vonnis RECHTBANK AMSTERDAM Afdeling Publiekrecht Teams Strafrecht Parketnummer: 13/244779-23 Datum uitspraak: 25 juli 2024 Verkort vonnis van de rechtbank Amsterdam, meervoudige kamer voor de behandeling van strafzaken, in de zaak tegen: [verdachte] , geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag 1] 1974, ingeschreven in de Basisregistratie Personen op het adres: [adres 1] . 1Het onderzoek ter terechtzitting Dit verkort vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van 11 juli
- De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie, mr. B. ter Steege, en van wat verdachte en haar raadsvrouw, mr. L. Snel, naar voren hebben gebracht. 2Tenlastelegging Aan verdachte is ten laste gelegd dat: zij op omstreeks de periode van 15 augustus 2023 tot en met 24 september 2023 te [plaats] , in elk geval in Nederland, wederrechtelijk stelselmatig opzettelijk inbreuk heeft gemaakt op eens anders persoonlijke levenssfeer, te weten die van [slachtoffer] , door: - ( meermaals) langs te gaan bij het huis van voornoemde [slachtoffer] en/of daar aan te bellen en/of op de ramen te kloppen en/of te roepen dat zij een afspraak met voornoemde [slachtoffer] heeft en/of dat voornoemde [slachtoffer] open moet doen en/of - eenmaal of meermalen voorwerpen en/of geschreven teksten door de brievenbus van voornoemde [slachtoffer] te doen en/of - eenmaal of meermalen langs te gaan bij het werk van voornoemde [slachtoffer] en/of daar naar voornoemde [slachtoffer] te informeren en/of voornoemde [slachtoffer] op te wachten, met het oogmerk die [slachtoffer] , te dwingen iets te doen, niet te doen, te dulden en/of vrees aan te jagen. 3Waardering van het bewijs 3.1 Het standpunt van het openbaar ministerie De officier van justitie heeft gerekwireerd tot bewezenverklaring van het ten laste gelegde. Uit het dossier blijkt dat verdachte binnen een periode van een paar weken op verschillende momenten bij de woning van aangever is geweest en daar heeft aangebeld en aangeklopt. Ook heeft ze spullen door de brievenbus gedaan. Verder is ze een enkele keer naar het werk van aangever gegaan. Met voornoemde handelingen heeft zij wederrechtelijk stelselmatig inbreuk gemaakt op de persoonlijke levenssfeer van aangever, waarmee zij heeft beoogd hem te dwingen een afspraak met haar te hebben. 3.2 Het standpunt van de verdediging De raadsvrouw heeft bepleit dat verdachte moet worden vrijgesproken van het ten laste gelegde en heeft daartoe het volgende aangevoerd. Voor slechts vijf van de acht, in de aangifte beschreven, incidenten waarbij verdachte betrokken zou zijn geweest, is voldoende bewijs in het dossier. Er is onvoldoende steunbewijs voor de vermeende incidenten op 16, 17, 21 en 26 augustus 2023 en dus dient uit te worden gegaan van slechts vijf incidenten. Primair heeft de raadsvrouw bepleit dat verdachte slechts ten aanzien van het laatste, bewijsbare incident, namelijk op 24 september 2023, (voorwaardelijk) opzet heeft gehad. Gelet op jurisprudentie kan pas worden gesproken van opzet vanaf het moment dat de verdachte bekend is geworden met het feit dat het slachtoffer geen contact wil. Omdat de politie op 28 augustus 2023 een stop-gesprek met verdachte heeft gevoerd, wist verdachte dit pas vanaf die datum. Dat betekent dat ten aanzien van alle bewijsbare incidenten vóór deze datum geen (voorwaardelijk) opzet aan de zijde van verdachte kan worden vastgesteld. Dit heeft tot gevolg dat zij slechts ten aanzien van een enkel incident (voorwaardelijk) opzet heeft gehad, wat onvoldoende is voor de vaststelling dat sprake is geweest van stelselmatig handelen. Subsidiair heeft de raadsvrouw zich op het standpunt gesteld dat, zelfs als ervan wordt uitgegaan dat alle acht incidenten bewijsbaar zijn, deze op grond van het aantal incidenten te weinig ernstig van aard, van te korte duur, te weinig frequent en in te beperkte mate inbreuk maakten op de persoonlijke levenssfeer van aangever, waardoor ook in dat geval geen sprake is geweest van stelselmatig handelen. Ook dan moet verdachte worden vrijgesproken. 3.3 Het oordeel van de rechtbank 3.3.1 De acht incidenten en het steunbewijs De rechtbank ziet voldoende wettig en overtuigend bewijs voor alle acht incidenten in de periode van 15 augustus 2023 tot en met 24 september 2023, die genoemd zijn in de aangifte. In de eerste plaats heeft verdachte ter terechtzitting verklaard meerdere keren bij de woning van aangever en eenmaal bij zijn werk te zijn geweest, omdat zij ervan overtuigd is dat zij via het sociale mediaplatform X telkens een afspraak met hem had gemaakt. Daarvoor heeft zij elke keer de trein vanuit Apeldoorn naar [plaats] genomen; iets wat zij – naar eigen zeggen – niet had gedaan als ze niet daadwerkelijk een afspraak met aangever had gehad. Verder heeft zij verklaard dat zij inderdaad de persoon is die op verschillende bij de aangifte gevoegde foto’s en videobeelden te zien is, die zijn genomen voor de woning van aangever. Ook heeft zij verklaard dat zij de in de aangifte genoemde voorwerpen door de brievenbus van aangever heeft gegooid. Naast deze verklaring van verdachte, wordt de aangifte ook voldoende ondersteund door de verschillende foto’s en screenshots van een deurbelcamera die zijn bijgevoegd en het proces-verbaal van bevindingen waarin de mutaties zijn beschreven die zijn opgemaakt naar aanleiding van meldingen van aangever. Dat niet voor elk afzonderlijk incident camerabeelden of ander bewijsmateriaal beschikbaar is, doet aan het voorgaande niet af. De rechtbank zal dus ten aanzien van alle acht incidenten in de ten laste gelegde periode beoordelen of deze in samenhang bezien een strafbare belaging opleveren. 3.3.2 De beoordeling De tenlastelegging is toegesneden op artikel 285b, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht (hierna: Sr). Voor een bewezenverklaring van belaging als bedoeld in artikel 285b, eerste lid, Sr moet er sprake zijn van een stelselmatige en wederrechtelijke inbreuk op iemands persoonlijke levenssfeer. Bij de beoordeling van het begrip ‘stelselmatig’ zijn de aard, de duur, de frequentie en de intensiteit van de gedragingen van de verdachte van belang, alsmede de omstandigheden waaronder deze hebben plaatsgevonden en de invloed daarvan op het persoonlijk leven en de persoonlijke vrijheid van het slachtoffer. Het kan daarbij gaan om herhaling van dezelfde activiteit, maar ook om het samenstel van een variëteit aan gedragingen. Niet vereist is dat het slachtoffer ten gevolge van de inbreuk op zijn of haar persoonlijke levenssfeer iets heeft gedaan of nagelaten wat hij of zij zonder die inbreuk niet zou hebben gedaan, mits in het algemeen de inbreuk geschikt en geëigend is een bepaalde opstelling teweeg te brengen. Het oogmerk om te dwingen iets te dulden kan volgen uit de bewezenverklaarde handelingen waaruit kan worden afgeleid dat het slachtoffer geen keuze wordt gelaten in het al dan niet aanvaarden van contact met de belager. De rechtbank verwerpt het primaire verweer van de raadsvrouw dat slechts vanaf het stop-gesprek op 23 augustus 2023 sprake kan zijn geweest van (voorwaardelijk) opzet bij verdachte. De opvatting dat een in artikel 285b Sr omschreven gedraging pas als een inbreuk op de persoonlijke levenssfeer van een ander kan worden aangemerkt als die ander voorafgaand aan de gedraging aan de verdachte kenbaar heeft gemaakt geen contact te willen is, gelet op vaste jurisprudentie van de Hoge Raad, onjuist. De rechtbank stelt dan ook vast dat verdachte in de gehele periode van 15 augustus 2023 tot en met 24 september 2023 op zijn minst voorwaardelijk opzet heeft gehad op het maken van een inbreuk op de persoonlijke levenssfeer van aangever. Anders dan verdachte heeft gesteld, ziet de rechtbank geen aanknopingspunten in het dossier dat verdachte en aangever elkaar kenden en dat zij een afspraak hadden voor een ontmoeting. Door zonder afspraak langs te gaan bij de woning van de aangever, aan te bellen, op de deur en ramen te bonken, naar hem te roepen en diverse voorwerpen en indringende briefjes door de brievenbus van aangever te doen, heeft verdachte bewust de aanmerkelijke kans aanvaard dat zij met haar gedrag een dergelijke inbreuk maakte. Dat verdachte ervan overtuigd was dat zij een (virtuele) relatie had met aangever, maakt dat niet anders. Ook het subsidiaire verweer van de raadsvrouw wordt verworpen. Verdachte heeft binnen een periode van enkele weken meermaals bij de woning van verdachte aangebeld, op de ramen en deur gebonkt, geroepen dat verdachte naar buiten moest komen en verschillende voorwerpen door de brievenbus gedaan (waaronder briefjes met pikante teksten, een slip en condooms). Ook is ze naar zijn werk toegegaan en heeft daar wederom geroepen dat ze verdachte wilde zien. Deze gedragingen kunnen naar hun aard, duur, frequentie en intensiteit worden gekwalificeerd als stelselmatige handelingen. Zoals gezegd doet het feit dat aangever zijn leven daardoor niet op een andere manier is gaan indelen, daar niet aan af. Verdachte heeft verklaard dat zij hiermee probeerde een afspraak met aangever te bewerkstelligen. Daarmee staat vast dat zij heeft beoogd aangever te dwingen een afspraak met haar te hebben of dit te dulden. De rechtbank komt dus tot een bewezenverklaring van de tenlastegelegde belaging. 4Bewezenverklaring De rechtbank acht bewezen dat verdachte: in de periode van 15 augustus 2023 tot en met 24 september 2023 te [plaats] wederrechtelijk stelselmatig opzettelijk inbreuk heeft gemaakt op eens anders persoonlijke levenssfeer, te weten die van [slachtoffer] , door:- meermaals langs te gaan bij het huis van voornoemde [slachtoffer] en daar aan te bellen en op de ramen te kloppen en/of te roepen dat zij een afspraak met voornoemde [slachtoffer] heeft en dat voornoemde [slachtoffer] open moet doen en - meermalen voorwerpen en geschreven teksten door de brievenbus van voornoemde [slachtoffer] te doen en - eenmaal langs te gaan bij het werk van voornoemde [slachtoffer] en daar naar voornoemde [slachtoffer] te informeren en voornoemde [slachtoffer] op te wachten, met het oogmerk die [slachtoffer] , te dwingen iets te doen en/of te dulden. 5Het bewijs De rechtbank grondt haar beslissing dat verdachte het bewezen geachte heeft begaan op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat. Indien tegen dit verkort vonnis hoger beroep wordt ingesteld, worden de door de rechtbank gebruikte bewijsmiddelen die redengevend zijn voor de bewezenverklaring opgenomen in een aanvulling die aan het verkort vonnis wordt gehecht. 6De strafbaarheid van het feit Het bewezen geachte feit is volgens de wet strafbaar. Het bestaan van een rechtvaardigingsgrond is niet aannemelijk geworden. 7De strafbaarheid van verdachte Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit. Verdachte is dan ook strafbaar. 8Motivering van de straffen 8.1 Het standpunt van het openbaar ministerie De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte ter zake van het door hem bewezen geachte feit zal worden veroordeeld tot een taakstraf van 150 uren met aftrek van het voorarrest. Daarnaast moet aan verdachte een geheel voorwaardelijke gevangenisstraf van één maand, met een proeftijd van twee jaren en de door de reclassering geadviseerde bijzondere voorwaarden worden opgelegd. 8.2 Het standpunt van de verdediging De raadsvrouw heeft de rechtbank verzocht om, indien zij tot een bewezenverklaring komt, rekening te houden met de volgende omstandigheden bij de strafmaat. Er is sprake van een onherstelbaar vormverzuim in de zin van artikel 359a van het Wetboek van Strafvordering (hierna: Sv) nu aan haar niet de cautie is medegedeeld op 24 september 2023 terwijl toen wel sprake was van een verhoorsituatie. Dit dient te leiden tot strafverlaging. Verder komt uit het dossier een beeld naar voren van een (psychisch) kwetsbare verdachte. Verdachte heeft zich tijdens de schorsing van de voorlopige hechtenis goed gehouden aan de daarbij behorende bijzondere voorwaarden. Uit het reclasseringsadvies blijkt niet waarom een meldplicht en een verplichting tot ambulante behandeling noodzakelijk zouden zijn. Tot slot is van belang dat verdachte drie dagen in voorarrest heeft gezeten, wat een grote impact op haar heeft gehad. 8.3 Het oordeel van de rechtbank De hierna te noemen strafoplegging is in overeenstemming met de ernst van het bewezen geachte, de omstandigheden waaronder dit is begaan en de persoon van verdachte, zoals van een en ander ter terechtzitting is gebleken. Ernst van het feit Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan belaging van het slachtoffer door hem gedurende een periode van meerdere weken stelselmatig bij zijn woning en bij zijn werk op te zoeken, op de ramen en deur te bonken, te roepen dat hij naar buiten moest komen en door verschillende voorwerpen door de brievenbus te gooien. Hiermee heeft zij herhaaldelijk inbreuk gemaakt op de persoonlijke levenssfeer van het slachtoffer. Dergelijke feiten brengen gevoelens van angst bij het slachtoffer teweeg (en in dit geval, ook bij zijn dochter die alleen thuis was op het moment dat verdachte daar aanbelde). Persoon van verdachte De rechtbank heeft acht geslagen op het Uittreksel Justitiële Documentatie (het strafblad) van verdachte van 17 juni
- Hieruit blijkt dat verdachte niet eerder is veroordeeld voor enig strafbaar feit. Daarnaast heeft de rechtbank gekeken naar het reclasseringsadvies van 12 juni 2024, opgesteld door [persoon] , reclasseringswerker. Hieruit blijkt, kort samengevat, het volgende. Er is geen sprake van een delictpatroon aangezien verdachte niet eerder werd veroordeeld voor een soortgelijk delict. Aangezien verdachte zich in haar eigen wereld/waarheid lijkt te bevinden, zij weinig openheid van zaken wil geven over haar leefomstandigheden en geen toestemming gaf referenten te raadplegen, is het moeilijk goed onderzoek te doen. Ze is niet onderzocht door het NIFP en ook (diagnostisch) onderzoek en behandeling door GGNet kwam niet van de grond. Hierdoor is er geen duidelijkheid gekomen over de psychische gesteldheid van verdachte, welke een bepalende factor lijkt te hebben gespeeld bij het ten laste gelegde. Hierdoor is niet mogelijk een gedegen inschatting te maken van het recidiverisico. De afgelopen maanden hield verdachte zich aan de bijzondere voorwaarden in het kader van de schorsing van de preventieve hechtenis. Ze stelde zich veelal meewerkend op, behalve dan dat zij geen toestemming gaf (aan de reclassering en GGNet) om referenten uit haar omgeving te raadplegen en zij weinig concrete informatie verschafte over haar omstandigheden. Verdachte heeft eigen huisvesting, er is sprake van een stabiel inkomen, voor zover bekend zijn er geen financiële schulden en gebruikt zij beperkt alcohol en geen drugs. Interventies gericht op gedragsverandering hebben tot op heden geen meerwaarde gehad. Mogelijk dat een behandelsetting die meer outreachend te werk gaat wel een ingang voor behandeling bij verdachte weet te vinden. De risicobeheersende interventies zouden ervoor kunnen zorgen dat verdachte de komende tijd geen contact opneemt met aangever en dat zij zich niet in zijn leefomgeving begeeft. Het risico op recidive kan niet worden ingeschat. De risico’s op letsel en onttrekking aan voorwaarden worden beide ingeschat als laag. De reclassering adviseert om aan verdachte een deels voorwaardelijke straf op te leggen met daarbij de volgende bijzondere voorwaarden: een meldplicht, ambulante behandeling, een contactverbod met het slachtoffer en een locatieverbod voor de gemeente [plaats] . Strafoplegging Nu de raadsvrouw niet heeft gesteld en onderbouwd welk concreet nadeel verdachte heeft geleden doordat zij op 24 september 2023 niet de cautie heeft gekregen, is niet voldaan aan de bij artikel 359a Sv behorende extra zware stelplicht. De rechtbank passeert dit verweer dan ook zonder nadere motivering. Alles afwegende, komt de rechtbank tot de volgende straffen. Uit het reclasseringsadvies en het verhandelde ter terechtzitting, heeft de rechtbank sterk de indruk gekregen dat verdachte aan psychische problemen lijdt die van invloed zijn geweest op het bewezen geachte feit. Daarnaast is de rechtbank duidelijk geworden dat verdachte het kwalijke van haar handelen niet inziet en nog steeds in de veronderstelling is dat zij daadwerkelijk een relatie had met het slachtoffer. De rechtbank ziet hierin aanleiding om een geheel voorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van één maand, met een proeftijd van twee jaren en de door de reclassering geadviseerde bijzondere voorwaarden op te leggen. Daarbij geldt dat de ambulante behandeling slechts zal worden toegepast indien de reclassering van oordeel is dat dit noodzakelijk is. Daarnaast wordt het gebied waarin verdachte zich niet mag bevinden beperkt tot een straal van één kilometer om de woning van het slachtoffer heen, nu een locatieverbod voor de gehele gemeente Amsterdam de rechtbank disproportioneel en onnodig voorkomt. De rechtbank hoopt dat deze voorwaardelijke straf verdachte ervan weerhoudt om opnieuw contact te zoeken met het slachtoffer. Verder wordt aan verdachte een taakstraf van 40 uren opgelegd. Mede gelet op de psychische kwetsbaarheid van verdachte acht de rechtbank de door de officier van justitie gevorderde taakstraf van 150 uren te hoog. Beslag: verbeurdverklaring De volgende goederen zijn in beslag genomen: 9 boeken (goednummer: 6417848); 1 hockeystick (goednummer: 6417888); 1 kledingstuk (goednummer: 6417909); 10 stuks voorbehoedsmiddelen (goednummer: 6417910). De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de goederen dienen te worden onttrokken aan het verkeer. De raadsvrouw heeft verzocht de goederen terug te doen geven aan verdachte. Alle hierboven beschreven in beslag genomen en niet teruggegeven voorwerpen die aan verdachte toebehoren, dienen te worden verbeurd verklaard en zijn daarvoor vatbaar, aangezien met behulp van die voorwerpen het bewezen geachte is begaan. 9Toepasselijke wettelijke voorschriften De op te leggen straffen zijn gegrond op de artikelen 9, 14a, 14b, 14c, 22c, 22d, 33, 33a en 285b van het Wetboek van Strafrecht. 10Beslissing De rechtbank komt op grond van het voorgaande tot de volgende beslissing. Verklaart bewezen dat verdachte het ten laste gelegde heeft begaan zoals hiervoor in rubriek 4 is vermeld. Verklaart niet bewezen hetgeen aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor is bewezen verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij. Het bewezen verklaarde levert op: belaging. Verklaart het bewezene strafbaar. Verklaart verdachte, [verdachte] , daarvoor strafbaar. Veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf van 1 (één) maand. Bepaalt dat deze straf niet ten uitvoer gelegd zal worden, tenzij later anders wordt gelast. Stelt daarbij een proeftijd van 2 (twee) jaren vast. De tenuitvoerlegging kan worden bevolen als de veroordeelde zich voor het einde van de proeftijd schuldig maakt aan een strafbaar feit. De tenuitvoerlegging kan ook worden bevolen als verdachte gedurende de proeftijd niet aan de hierna vermelde bijzondere voorwaarden voldoet. Meldplicht: Verdachte meldt zich op binnen drie werkdagen na het ingaan van de proeftijd bij Reclassering Nederland op het adres [adres 2] . Verdachte blijft zich melden op afspraken met de reclassering, zo vaak en zolang de reclassering dat nodig vindt; Ambulante behandeling: Verdachte laat zich – indien dit noodzakelijk wordt geacht door de reclassering – behandelen door GGNet of Transfore (Fact-team) of een soortgelijke zorgverlener, te bepalen door de reclassering. De behandeling duurt de gehele proeftijd of zoveel korter als de reclassering nodig vindt. Verdachte houdt zich aan de huisregels en de aanwijzingen die de zorgverlener geeft voor de behandeling; Contactverbod: Verdachte heeft of zoekt op geen enkele wijze – direct of indirect – contact met [slachtoffer] , geboren [geboortedag 2] 1965, zolang het Openbaar Ministerie dit verbod nodig vindt; Locatieverbod: Verdachte bevindt zich niet binnen een straal van één kilometer om het huis van [slachtoffer] (adres: [adres 3] ), zolang het Openbaar Ministerie dit verbod nodig vindt. Geeft aan de reclassering de opdracht als bedoeld in artikel 14c, zesde lid, van het Wetboek van Strafrecht toezicht te houden op de naleving van de voorwaarden en verdachte ten behoeve daarvan te begeleiden. Voorwaarden daarbij zijn dat verdachte gedurende de proeftijd ten behoeve van het vaststellen van haar identiteit medewerking zal verlenen aan het nemen van een of meer vingerafdrukken of een identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht ter inzage aanbiedt; medewerking verleent aan het reclasseringstoezicht, bedoeld in artikel 1 4c, zesde lid, van het Wetboek van Strafrecht, daaronder begrepen de medewerking aan huisbezoeken en het zich melden bij de reclassering zo vaak en zolang als de reclassering dit noodzakelijk acht. Veroordeelt verdachte tot een taakstraf van 40 (veertig) uren, met bevel, voor het geval dat de verdachte de taakstraf niet naar behoren heeft verricht, dat vervangende hechtenis zal worden toegepast van 20 (twintig) dagen. Beveelt dat de tijd die door veroordeelde voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en in voorlopige hechtenis is doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van die straf in mindering gebracht zal worden. Verklaart verbeurd: 9 boeken (goednummer: 6417848); 1 hockeystick (goednummer: 6417888); 1 kledingstuk (goednummer: 6417909); 10 stuks voorbehoedsmiddelen (goednummer: 6417910). Heft op het geschorste bevel tot voorlopige hechtenis. Dit vonnis is gewezen door mr. G.M. Beunk, voorzitter, mr. E. van den Brink en mr. M.F.A.M. Smeets, rechters, in tegenwoordigheid van mr. Ç.H. Dede, griffier, en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank van 25 juli
- Hoge Raad 2 juni 2015, ECLI:NL:HR:2015:1447.