden en het toezicht. 8.3.3. De straf De rechtbank heeft bij het bepalen van de straf onder meer gekeken naar de door het Landelijk Overleg Vakinhoud Strafrecht (LOVS) vastgestelde oriëntatiepunten. Hieruit volgt dat het uitgangspunt bij een bewezenverklaring van een ontploffing met gemeen gevaar voor goederen, levensgevaar en gevaar voor zwaar lichamelijk letsel een gevangenisstraf van drie jaren is. Het uitgangspunt voor het voorhanden hebben van een explosief in de openbare ruimte betreft een gevangenisstraf van vijftien maanden. De rechtbank houdt verder rekening met de samenloop van de bewezenverklaarde feiten. Alles afwegende is de rechtbank van oordeel dat aan verdachte een gevangenisstraf van 36 maanden moet worden opgelegd, met aftrek van voorarrest, waarvan 8 maanden voorwaardelijk, met een proeftijd van drie jaren en met de door de reclassering geadviseerde bijzondere voorwaarden, met dien verstande dat het locatieverbod wordt beperkt tot een gebied van 500 meter rondom de woning van aangever. De rechtbank vindt deze straf gelet op al het voorgaande passend en geboden. Het voorwaardelijke deel van de straf geeft verdachte mogelijkheden tot behandeling en dient verdachte ervan te weerhouden zich opnieuw schuldig te maken aan (soortgelijke) strafbare feiten. De rechtbank ziet – net als de officier van justitie en de raadsman – geen aanleiding te bevelen dat de bijzondere voorwaarden en het reclasseringstoezicht dadelijk uitvoerbaar zijn, omdat het recidiverisico niet wordt ingeschat als hoog maar als gemiddeld. 9De vordering van de benadeelde partij en de schadevergoedingsmaatregel De benadeelde partij [aangever] vordert € 10.000,- aan vergoeding van immateriële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf het ontstaan van de schade, ter zake van het aan verdachte onder 1 tenlastegelegde. Hij heeft hiertoe aangevoerd dat hij sinds het incident bij zijn woning slaap- en spanningsklachten ervaart die vaak getriggerd worden, mede vanwege zijn werk als psycholoog in de forensische psychiatrie waar hij dagelijks wordt geconfronteerd met delictgedrag. Zijn dagelijkse werkplezier lijdt hier zodanig onder dat hij overweegt om ander werk te gaan doen. 9.1. Het standpunt van het Openbaar Ministerie De officier van justitie acht de vordering van de benadeelde partij, gelet op de aard en de ernst van de normschending en de gevolgen daarvan voor de benadeelde partij, voor toewijzing vatbaar, maar vindt dat het gevorderde bedrag zonder onderbouwing aan de hoge kant is. De officier van justitie vordert toewijzing van de vordering van de benadeelde partij voor een door de rechtbank redelijk geacht bedrag tussen € 1.000,- en € 2.000,-. 9.2. Het standpunt van de verdediging De raadsman heeft primair niet-ontvankelijkheid van de vordering van de benadeelde partij bepleit, omdat niet is voldaan aan de juridische voorwaarden voor toewijzing van de vordering, aangezien het dossier en de vordering onvoldoende onderbouwing bevatten om te kunnen spreken van een aantasting in de persoon. De situatie dat de aard en de ernst van de normschending meebrengen dat de in dit verband relevante nadelige gevolgen daarvan voor de benadeelde zo voor de hand liggen, dat een aantasting in de persoon kan worden aangenomen, is volgens de raadsman niet aan de orde, omdat het gaat om een beschadiging van de woning van de benadeelde partij, terwijl niet blijkt dat hij doelwit was. De raadsman heeft subsidiair bepleit de vordering van de benadeelde partij te matigen tot € 1.000,-. 9.3. Het oordeel van de rechtbank Op grond van artikel 6:106, lid 1, aanhef en onder b, van het Burgerlijk Wetboek komt een benadeelde partij onder meer een vergoeding voor immateriële schade toe als diegene als gevolg van het strafbare feit lichamelijk letsel heeft opgelopen en/of ‘op andere wijze in zijn persoon is aangetast’. Daarvan kan onder meer sprake zijn bij psychisch letsel. Degene die zich hierop beroept, zal voldoende concrete gegevens moeten aanvoeren waaruit kan volgen dat in verband met de omstandigheden van het geval psychische schade is ontstaan. Daartoe is vereist dat naar objectieve maatstaven het bestaan van geestelijk letsel kan worden vastgesteld. Ook als het bestaan van geestelijk letsel in voornoemde zin niet kan worden aangenomen, is niet uitgesloten dat de aard en de ernst van de normschending en van de gevolgen daarvan voor de benadeelde meebrengen dat van de bedoelde aantasting in de persoon op andere wijze sprake is. In zo een geval zal degene die zich hierop beroept de aantasting in zijn persoon met concrete gegevens moeten onderbouwen. Dat is slechts anders indien de aard en de ernst van de normschending meebrengen dat de in dit verband relevante nadelige gevolgen daarvan voor de benadeelde zo voor de hand liggen, dat een aantasting in de persoon kan worden aangenomen. De rechtbank overweegt hiertoe dat de gevolgen die de benadeelde partij heeft ervaren door de explosie, in het midden van de nacht bij zijn woning, zo voor de hand liggen, dat een aantasting in de persoon kan worden aangenomen. De rechtbank acht, rekening houdend met alle omstandigheden van het geval, waaronder de aard en ernst van de schade en de gevolgen – zoals die mede blijken uit de slachtofferverklaring – alsmede met de bedragen die Nederlandse rechters in vergelijkbare gevallen plegen toe te kennen, toewijzing van een bedrag van € 1.500,- aan immateriële schadevergoeding zonder meer billijk. Tot dit bedrag zal de vordering worden toegewezen. Dit bedrag wordt vermeerderd met de wettelijke rente vanaf het moment dat het strafbare feit is gepleegd, te weten 1 juli 2024. De benadeelde partij zal voor het overige niet-ontvankelijk worden verklaard in zijn vordering. De benadeelde partij kan het resterende deel van zijn vordering desgewenst bij de burgerlijke rechter aanbrengen. De rechtbank zal de hierna te noemen schadevergoedingsmaatregel opleggen, aangezien verdachte jegens het slachtoffer [aangever] naar burgerlijk recht aansprakelijk is voor de schade die door het onder 1 bewezen geachte feit is toegebracht. De rechtbank waardeert deze op een bedrag van € 1.500,- (duizend vijfhonderd euro), vermeerderd met de wettelijke rente vanaf het moment dat het strafbare feit is gepleegd, te weten 1 juli 2024. 10Toepasselijke wettelijke voorschriften De op te leggen straf en maatregel zijn gegrond op de artikelen 14a, 14b, 14c, 36f, 55, 57, 157 en 350 van het Wetboek van Strafrecht en de artikelen 26 en 55 van de Wet wapens en munitie. 11Beslissing De rechtbank komt op grond van het voorgaande tot de volgende beslissing. Verklaart bewezen dat verdachte het onder 1, 2 en 3 tenlastegelegde heeft begaan zoals hiervoor in rubriek 5 is vermeld. Verklaart niet bewezen wat aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor is bewezen verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij. Het bewezenverklaarde levert op: ten aanzien van feit 1 en feit 2: eendaadse samenloop van opzettelijk een ontploffing teweegbrengen, terwijl daarvan gemeen gevaar voor goederen te duchten is en terwijl daarvan levensgevaar en gevaar voor zwaar lichamelijk letsel voor een ander te duchten is; en opzettelijk en wederrechtelijk enig goed dat geheel of ten dele aan een ander toebehoort, beschadigen; ten aanzien van feit 3: handelen in strijd met artikel 26, eerste lid van de Wet wapens en munitie en het feit begaan met betrekking tot een wapen van categorie II, onderdeel 2º of onderdeel 7º. Verklaart het bewezene strafbaar. Verklaart verdachte, [verdachte], daarvoor strafbaar. Veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf van 36 (zesendertig) maanden. Beveelt dat de tijd die door veroordeelde voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en in voorlopige hechtenis is doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van die straf in mindering gebracht zal worden. Bepaalt dat een gedeelte, groot 8 (acht) maanden, van deze gevangenisstraf niet ten uitvoer gelegd zal worden, tenzij later anders wordt bevolen. Stelt daarbij een proeftijd van 3 (drie) jaren vast. De tenuitvoerlegging kan worden bevolen als de veroordeelde zich voor het einde van de proeftijd schuldig maakt aan een strafbaar feit. De tenuitvoerlegging kan ook worden bevolen als de veroordeelde gedurende de proeftijd niet aan de hierna vermelde bijzondere voorwaarden voldoet. Stelt als bijzondere voorwaarden: - Meldplicht bij reclassering Veroordeelde meldt zich binnen drie dagen na het ingaan van de proeftijd bij GGZ Reclassering Fivoor op het adres [adres 3] of soortgelijke instelling. Veroordeelde blijft zich melden op afspraken met de reclassering, zo vaak en zolang de reclassering dat nodig vindt. - Opname in een zorginstelling Veroordeelde laat zich opnemen in een forensische zorginstelling of een soortgelijke zorginstelling voor diagnostiek en behandeling, te bepalen door de justitiële instantie die verantwoordelijk is voor plaatsing. De opname duurt een jaar of zoveel korter als de behandelaren/reclassering nodig vinden/vindt. Veroordeelde houdt zich aan de huisregels en de aanwijzingen die de zorginstelling geeft voor de behandeling. Gelet op de problematiek kan hieronder ook het innemen van medicijnen vallen, als de zorginstelling dat nodig vindt. Als de reclassering een overgang naar ambulante zorg, begeleid wonen of maatschappelijke opvang gewenst vindt, werkt veroordeelde mee aan de indicatiestelling en plaatsing. - Ambulante behandeling (met mogelijkheid tot kortdurende klinische opname) Veroordeelde laat zich aansluitend aan de opname in de zorginstelling behandelen door een nog nader te bepalen forensische polikliniek of een soortgelijke zorgverlener, te bepalen door de reclassering. De behandeling start aansluitend aan het klinische behandeltraject. De behandeling duurt de gehele proeftijd of zoveel korter als de reclassering nodig vindt. Veroordeelde houdt zich aan de huisregels en de aanwijzingen die de zorgverlener geeft voor de behandeling. Gelet op de problematiek kan hieronder ook het innemen van medicijnen vallen, als de zorgverlener dat nodig vindt. Bij een terugval in middelengebruik of verslechtering van het psychiatrische ziektebeeld kan de reclassering een indicatiestelling aanvragen voor een kortdurende opname voor crisisbehandeling, detoxificatie, stabilisatie, observatie of diagnostiek. Als de voor indicatie verantwoordelijke instantie een kortdurende opname indiceert, zal veroordeelde zich, na goedkeuring door de rechter, laten opnemen in een zorginstelling voor zeven weken of zoveel korter als de reclassering nodig vindt. De justitiële instantie die verantwoordelijk is voor plaatsing in forensische zorg, bepaalt in welke zorginstelling de opname plaatsvindt. Veroordeelde houdt zich aan de huisregels en de aanwijzingen die de zorginstelling geeft voor de behandeling. Gelet op de problematiek kan hieronder ook het innemen van medicijnen vallen, als de zorginstelling dat nodig vindt. - Begeleid wonen of maatschappelijke opvang Veroordeelde verblijft in een nog nader te bepalen vorm van begeleid of beschermd wonen of een andere instelling voor beschermd wonen of maatschappelijke opvang, te bepalen door de reclassering. Het verblijf start aansluitend aan de opname in een zorginstelling. Het verblijf duurt de gehele proeftijd of zoveel korter als de reclassering nodig vindt. Veroordeelde houdt zich aan de huisregels en het dagprogramma dat de instelling in overleg met de reclassering voor hem heeft opgesteld. - Locatieverbod (zonder elektronische monitoring) Veroordeelde bevindt zich niet binnen een straal van 500 meter rond de woning van aangever [aangever] , [adres 2] te Amsterdam, zolang het Openbaar Ministerie dit verbod nodig vindt. - Meewerken aan middelencontrole Veroordeelde werkt mee aan controle van het gebruik van alcohol en drugs om het middelengebruik te beheersen. De reclassering kan urineonderzoek en ademonderzoek (blaastest) gebruiken voor de controle. De reclassering bepaalt hoe vaak veroordeelde wordt gecontroleerd. Geeft aan de reclassering de opdracht als bedoeld in artikel 14c, zesde lid, van het Wetboek van Strafrecht toezicht te houden op de naleving van de voorwaarden en de veroordeelde ten behoeve daarvan te begeleiden. Voorwaarden daarbij zijn dat de veroordeelde gedurende de proeftijd - ten behoeve van het vaststellen van zijn identiteit medewerking zal verlenen aan het nemen van een of meer vingerafdrukken of een identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht ter inzage aanbiedt; - medewerking verleent aan het reclasseringstoezicht, bedoeld in artikel 14c, zesde lid, van het Wetboek van Strafrecht, daaronder begrepen de medewerking aan huisbezoeken en het zich melden bij de reclassering zo vaak en zolang als de reclassering dit noodzakelijk acht. Wijst de vordering van de benadeelde partij [aangever] toe tot een bedrag van € 1.500,- (duizend vijfhonderd euro) aan vergoeding van immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente daarover vanaf het moment van het ontstaan van de schade, te weten 1 juli 2024, tot aan de dag van de algehele voldoening. Veroordeelt verdachte tot betaling van het toegewezen bedrag aan [aangever] . Veroordeelt verdachte voorts in de kosten door de benadeelde partij gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog te maken, tot op heden begroot op nihil. Bepaalt dat de benadeelde partij voor het overige niet-ontvankelijk is in zijn vordering. Legt verdachte de verplichting op ten behoeve van [aangever] aan de Staat € 1.500,- (duizend vijfhonderd euro) te betalen, vermeerderd met de wettelijke rente daarover vanaf het moment van het ontstaan van de schade, te weten 1 juli 2024, tot aan de dag van de algehele voldoening. Bij gebreke van betaling en verhaal kan gijzeling worden toegepast voor de duur van 25 dagen. De toepassing van die gijzeling heft de betalingsverplichting niet op. Bepaalt dat, indien en voor zover verdachte aan een van de genoemde betalingsverplichtingen heeft voldaan, daarmee de andere is vervallen. Dit vonnis is gewezen door mr. M.R.J. van Wel, voorzitter, mrs. E.M.M. Gabel en C.M. Degenaar, rechters, in tegenwoordigheid van mr. S.F. Coşkun, griffier, en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank van 24 december 2024. […] […] […] Vgl. HR 17 februari 2009, ECLI:NL:HR:2009:BG1653.