← Nederland

ECLI:NL:RBAMS:2024:9027

RECHTBANK Amsterdam Civiel recht Kantonrechter Zaaknummer: 10989861 KK EXPL 24-186 Vonnis in kort geding van 8 mei 2024 in de zaak van de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid WESTHEIMER EXPLOITATIEMAATSCHAPPIJ B.V., gevestigd te Amsterdam, eiseres, hierna te noemen: Westheimer, gemachtigde mr. D.P. van den Bergh tegen [gedaagde], wonende te [woonplaats] , gedaagde, hierna te noemen: [gedaagde] procederend in persoon. 1De procedure 1.

  1. Het verloop van de procedure blijkt uit: - de dagvaarding, - de mondelinge behandeling van 17 april 2024, waarvan door de griffier aantekeningen zijn gemaakt. Op 17 april 2024 zijn verschenen: mevrouw [naam] namens Westheimer, met de gemachtigde en [gedaagde] in persoon. Na de mondelinge behandeling is de zaak aangehouden tot 1 mei 2024, teneinde partijen in staat te stellen schriftelijke afspraken over de te verwijderen spullen te maken. Daarna zijn e-mails overgelegd van Westheimer en [gedaagde] . 2De feiten 2.
  2. [gedaagde] huurt al 30 jaar van (de rechtsvoorganger van) Westheimer de woonruimte aan de [adres] . 2.
  3. Westheimer heeft [gedaagde] sinds 2017 herhaaldelijk verzocht zijn spullen te verwijderen uit de gemeenschappelijke ruimten: trappenhuis, overloop bij de zolders, zolderruimte en platte dak. In januari en april 2023 is [gedaagde] opnieuw schriftelijk gesommeerd binnen 10 dagen zijn spullen te verwijderen. De sommatie heeft niet het gewenste resultaat gehad. 2.
  4. Bij brief van 25 januari 2024 heeft Westheimer aan [gedaagde] geschreven dat eerdere sommatiebrieven geen effect hebben gehad, en de situatie sindsdien juist is verergerd. In de brief wordt [gedaagde] opnieuw gesommeerd uiterlijk binnen 7 dagen zijn spullen uit de gemeenschappelijke ruimten en van het platte dak te verwijderen. In de brief is een kort geding aangekondigd, mocht [gedaagde] niet aan de sommatie voldoen. 2.
  5. Op foto’s die Westheimer heeft gemaakt in november 2023 is te zien dat veel spullen, waaronder planten in een trappenhuis staan. Ook zijn spullen/planten op een plat dak zichtbaar. 3Het geschil 3.
  6. Westheimer vordert, samengevat:- primair: [gedaagde] te bevelen de goederen te verwijderen in de verkeersruimtes van het pand waartoe de woning behoort, op verbeurte van een dwangsom van € 1.000,- voor iedere keer dat [gedaagde] zich niet aan dit bevel houdt, en Westheimer te machtigen om bij overtreding van het bevel iedere keer de goederen op kosten van [gedaagde] te verwijderen, - subsidiair: het gehuurde voorwaardelijk te ontruimen voor het geval [gedaagde] niet aan het verwijderingsbevel voldoet, dan wel een in goede justitie te bepalen regeling te treffen, alles met veroordeling van [gedaagde] in de proceskosten. 3.
  7. Westheimer legt aan de vordering ten grondslag dat [gedaagde] in de gemeenschappelijk ruimten en op het platte dak spullen bewaard die daar niet horen en vanwege de brandveiligheid niet kunnen blijven staan. [gedaagde] is hier al vaak op aangesproken en is gesommeerd de spullen te verwijderen, maar voldoet niet aan die sommatie. 3.
  8. [gedaagde] voert aan dat inmiddels veel spullen zijn verwijderd en dat hij bereid is op verzoek meer te verwijderen. [gedaagde] voelt zich onder druk gezet door Westheimer. Hij wil meewerken aan een vrije doorgang, maar voert aan dat daarvoor misschien niet alle spullen weg hoeven. Soms dient hij even kort iets neer te zetten, bijvoorbeeld een fiets, en dat moet mogelijk blijven. 3.
  9. Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan. 4De beoordeling 4.
  10. Het gaat hier om een in kort geding gevorderde voorlopige voorziening. De rechter moet daarom eerst beoordelen of Westheimer ten tijde van dit vonnis bij die voorziening een spoedeisend belang heeft. Daarnaast geldt dat de rechter in dit kort geding moet beoordelen of de vorderingen in de bodemprocedure een zodanige kans van slagen hebben, dat vooruitlopend daarop toewijzing van de voorlopige voorziening gerechtvaardigd is. Als uitgangspunt geldt bovendien dat in deze procedure geen plaats is voor bewijslevering. 4.
  11. Westheimer wil dat [gedaagde] zijn spullen uit de gemeenschappelijke ruimten en van het platte dak verwijderd. Westheimer heeft hierbij belang omdat het trappenhuis bij brand een vluchtweg is, en een vrije doorgang essentieel is. Ook de verzekering eist dat het gebouw waarin de woning zich bevindt voldoet aan de eisen. Deze belangen van Westheimer wegen zwaar. 4.
  12. Tijdens de behandeling is door Westheimer met [gedaagde] afgesproken dat Westheimer op korte termijn met [gedaagde] de gemeenschappelijke ruimten bij het gehuurde zal bezichtigen en schriftelijke afspraken zullen vastleggen over de spullen die moeten worden verwijderd. [gedaagde] heeft zich bereid verklaard hieraan mee te werken. Uiterlijk 1 mei 2024 zou Westheimer aan de kantonrechter laten weten of de afspraken gemaakt zijn. 4.
  13. Uit de correspondentie daarna blijkt dat ondanks meerdere pogingen van Westheimer geen gezamenlijke bezichtiging heeft plaatsgevonden en geen afspraken op papier zijn gemaakt. [gedaagde] heeft per e-mail van 30 april 2024 laten weten dat hij zich op het moment van de geplande bezichtiging had verslapen. Hij schrijft dat hij desondanks zijn best heeft gedaan spullen uit de gemeenschappelijke ruimten te verwijderen en heeft daarvan foto’s overgelegd. Westheimer heeft bij e-mail van 1 mei 2024 laten weten dat de overgelegde foto’s niet overtuigen omdat niet alle relevante ruimten te zien zijn, en verzoekt vonnis te wijzen. 4.
  14. Overwogen wordt als volgt. Westheimer heeft als verhuurder belang bij naleving van het Bouwbesluit, het voorkomen van brandgevaar, een goede vluchtdoorgang en naleving van de verzekeringseisen. [gedaagde] is in het verleden vaak gesommeerd om zijn spullen uit de gemeenschappelijke ruimten te verwijderen. Tot op heden heeft hij daaraan zonder geldige reden niet (volledig) meegewerkt, of zijn spullen eerst verwijderd en later teruggezet, dan wel vervangen door andere. Hiervoor heeft [gedaagde] geen goede redenen opgegeven. Hij zegt telkens bereid te zijn om mee te werken, maar dat blijkt in de praktijk niet. Uit de e-mail van Westheimer aan [gedaagde] van 25 april 2024 blijkt dat Westheimer wil dat alle spullen op de centrale overloop, aan de muren en op het platte dak verwijderd worden met uitzondering van: maximaal twee paar schoenen op de overloop een plant op zolder (mits verzorgd en de overige bewoners niet in de weg staat) 1 schilderij op de overloop bij [gedaagde] . [gedaagde] heeft Westheimer niet in staat gesteld te controleren of hieraan is voldaan, en heeft ontwijkend gedrag vertoont. Daarom bestaat voldoende twijfel of [gedaagde] inderdaad alle spullen heeft verwijderd en verwijderd zal houden. De vordering zal worden toegewezen zoals hierna is vermeld, met matiging en maximering van de dwangsom. 4.
  15. De belangen van Westheimer bij verwijdering van de spullen op korte termijn wegen zwaarder dan die van [gedaagde] . De beslissing zal daarom uitvoerbaar bij voorraad worden verklaard. 4.
  16. Omdat [gedaagde] niet heeft meegewerkt aan het maken van een afspraak, zoals op de zitting is besproken en Westheimer gelijk krijgt moet [gedaagde] de proceskosten (inclusief nakosten) van Westheimer betalen. De proceskosten van Westheimer worden begroot op: - kosten van de dagvaarding € 112,99 - griffierecht € 130,00 - salaris gemachtigde € 543,00 - nakosten € 68,00 (plus de kosten van betekening zoals vermeld in de beslissing) Totaal € 853,99 5De beslissing De kantonrechter 5.
  17. beveelt [gedaagde] om binnen drie dagen na betekening van dit vonnis alle, met uitzondering van onderstaande, goederen te verwijderen in de verkeersruimtes en van het platte dak van het pand waartoe de woning behoort, op verbeurte van een dwangsom van € 500,- voor iedere keer dat [gedaagde] zich niet aan dit bevel houdt, met een maximum van € 10.000,- , met uitzondering van: maximaal twee paar schoenen op de overloop, een plant op zolder (mits verzorgd en deze de overige bewoners niet in de weg staat), 1 schilderij op de overloop bij [gedaagde] , 5.
  18. machtigt Westheimer om bij iedere overtreding van het bevel de goederen op kosten van [gedaagde] te verwijderen; 5.
  19. veroordeelt [gedaagde] in de proceskosten van € 853,99, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met de kosten van betekening als [gedaagde] niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend, 5.
  20. verklaart de veroordeling uitvoerbaar bij voorraad, 5.
  21. wijst het meer of anders gevorderde af. Dit vonnis is gewezen door mr. M.W. van der Veen en in het openbaar uitgesproken op 8 mei 2024

🔗 Naar officiële bron

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.