← Nederland

ECLI:NL:RBAMS:2024:9010

vonnis RECHTBANK AMSTERDAM Afdeling Publiekrecht Teams Strafrecht Parketnummer: 13/091362-24 Datum uitspraak: 31 oktober 2024 Vonnis van de rechtbank Amsterdam, meervoudige kamer voor de behandeling van strafzaken, in de zaak tegen: [verdachte] , geboren te [geboorteplaats] ) op [geboortedag 1] 2002, ingeschreven in de Basisregistratie Personen op het adres: [adres] , gedetineerd in de Penitentiaire Inrichting [detentieadres] . 1Het onderzoek ter terechtzitting Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzittingen op 27 juni 2024, 15 augustus 2024 en 17 oktober

  1. De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie, mr. E.M. Meppelink, en van wat verdachte en zijn raadsman, mr. C.C.J. Tuip, naar voren hebben gebracht. 2Tenlastelegging Aan verdachte is – kort gezegd – ten laste gelegd dat hij zich op 15 maart 2024 op Schiphol, gemeente Haarlemmermeer heeft schuldig gemaakt aan: Feit 1: het medeplegen van het opzettelijk telen/bereiden/bewerken/verwerken/ verkopen/afleveren/verstrekken/vervoeren/aanwezig hebben van 416 gram cocaïne; Feit 2: het medeplegen van het voorhanden hebben van een revolver (wapen categorie III); Feit 3: het medeplegen van het voorhanden hebben van munitie (6 patronen - categorie III); Feit 4: het witwassen van meerdere geldbedragen van in totaal € 2.230,-. De volledige tenlastelegging is opgenomen in bijlage I, die aan dit vonnis is gehecht en geldt als hier ingevoegd. 3Voorvragen De raadsman heeft zich ter terechtzitting aangesloten bij het verweer van de raadsman van medeverdachte [medeverdachte 1] , inhoudende dat de dagvaarding nietig is voor zover deze ziet op het onder feit 4 ten laste gelegde, nu het daarin genoemde ‘althans een of meer voorwerpen’ onvoldoende specifiek is en daarmee niet duidelijk is waar de witwasverdenking op ziet. De rechtbank verwerpt dit verweer. In de tenlastelegging onder feit 4 staat het zinsdeel ‘een of meerdere geldbedrag(en) (in totaal ongeveer 2.230 euro), althans een of meer voorwerpen’. Uit het eerste deel van dit zinsdeel blijkt naar het oordeel van de rechtbank dat de witwasverdenking ziet op een geldbedrag. Uit het dossier blijkt dat er een geldbedrag in beslag is genomen. Het dossier biedt verder geen enkel aanknopingspunt om te denken dat de witwasverdenking op enig ander voorwerp zou zien. Daarmee is naar het oordeel van de rechtbank voldoende duidelijk waar het onder feit 4 ten laste gelegde op ziet. De dagvaarding is geldig, deze rechtbank is bevoegd tot kennisneming van de ten laste gelegde feiten en de officier van justitie is ontvankelijk. Er zijn geen redenen voor schorsing van de vervolging. 4Waardering van het bewijs 4.1 Inleiding Op 15 maart 2024 om 01:48 uur rijden verbalisanten op de A13 en zien zij dat een voertuig met kenteken [kenteken] een melding gaf op de Automatic Numberplate Recognition (ANPR). Verbalisanten signaleren het voertuig, dat op dat moment met een snelheid van 180 kilometer per uur rijdt waar 130 kilometer per uur is toegestaan. Het voertuig wordt staande gehouden bij Schiphol. In dat voertuig worden twee personen aangetroffen; medeverdachte [medeverdachte 2] die de bestuurder is en verdachte, die op de passagiersstoel zit. Verbalisant ziet bij deze controle door het raam een blauwe plastic tas en een witte papieren tas op de grond achter de bijrijdersstoel staan. De blauwe tas was gedeeltelijk geopend en gevuld met sealbags die gevuld waren met een witte substantie. Daarop is een verdenking van overtreding van de Opiumwet ontstaan, waarvoor verdachte is aangehouden. Vervolgens is het voertuig doorzocht, waarbij in de achterbank een verborgen ruimte is aangetroffen met daarin (naar later bleek) verdovende middelen en een vuurwapen met bijbehorende munitie. Bij de fouillering van verdachte is een geldbedrag van in totaal € 2.230,- aangetroffen. De vraag die de rechtbank moet beantwoorden, is of verdachte zich samen met een ander heeft schuldig gemaakt aan het overtreden van de Opiumwet en het voorhanden hebben van een vuurwapen en munitie. Ook is de vraag of bewezen kan worden dat verdachte het geldbedrag van € 2.230,- heeft witgewassen. 4.2 Het standpunt van het Openbaar Ministerie De officier van justitie heeft gerekwireerd tot bewezenverklaring van alle feiten. Ten aanzien van de feiten 1, 2 en 3 stelt de officier van justitie dat verdachte wetenschap had van de verdovende middelen en het wapen met munitie en daarover ook de beschikkingsmacht had, nu hij de vaste gebruiker van de auto was, hij ter plaatse aan verbalisanten heeft verklaard dat alles van hem was en gelet op het DNA van verdachte op het vuurwapen. Ten aanzien van feit 4, is het zo dat sprake is van een witwasindicator gelet op de coupures van € 200,- die bij verdachte zijn aangetroffen. Verdachte heeft niet kunnen aantonen dat hij dit geld middels een legale inkomstenbron heeft verkregen en dus kan eenvoudig witwassen worden bewezen. 4.3 Het standpunt van de verdediging De raadsman heeft primair aangevoerd dat verdachte vrijgesproken moet worden van alle ten laste gelegde feiten, subsidiair dat hij vrijgesproken moet worden van het medeplegen van de feiten 1, 2 en
  2. Ten aanzien van feiten 1, 2 en 3 is op basis van het dossier niet komen vast te staan dat verdachte de beschikkingsmacht en wetenschap had over de cocaïne, het wapen en de munitie. De resultaten van het rapport van het TMFI leiden niet tot bewijs dat verdachte op die bewuste datum wetenschap had van de aanwezigheid van deze goederen in het voertuig. Bij feit 1 blijkt ook niet uit het dossier dat het gaat om een hoeveelheid van 416 gram cocaïne; blijkens het NFI-rapport van 8 april 2024 is het nettogewicht 322,69 gram. Ten aanzien van feit 4 heeft verdachte een concrete, verifieerbare en niet op voorhand hoogst onwaarschijnlijke verklaring gegeven voor het geldbedrag; dit heeft verdachte verdiend met zijn werkzaamheden bij een schoonmaakbedrijf. Deze inkomsten heeft hij opgespaard en gepind, om vervolgens de coupures te wisselen voor coupures van € 200,- bij een avondwinkel. Verdachte heeft dit gedaan omdat hij dit stoer vond. Ter onderbouwing hiervan heeft de raadsman ter terechtzitting bankafschriften van verdachte overgelegd. Deze verklaring past ook binnen de resultaten van het financieel onderzoek dat naar verdachte is gedaan door de politie. 4.4 Het oordeel van de rechtbank 4.4.1 Het oordeel over feit 1 De rechtbank is van oordeel dat bewezen kan worden dat verdachte opzettelijk ongeveer 322 gram cocaïne heeft vervoerd. De rechtbank overweegt daartoe als volgt. Uit het dossier blijkt dat verdachte op 15 maart 2024 is aangetroffen in het voertuig als passagier. Uit een proces-verbaal van bevindingen van 15 maart 2024 van verbalisant [verbalisant 1] blijkt dat hij slechts twee dagen daarvoor, op 13 maart 2024, door de politie is geobserveerd als bestuurder van datzelfde voertuig. Verder blijkt uit de getuigenverklaring van [persoon 1] , de vriend van de zus van verdachte, dat het voertuig op naam van [persoon 1] staat maar dat hij deze heeft gekocht voor zijn vriendin [persoon 2] , de zus van verdachte, en hij de auto zelf niet gebruikt. Omdat [persoon 2] geen rijbewijs heeft, heeft zij aan verdachte gevraagd haar in dat voertuig van en naar school te rijden. Volgens [persoon 1] gebruiken ze (de rechtbank begrijpt: [persoon 2] en verdachte) de auto sinds december 2023 toen hij de auto heeft gekocht. Op basis van het bovenstaande stelt de rechtbank vast dat verdachte de (vaste) gebruiker van het voertuig is. Als gebruiker van het voertuig wordt verdachte verondersteld bekend te zijn met de goederen die daarin aanwezig zijn, met name die goederen die worden aangetroffen in een (ogenschijnlijk op professionele wijze aangebrachte) verborgen ruimte. Daar komt bij dat verdachte ter plaatse aan verbalisanten heeft verklaard dat de goederen in de auto van hem zijn en dat medeverdachte [medeverdachte 2] daar niets mee te maken heeft. De latere verklaringen van verdachte dat hij niets zou weten van de cocaïne in de auto, acht de rechtbank – gelet op deze eerdere verklaringen – onaannemelijk. De rechtbank stelt dan ook vast dat verdachte wist van de aanwezigheid van de cocaïne en dat hij daar ook de beschikkingsmacht over had. Met de raadsman is de rechtbank van oordeel dat het niet gaat om het brutogewicht van 416 gram cocaïne maar om het nettogewicht van ongeveer 322 gram. De rechtbank zal dit in de bewezenverklaring verbeteren. De rechtbank acht het medeplegen niet bewezen, nu van de voor medeplegen vereiste nauwe en bewuste samenwerking tussen verdachte en medeverdachte [medeverdachte 2] niet is gebleken. Verdachte zal van dit onderdeel worden vrijgesproken. 4.4.2 Het oordeel over feiten 2 en 3 In aanvulling op bovenstaande feiten en omstandigheden, geldt naar het oordeel van de rechtbank ook het volgende. Uit het proces-verbaal van bevindingen van 15 maart 2024 blijkt dat het in de verborgen ruimte aangetroffen vuurwapen er één betreft van categorie III. Het vuurwapen was geladen en gevuld met zes kogelpatronen die overeenkomen met de in de tenlastelegging genoemde kenmerken en patronen van categorie III. Aan het vuurwapen is vergelijkend DNA-onderzoek verricht. Uit het TMFI-rapport van 4 juni 2024 blijkt dat aan de buitenzijde een DNA-mengprofiel van minimaal drie donoren, van wie zeker één man is aangetroffen. De conclusie van het rapport luidt dat de resultaten van het onderzoek zeer veel waarschijnlijker zijn als de bemonstering DNA van verdachte en twee onbekende personen bevat dan als de bemonstering DNA van drie onbekende personen bevat. Gelet op het bovenstaande – in samenhang bezien met de in rubriek 3.4.1 genoemde feiten en omstandigheden – concludeert de rechtbank dat verdachte wist van de aanwezigheid van het vuurwapen en de munitie in het voertuig en dat hij daar ook de beschikkingsmacht over had. Dat de resultaten van het TMFI-rapport niet kunnen leiden tot de conclusie dat verdachte ook op 15 maart 2024 deze wetenschap en beschikkingsmacht heeft gehad, zoals de raadsman heeft aangevoerd, schuift de rechtbank terzijde gelet op wat zij hierboven heeft overwogen over het vaste gebruik door verdachte van de auto. Daarbij komt dat het dossier ook anderszins geen aanknopingspunten voor de juistheid van deze stelling biedt. Het verweer slaagt niet. De rechtbank acht het medeplegen niet bewezen, nu de voor medeplegen vereiste nauwe en bewuste samenwerking tussen verdachte en medeverdachte [medeverdachte 2] niet is komen vast te staan. Verdachte zal van dit onderdeel worden vrijgesproken. 4.4.3 Het oordeel over feit 4 Juridisch kader De rechtbank stelt voorop dat voor een bewezenverklaring van het in de delictsomschrijving van art. 420bis, eerste lid, onder a en/of b Sr opgenomen bestanddeel "afkomstig uit enig misdrijf", niet is vereist dat uit de bewijsmiddelen moet kunnen worden afgeleid dat het desbetreffende voorwerp afkomstig is uit een nauwkeurig aangeduid misdrijf. Wel is voor een veroordeling ter zake van dit wetsartikel vereist dat vaststaat dat het voorwerp afkomstig is uit enig misdrijf. Dat een voorwerp "afkomstig is uit enig misdrijf", kan, als op grond van de beschikbare bewijsmiddelen geen rechtstreeks verband valt te leggen met een bepaald misdrijf, niettemin bewezen worden geacht, als het op grond van de vastgestelde feiten en omstandigheden niet anders kan zijn dan dat het voorwerp uit enig misdrijf afkomstig is. Als door het Openbaar Ministerie feiten en omstandigheden zijn aangedragen die een vermoeden rechtvaardigen dat het niet anders kan zijn dan dat het voorwerp uit enig misdrijf afkomstig is, mag van de verdachte worden verlangd dat hij een concrete, verifieerbare en niet op voorhand hoogst onwaarschijnlijke verklaring geeft dat het voorwerp niet van misdrijf afkomstig is. De omstandigheid dat deze verklaring van de verdachte mag worden verlangd, houdt niet in dat het aan de verdachte is om aannemelijk te maken dat het voorwerp niet van misdrijf afkomstig is. Als de verdachte zo'n verklaring heeft gegeven, ligt het op de weg van het Openbaar Ministerie nader onderzoek te doen naar die verklaring. Mede op basis van de resultaten van dat onderzoek zal moeten worden beoordeeld of ondanks de verklaring van de verdachte het witwassen bewezen kan worden op de grond dat het niet anders kan zijn dan dat het voorwerp uit enig misdrijf afkomstig is. Als zo'n verklaring is uitgebleven, mag de rechter die omstandigheid betrekken in zijn bewijsoverwegingen. (Vgl. HR 18 december 2018, ECLI:NL:HR:2018:2352.) Beoordeling In onderhavig geval is sprake van een witwasvermoeden, gelet op de omstandigheden waaronder het geldbedrag van € 2.230,- bij verdachte is aangetroffen. Deze omstandigheden bestonden eruit dat verdachte in een voertuig is aangetroffen waarin 322 gram cocaïne en een doorgeladen vuurwapen aanwezig waren. Verdachte is de vaste gebruiker van dit voertuig en is daarin ook eerder gezien. Daarbij komt dat het geldbedrag deels bestond uit coupures van € 200,-, welke ongebruikelijk zijn in het Nederlandse betaalverkeer. Onder deze omstandigheden mag van verdachte een concrete, verifieerbare en niet op voorhand hoogst onwaarschijnlijke verklaring voor de herkomst van dit geld worden verlangd. Verdachte heeft op 18 maart 2024 bij de rechter-commissaris verklaard dat het om zijn spaargeld ging, wat hij heeft verdiend met een baan bij een schoonmaakbedrijf. Dit geld zou hij de week ervoor hebben gepind en wilde hij naar zijn moeder brengen. Ter terechtzitting heeft verdachte verklaard dat hij zijn spaargeld heeft gepind en vervolgens in coupures van € 200,- heeft gewisseld bij een avondwinkel, omdat hij het stoer vond om rond te lopen met zulke coupures. Doorgevraagd naar de naam of verdere gegevens van deze avondwinkel heeft verdachte niet willen noemen. Ter onderbouwing heeft de raadsman ter terechtzitting bankafschriften overgelegd van de betaalrekening van verdachte in twee periodes: in de periode van 1 februari 2024 tot en met 29 februari 2024 en in de periode van 1 juli 2023 tot en met 31 augustus
  3. Uit deze afschriften zou volgens de verdediging blijken dat verdachte in deze periodes bedragen overgemaakt heeft gekregen van een schoonmaakbedrijf en dat hij meerdere grote geldbedragen heeft opgenomen bij geldautomaten. De rechtbank is van oordeel dat deze verklaringen – los van elkaar, maar ook in samenhang bezien – geen concrete, verifieerbare en niet op voorhand hoogst onwaarschijnlijke verklaringen zijn. De overgelegde bankafschriften betreffen voor een deel de periode van juli tot en met augustus
  4. Hoewel op deze bankafschriften inderdaad staat dat verdachte op meerdere momenten in totaal € 8.050,- heeft opgenomen bij geldautomaten, stelt de rechtbank vast dat dit negen maanden voor zijn aanhouding op 15 maart 2024 is geweest. De rechtbank acht alleen al daarom niet aannemelijk dat het geldbedrag dat in de periode juli -augustus 2023 is opgenomen hetzelfde geldbedrag betreft als het bedrag dat op 15 maart 2024 bij verdachte is aangetroffen. Bovendien strookt dit ook niet met zijn verklaring bij de rechter-commissaris dat hij dit bedrag de week ervoor zou hebben gepind. Verder staan in de bankafschriften van de periode februari 2024 geen opnames van (grote) bedragen bij pinautomaten, wat ook niet strookt met deze verklaring. Reeds daarom wordt de verklaring van verdachte niet gestaafd door de overgelegde bankafschriften. Weliswaar blijkt uit het financieel onderzoek van 3 september 2024 wel dat verdachte op 4 en 7 maart 2024 geld heeft opgenomen, maar daarvoor geldt dat door Nederlandse geldautomaten geen bankbiljetten van 200 euro worden uitgegeven. Daar komt bij dat verdachte pas ter terechtzitting – ruim een half jaar na zijn aanhouding – met een nieuwe en niet onderbouwde verklaring is gekomen over het wisselen van de coupures bij een avondwinkel. Gelet op het tijdstip waarop verdachte met deze verklaring is gekomen kon daar niet eerder onderzoek naar worden gedaan. Bovendien heeft verdachte geen verdere gegevens over de avondwinkel kunnen verstrekken zodat enig onderzoek naar deze verklaring ook niet mogelijk is. Zijn eerdere verklaring bij de rechter-commissaris heeft verdachte ter terechtzitting ook niet meer herhaald, wat bijdraagt aan het oordeel dat zijn verklaringen over het geld niet aannemelijk zijn. Conclusie De door verdachte afgelegde verklaringen zijn niet concreet, verifieerbaar en op voorhand hoogst onwaarschijnlijk waardoor het witwasvermoeden niet is weerlegd. De rechtbank komt dan ook tot een bewezenverklaring van het witwassen van het geldbedrag van € 2.230,-. 5Bewezenverklaring De rechtbank acht op grond van de in bijlage II vervatte bewijsmiddelen bewezen dat verdachte: Feit 1: op 15 maart 2024 te Schiphol, gemeente Haarlemmermeer, opzettelijk heeft vervoerd, ongeveer 322 gram cocaïne, zijnde cocaïne een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I; Feit 2: op 15 maart 2024 te Schiphol, gemeente Haarlemmermeer, een wapen van categorie III, onder 1 van de Wet wapens en munitie, te weten een revolver, van het merk Zastava, type M83/92, kaliber .357 magnum, zijnde een vuurwapen in de vorm van een revolver voorhanden heeft gehad; Feit 3: op 15 maart 2024 te Schiphol, gemeente Haarlemmermeer, munitie van categorie III van de Wet wapens en munitie, te weten 6 patronen, kaliber .357 magnum, voorhanden heeft gehad; Feit 4: op 15 maart 2024, te Schiphol, gemeente Haarlemmermeer, een geldbedrag (in totaal 2230 euro) voorhanden heeft gehad, terwijl hij, verdachte, wist dat dat voorwerp - onmiddellijk of middellijk - afkomstig was uit enig misdrijf. Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten staan, zijn deze verbeterd. Verdachte is hierdoor niet in de verdediging geschaad. 6De strafbaarheid van de feiten De bewezen geachte feiten zijn volgens de wet strafbaar. Het bestaan van een rechtvaardigingsgrond is niet aannemelijk geworden. 7De strafbaarheid van verdachte Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit. Verdachte is dan ook strafbaar. 8Motivering van de straffen 8.1 Het standpunt van het Openbaar Ministerie De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte voor de door haar onder 1, 2, 3 en 4 bewezen geachte feiten zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van twintig maanden waarvan zes maanden voorwaardelijk met aftrek van het voorarrest en een proeftijd van twee jaren. Daaraan moeten ook de bijzondere voorwaarden zoals geadviseerd door de reclassering worden gekoppeld. 8.2 Het standpunt van de verdediging De raadsman heeft de rechtbank verzocht om het adolescentenstrafrecht toe te passen. Verdachte heeft tot nu toe verbleven bij [verblijfadres] , welke verblijfplaats werd gefinancierd met een individuele betaalovereenkomst (IBO) vanuit de gemeente. Deze IBO (en dus zijn verblijfplaats) raakt verdachte kwijt als hij volgens het volwassenenstrafrecht wordt veroordeeld. Indien het volwassenenstrafrecht wordt toegepast, heeft de raadsman verzocht om bij de strafmaat expliciet rekening te houden met de jeugdige leeftijd en het psychosociaal functioneren van verdachte. Ook is sprake van eendaadse samenloop tussen feiten 2 en
  5. Verder heeft de raadsman verzocht om bij een bewezenverklaring te komen tot een onvoorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van het voorarrest, eventueel aanvullend met een voorwaardelijke gevangenisstraf en een onvoorwaardelijke taakstraf. Met betrekking tot een voorwaardelijke gevangenisstraf, heeft de raadsman verzocht de door de reclassering geadviseerde bijzondere voorwaarden daaraan te koppelen, met uitzondering van de elektronische monitoring. 8.3 Het oordeel van de rechtbank De hierna te noemen strafoplegging is in overeenstemming met de ernst van het bewezen geachte, de omstandigheden waaronder dit is begaan en de persoon van verdachte, zoals daarvan ter terechtzitting is gebleken. De rechtbank heeft bij de keuze tot het opleggen van een vrijheidsbenemende straf en bij de vaststelling van de duur daarvan in het bijzonder het volgende laten meewegen. Ernst van de feiten Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan vier strafbare feiten. Hij heeft 322 gram cocaïne vervoerd, een revolver en bijbehorende munitie voorhanden gehad en een geldbedrag van € 2.230,- witgewassen. Drugsgebruik vormt een bedreiging voor de volksgezondheid. Het is een feit van algemene bekendheid dat drugs schadelijk zijn voor de volksgezondheid en kunnen leiden tot ernstige verslavingsproblematiek. Bovendien gaat drugshandel doorgaans gepaard met andere ernstige vormen van (gewelds- en vermogens-) criminaliteit, waar ook wapens en munitie onderdeel van uitmaken. Door het handelen van verdachte heeft hij daar ook aan bijgedragen. Witwassen is een ernstig feit dat bijdraagt aan de instandhouding van criminaliteit. Het leidt ertoe dat uit misdrijf verkregen geld een schijnbaar legale herkomst krijgt, waardoor plegers en andere betrokkenen bij de criminaliteit hun illegale verdiensten vrij kunnen besteden en de integriteit van het financiële en economische verkeer wordt aangetast. Gelet op de omstandigheden waaronder de goederen bij verdachte zijn aangetroffen, zijn er indicaties dat dit geld afkomstig is uit drugshandel. De rechtbank rekent dit verdachte aan. Uitgangspunten voor de strafoplegging De rechtbank heeft gekeken naar de oriëntatiepunten voor straftoemeting die rechtbanken hebben vastgesteld (LOVS-oriëntatiepunten). Bij het opzettelijk vervoeren van 322 gram cocaïne geldt een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van drie maanden als uitgangspunt. Het voorhanden hebben van een revolver in een woning leidt in beginsel tot een gevangenisstraf van vier maanden en, als het in de openbare ruimte voorhanden is, tot een gevangenisstraf van acht maanden. Bij het voorhanden hebben van zes patronen wordt uitgegaan van een geldboete van € 150,- tot € 350,-. Tot slot is het uitgangspunt bij het witwassen, waarbij aansluiting bij fraudedelicten wordt gezocht, van een bedrag van € 2.230,- een gevangenisstraf tussen één week en twee maanden. Gelet op deze oriëntatiepunten is de rechtbank van oordeel dat in onderhavig geval in beginsel een onvoorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van tien maanden op zijn plaats is. Persoon van verdachte De rechtbank heeft acht geslagen op het Uittreksel Justitiële Documentatie (het strafblad) van verdachte van 9 september
  6. Hieruit blijkt dat verdachte eerder is veroordeeld wegens overtreding van artikel 2 van de Opiumwet. Daarnaast heeft de rechtbank kennisgenomen van het reclasseringsadvies van 3 oktober 2024, opgesteld door mw. [persoon 3] , en de update van de reclassering die op 14 oktober 2024 per e-mailbericht is toegestuurd. In deze stukken staat, kort samengevat, het volgende. Verdachte is eerder in beeld gekomen wegens het overtreden van de Opiumwet, waardoor gesproken kan worden van een delictpatroon. Aangezien verdachte ontkent, is het niet mogelijk geweest om criminogene factoren vast te stellen. Bij een veroordeling zijn het sociaal netwerk en het psychosociaal functioneren van verdachte mogelijk van invloed geweest op zijn handelen. Mogelijk speelde ook financieel gewin een rol. Gezien de ontkennende houding van verdachte en zijn lage responsiviteit, zou de reclassering kunnen zeggen dat het niet mogelijk is om een plan van aanpak op te stellen, maar gelet op zijn jonge leeftijd wil de reclassering – ondanks de bezwaren – toch een poging wagen tot een samenwerking te komen en (algemene) risico’s te verlagen. Mogelijk heeft verdachte geen verblijfsplaats na zijn detentie, wat onwenselijk is. . In het geval er een passende verblijfplaats voor verdachte is, dan is de reclassering van mening dat er meer zicht op hem zou moeten zijn. Om die reden wordt geadviseerd om elektronische monitoring op te leggen. Daarnaast wordt een CoVa-training geadviseerd. Ook is het van belang dat verdachte openheid geeft over zijn sociaal netwerk, dagbesteding en financiën, dit onder toezicht en begeleiding van de reclassering in het kader van een meldplicht. Adolescentenstrafrecht Ten tijde van het plegen van de strafbare feiten was verdachte eenentwintig jaar oud en dus meerderjarig. Voor een jongvolwassen verdachte onder de 23 jaar kan ook het jeugdstrafrecht worden toegepast als sprake is van omstandigheden gelegen in de persoon van verdachte of in de omstandigheden waaronder het feit is gepleegd die daartoe aanleiding geven. De reclassering heeft in het hiervoor genoemde advies geadviseerd tot toepassing van het volwassenenstrafrecht. Hoewel er enige aanwijzingen zijn voor het toepassen van het jeugdstrafrecht, zoals de beperkte handelingsvaardigheden van verdachte, lijken de mogelijkheden voor pedagogische beïnvloeding van verdachte uitgeput en wordt zijn justitiële voorgeschiedenis steeds langer. Uit verdiepingsdiagnostiek blijkt dat er geen sprake is van een lichtverstandelijke beperking en bij een veroordeling concludeert de reclassering dat eerder justitieel ingrijpen onvoldoende effect op verdachte heeft gehad. De rechtbank zal toepassing geven aan het volwassenenstrafrecht. Hoewel verdachte een jeugdige indruk op de rechtbank maakt, ziet de rechtbank – gelet op het reclasseringsadvies – geen aanleiding om het adolescentenstrafrecht toe te passen. Dat verdachte als gevolg van afspraken over de financiering tussen diverse instanties dan mogelijk zijn woonvoorziening zal verliezen, is geen grond voor toepassing van het adolescentenstrafrecht. Strafoplegging Bij de strafoplegging houdt de rechtbank rekening met de eendaadse samenloop van feiten 2 en
  7. Alles afwegende, zal de rechtbank een gevangenisstraf voor de duur van tien maanden opleggen waarvan twee maanden voorwaardelijk met aftrek van het voorarrest en met een proeftijd van twee jaren. Gelet op de mededeling van de raadsman ter terechtzitting dat recent door het gerechtshof Amsterdam in een andere zaak aan verdachte reclasseringstoezicht en bijbehorende bijzondere voorwaarden zijn opgelegd, zal de rechtbank dat in deze zaak niet doen om te voorkomen dat de verschillende hulpverleningstrajecten elkaar zullen doorkruisen. 9Beslag Onder verdachte zijn de volgende voorwerpen in beslag genomen: € 2.230,- (goednummer: 1584785); één personenauto (Volkswagen kenteken [kenteken] , goednummer: 1584783). De raadsman heeft de rechtbank verzocht het geldbedrag te doen teruggeven aan verdachte, gelet op het pleidooi tot vrijspraak van het onder feit 4 tenlastegelegde witwassen. De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat het geldbedrag moet worden verbeurd verklaard. Met betrekking tot de auto, heeft de officier van justitie ter zitting te kennen gegeven dat deze niet op de beslaglijst in de zaak van verdachte hoort te staan omdat over de auto inmiddels in een rekestprocedure is beslist dat deze (op de daarin genoemde voorwaarde dat de verborgen ruimte wordt verwijderd) terug kan naar de rechthebbende. . De rechtbank zal – gelet op de mededeling van de officier van justitie – geen beslissing nemen over de inbeslaggenomen auto. Verbeurdverklaring Het voorwerp onder nummer 1 behoort aan verdachte toe. Nu met betrekking tot dit voorwerp het onder feit 4 bewezen geachte is verkregen, wordt dit voorwerp verbeurdverklaard. 10Toepasselijke wettelijke voorschriften De op te leggen straffen zijn gegrond op de artikelen 14a, 14b, 14c, 33, 33a, 55, 57 en 420bis van het Wetboek van Strafrecht, de artikelen 2 en 10 van de Opiumwet en de artikelen 26 en 55 van de Wet wapens en munitie. 11Beslissing De rechtbank komt op grond van het voorgaande tot de volgende beslissing. Verklaart bewezen dat verdachte het onder 1, 2, 3 en 4 ten laste gelegde heeft begaan zoals hiervoor in rubriek 4 is vermeld. Verklaart niet bewezen wat aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor is bewezen verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij. Het bewezen verklaarde levert op: Ten aanzien van feit 1: het opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 2 onder B van de Opiumwet gegeven verbod; Ten aanzien van feit 2 en 3: De eendaadse samenloop van: handelen in strijd met artikel 26, eerste lid, van de Wet wapens en munitie en het feit begaan met betrekking tot een vuurwapen van categorie III; en handelen in strijd met artikel 26, eerste lid, van de Wet wapens en munitie; Ten aanzien van feit 4: witwassen. Verklaart het bewezene strafbaar. Verklaart verdachte, [verdachte], daarvoor strafbaar. Veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 10 (tien) maanden. Beveelt dat de tijd die door veroordeelde voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en in voorlopige hechtenis is doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van die straf in mindering gebracht zal worden. Bepaalt dat een gedeelte, groot 2 (twee) maanden, van deze gevangenisstraf niet ten uitvoer gelegd zal worden, tenzij later anders wordt bevolen. Stelt daarbij een proeftijd van 2 (twee) jaren vast. De tenuitvoerlegging kan worden bevolen als de veroordeelde zich voor het einde van de proeftijd schuldig maakt aan een strafbaar feit. Verklaart verbeurd: - € 2.230,- ( goednummer: 1584785). Heft op het bevel tot voorlopige hechtenis van verdachte met ingang van het tijdstip waarop de duur van de voorlopige hechtenis gelijk wordt aan die van het onvoorwaardelijk gedeelte van de opgelegde vrijheidsstraf. Dit vonnis is gewezen door mr. J.P.W. Helmonds, voorzitter, mr. A.R.P.J. Davids en mr. J.E. van Bruggen, rechters, in tegenwoordigheid van mr. Ç.H. Dede, griffier, en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank van 31 oktober
  8. [...] [...] [...] [...]

🔗 Naar officiële bron

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.