RECHTBANK AMSTERDAM INTERNATIONALE RECHTSHULPKAMER Parketnummer: 13/010055-24 (EAB III) Datum uitspraak: 31 januari 2024 UITSPRAAK op de vordering van 11 januari 2024 van de officier van justitie bij deze rechtbank tot het in behandeling nemen van een Europees aanhoudingsbevel (EAB). Dit EAB is uitgevaardigd op 8 februari 2019 door de Regional Court in Bielsko-Biala (Polen) en strekt tot de aanhouding en overlevering van: [opgeëiste persoon] geboren te [geboorteplaats] (Polen) op [geboortedag] 1978 ingeschreven in de Basisregistratie Personen op het adres: [adres] hierna ‘de opgeëiste persoon’. 1Procesgang De behandeling van het EAB heeft plaatsgevonden op 17 januari 2024 in aanwezigheid van mr. W.H.R. Hogewind, officier van justitie. De opgeëiste persoon is verschenen en bijgestaan door zijn raadsman, mr. T. Nieuwburg, advocaat in Amsterdam en door een tolk in de Poolse taal. 2Identiteit van de opgeëiste persoon Ter zitting heeft de opgeëiste persoon verklaard dat de bovenvermelde persoonsgegevens juist zijn en dat hij de Poolse nationaliteit heeft. 3Grondslag en inhoud van het EAB Het EAB vermeldt een : Decision of the District Court in Bielsko-Biala van 12 augustus 2011, referentie: III Kp 237/11 (feit 1) Decision of the District Court in Bielsko-Biala van 1 maart 2011, referentie: IX Kp 92/11 (feit 2) Decision of the District Court in Żywiec van 20 februari 2012, referentie: II Kp 61/12 (feit 3) Decision of the District Court in Żywiec van 26 maart 2012, referentie: II Kp 60/12 (feit 4) The cumulative judgement of the District Court in Żywiec van 30 oktober 2018: referentie II K 251/18 (feiten 5 tot en met 8) De uitvaardigende justitiële autoriteit verzoekt de overlevering vanwege: Feiten 1 tot en met 4 a. het vermoeden dat de opgeëiste persoon zich schuldig heeft gemaakt aan naar Pools recht strafbare feiten; Feiten 5 tot en met 8 ten behoeve van de tenuitvoerlegging van een vrijheidsstraf. Het gaat om een vrijheidsstraf voor de duur van 1 jaar en 6 maanden, door de opgeëiste persoon te ondergaan op het grondgebied van de uitvaardigende lidstaat. De vrijheidsstraf is aan de opgeëiste persoon opgelegd bij het hiervoor genoemde verzamelvonnis. De aanhoudingsbevelen en het verzamelvonnis betreffen de feiten zoals die zijn omschreven in het EAB. 4Weigeringsgrond als bedoeld in artikel 12 OLW Standpunten De raadsman en de officier van justitie hebben ter zitting geen standpunt ingenomen inzake artikel 12 OLW. Oordeel van de rechtbank De grondslag voor het executiegedeelte van het EAB betreft het verzamelvonnis II K 251/18. Uit het ingetrokken EAB I en de aanvullende informatie van de Poolse autoriteiten blijkt dat de onderliggende vonnissen, de vonnissen II K 486/09 en II K 181/09 betreffen. Verzamelvonnis II K 251/18 De rechtbank stelt op grond van de informatie in het EAB en de aanvullende informatie van de Poolse autoriteiten vast dat het EAB strekt tot de tenuitvoerlegging van het verzamelvonnis, terwijl de opgeëiste persoon niet in persoon is verschenen bij het proces dat tot die beslissing heeft geleid, en dat - kort gezegd - is gewezen zonder dat zich één van de in artikel 12, sub a tot en met c, OLW genoemde omstandigheden heeft voorgedaan. Er is ook geen garantie als bedoeld in artikel 12, sub d, OLW verstrekt. Dit betekent dat de overlevering kan worden geweigerd. De rechtbank ziet echter aanleiding om af te zien van haar bevoegdheid om de overlevering te weigeren. Uit de aanvullende informatie van 8 januari 2024 blijkt dat de opgeëiste persoon niet is verschenen bij het proces dat tot het verzamelvonnis heeft geleid. Wel is hij volgens Pools recht op correcte wijze opgeroepen voor de zitting die tot het verzamelvonnis heeft geleid. Voorts blijkt dat de opgeëiste persoon voor de procedure van het verzamelvonnis een raadsman heeft gekozen en dat het verzamelvonnis op verzoek van deze advocaat is gewezen. De door de opgeëiste persoon gekozen advocaat is vervolgens verschenen op de zitting die tot het verzamelvonnis heeft geleid. Uit het bovenstaande leidt de rechtbank af dat de opgeëiste persoon uit eigen beweging stilzwijgend afstand heeft gedaan van zijn recht om in persoon te verschijnen bij dat proces, dan wel kennelijk onzorgvuldig is geweest door zich niet te informeren over de voortgang van de procedure. Overlevering van de opgeëiste persoon houdt daarom geen schending van zijn verdedigingsrechten in. Vonnis I (II K 181/09) Uit de aanvullende informatie van 8 januari 2024 van de Poolse autoriteiten blijkt dat de opgeëiste persoon in persoon is verschenen op de zitting waarop het onderzoek naar de zaak heeft plaatsgevonden, dat hij heeft verklaard schuldig te zijn aan de ten lasten gelegde feiten en dat hij een verdere verklaring heeft afgelegd. De rechtbank leidt hieruit af dat de opgeëiste persoon aanwezig is geweest bij de inhoudelijke behandeling van zijn zaak en deze hoeft dus niet te worden getoetst aan artikel 12 OLW. Vonnis II K 486/09 Uit het reeds ingetrokken EAB I blijkt dat op 9 september 2009 door the Disrict Court in Żywiec vonnis is gewezen. Uit de aanvullende informatie van 8 januari 2019 blijkt dat the Regional Court in Bielsko-Biala bij arrest van 12 maart 2010 de in eerste aanleg voorwaardelijk opgelegde gevangenisstraf voor de duur van 1 jaar heeft gewijzigd in een onvoorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 6 maanden. Als het proces in twee opeenvolgende instanties heeft plaatsgevonden, namelijk een eerste aanleg gevolgd door een procedure in hoger beroep, dan is de laatste van die beslissingen relevant voor de beoordeling of is voldaan aan de vereisten van artikel 4 bis, eerste lid, Kaderbesluit 2002/584/JBZ en artikel 12 OLW, voor zover daartegen geen gewoon rechtsmiddel meer openstaat en daarom de zaak ten gronde definitief is afgedaan. De rechtbank zal gelet op het voorgaande uitsluitend de procedure in hoger beroep toetsen aan artikel 12 OLW. Uit de aanvullende informatie van 8 januari 2024 en 12 januari 2024 blijkt dat de opgeëiste persoon gedurende de prepatory proceedings op 8 juni 2009 een door hem ondertekende adresinstructie heeft ontvangen waarbij hij is gewezen op de verplichting elke adreswijziging aan justitie door te geven en is gewezen op de consequenties als hij deze verplichting niet zou nakomen. Bovendien is vermeld dat de behandeling van het hoger beroep oorspronkelijk zou plaatsvinden op 2 februari 2010 maar dat deze op telefonisch verzoek van de opgeëiste persoon is uitgesteld. De zitting heeft vervolgens plaatsgevonden op 12 maart 2010 op welke zitting hij niet is verschenen. Voor beide zittingen is de opgeëiste persoon opgeroepen op het adres dat hij gedurende de prepatory proceedings heeft opgegeven. Uit het bovenstaande leidt de rechtbank af dat de opgeëiste persoon uit eigen beweging stilzwijgend afstand heeft gedaan van zijn recht om in persoon te verschijnen bij dat proces, dan wel kennelijk onzorgvuldig is geweest met betrekking tot zijn bereikbaarheid voor officiële correspondentie en zich onvoldoende heeft geïnformeerd over de voortgang van de procedure. Overlevering van de opgeëiste persoon houdt daarom geen schending van zijn verdedigingsrechten in. 5Strafbaarheid 5.1. Feiten vermeld op bijlage 1 bij de OLW De uitvaardigende justitiële autoriteit wijst de strafbare feiten 6 tot en met 8 aan als lijstfeiten, die in Nederland in de lijst van bijlage 1 bij de OLW staan vermeld. De feiten vallen op deze lijst onder nummer 20, te weten: Oplichting Uit het EAB volgt dat op deze feiten naar het recht van Polen een vrijheidsstraf met een maximum van ten minste drie jaren is gesteld. Dit betekent dat een onderzoek naar de dubbele strafbaarheid van de feiten waarvoor de overlevering wordt verzocht, achterwege moet blijven. 5.2. Feiten waarvoor dubbele strafbaarheid is vereist De uitvaardigende justitiële autoriteit heeft de feiten 1 tot en met 5 niet aangeduid als feiten waarvoor het vereiste van toetsing van dubbele strafbaarheid niet geldt. Overlevering kan in dat geval worden toegestaan, indien voldaan wordt aan de (kaderbesluitconformuitgelegde) eisen die in artikel 7, eerste lid, aanhef en onder b, OLW juncto artikel 7, eerste lid, onder a 2°, OLW zijn neergelegd. De rechtbank stelt vast dat hieraan is voldaan. De feiten leveren naar Nederlands recht op: - Feit 1: oplichting - Feiten 2 en 4: verduistering - Feit 5: overtreding van artikel 8, tweede lid, onderdeel a van de Wegenverkeerswet 1994. 5.3. Dubbele strafbaarheid van feit 3 Ten aanzien van feit 3 verwijst de rechtbank naar de overweging onder 6.2 van haar uitspraak van 15 april 2021. In die zaak was de rechtbank van oordeel dat het niet betalen van kinderalimentatie naar Nederlands recht niet strafbaar is, omdat uit het EAB niet volgde dat door het niet betalen van de alimentatie het kind in een hulpbehoevende situatie terecht was gekomen. Dit geldt eveneens in de onderhavige zaak. De weigeringsgrond van artikel 7 OLW is van toepassing. Standpunt raadsman De raadsman voert aan dat – op het moment dat de rechtbank afziet van toepassing van de weigeringsgrond van artikel 7 OLW, zoals gebruikelijk bij dit alimentatiefeit, en de overlevering wordt toegestaan - de door de Poolse autoriteiten afgegeven terugkeergarantie van kracht wordt. Als de opgeëiste persoon vervolgens wel in Polen wordt veroordeeld voor dit alimentatiefeit, dan wordt de terugkeer van de opgeëiste persoon onmogelijk aangezien de Nederlandse Minister van Justitie en Veiligheid (hierna: de minister) geen toestemming zal verlenen voor de tenuitvoerlegging van een Poolse veroordeling voor een feit dat in Nederland niet strafbaar is. In de tussenuitspraak van de rechtbank van 26 oktober 2023 zijn prejudiciële vragen over deze problematiek gesteld en de raadsman verzoekt de behandeling van dit EAB aan te houden in afwachting van het antwoord op deze vragen door het Hof van Justitie van de Europese Unie (hierna: HvJ EU). Standpunt officier van justitie Het Openbaar Ministerie heeft vragen gesteld aan de Poolse autoriteit over feit 3 waarop tot op heden geen antwoord is gekomen en refereert zich aan het oordeel van de rechtbank of de behandeling moet worden aangehouden in afwachting van de door de rechtbank gestelde prejudiciële vragen. Oordeel van de rechtbank De rechtbank heeft in eerdere gevallen aanleiding gezien om van de weigering af te zien, wanneer het EAB is uitgevaardigd voor het niet betalen van kinderalimentatie. In deze zaak ontbreekt niet alleen de dubbele strafbaarheid maar kan de opgeëiste persoon gelijk worden gesteld met een Nederlander, zij het dat Nederland geen rechtsmacht heeft voor een feit dat niet strafbaar is naar Nederlands recht. In een vergelijkbare zaak heeft de rechtbank prejudiciële vragen gesteld aan het Hof van Justitie. Aanhouding van de onderhavige procedure in afwachting van de beslissing van het Hof van Justitie acht de rechtbank niet in het belang van de opgeëiste persoon. Hoewel er gronden zijn om af te zien van weigering van de overlevering, zal de rechtbank daartoe niet overgaan, omdat zij de aanhangige prejudiciële procedure niet wil doorkruisen. Het in de prejudiciële vragen gesignaleerde probleem doet zich dan niet voor. De rechtbank wijst het verzoek tot aanhouding van de raadsman af. 6Gelijkstelling 6.1. Vervolging De raadsman verzoekt de rechtbank om de opgeëiste persoon op grond van de over de jaren 2014 tot en met 2018 overgelegde inkomensgegevens gelijk te stellen met een Nederlander om zo, in geval van veroordeling tot een onvoorwaardelijke vrijheidsstraf na overlevering in de uitvoerende lidstaat, die straf vervolgens in Nederland te kunnen ondergaan. De officier van justitie stelt zich op het standpunt dat de opgeëiste persoon kan worden gelijkgesteld met een Nederlander nu uit de overgelegde stukken blijkt dat de opgeëiste persoon gedurende vijf jaar onafgebroken rechtmatig in Nederland heeft verbleven. De terugkeergarantie kan dan ook aan de opgeëiste persoon worden verstrekt. Oordeel van de rechtbank Om in aanmerking te komen voor gelijkstelling met een Nederlander moet op basis van artikel 6, derde lid, van de OLW zijn voldaan aan de volgende vereisten: 1. de opgeëiste persoon verblijft ten minste vijf jaar ononderbroken rechtmatig in Nederland als bedoeld in artikel 8, onder a tot en met e en l, Vreemdelingenwet 2000; 2. de opgeëiste persoon kan in Nederland worden vervolgd voor de feiten genoemd in het EAB; 3. ten aanzien van de opgeëiste persoon bestaat de verwachting dat hij niet zijn recht van verblijf in Nederland verliest als gevolg van een hem na overlevering opgelegde straf of maatregel. De eerste voorwaarde De rechtbank is van oordeel dat de opgeëiste persoon aan de hand van de overgelegde stukken heeft aangetoond dat hij gedurende de periode van 2014 tot en met 2018 vijf jaren ononderbroken rechtmatig in Nederland heeft verbleven als bedoeld in artikel 8, onder a tot en met e en l, Vreemdelingenwet 2000 en daarmee een duurzaam verblijfsrecht heeft verworven. Nadien is niet gebleken dat hij zijn verblijfsrecht heeft verloren. Aan deze voorwaarde is dus voldaan. De tweede voorwaarde De rechtbank stelt vast dat de opgeëiste persoon in Nederland wel kan worden vervolgd voor de feiten die aan het EAB ten grondslag liggen. De derde voorwaarde Het antwoord op de vraag over de verwachting of de opgeëiste persoon al dan niet zijn recht op verblijf in Nederland verliest als gevolg van de opgelegde straf of maatregel, beoordeelt de rechtbank aan de hand van informatie van de Immigratie- en Naturalisatie Dienst (IND). Uit de brief van de IND van 8 januari 2024 blijkt dat verblijfsbeëindiging in Nederland van de opgeëiste persoon op grond van de mogelijke veroordeling in Polen voor de feiten van het EAB niet aan de orde is. Garantie De opgeëiste persoon kan op grond van artikel 6, derde lid, OLW worden gelijkgesteld met een Nederlander. De rechtbank stelt vast dat de opgeëiste persoon daarnaast zodanige banden heeft met Nederland, dat de tenuitvoerlegging van een eventueel na overlevering opgelegde straf, uit het oogpunt van sociale re-integratie beter in Nederland kan plaatsvinden dan in de uitvaardigende lidstaat. De overlevering kan daarom worden toegestaan, wanneer gegarandeerd is dat de opgeëiste persoon, in geval van veroordeling in de uitvaardigende lidstaat tot een onvoorwaardelijke vrijheidsstraf, deze straf in Nederland mag ondergaan. De President of 3rd Criminal Division of the Regional Court in Bielsko-Biala heeft op 12 januari 2024 de volgende garantie gegeven: Referring to your request for a guarantee of the return of the prosecuted person, the Regional Court in Bielsko-Biala hereby assures you that if prosecuted [opgeëiste persoon], after his surrender to the Polish side for the purpose of conducting criminal proceedings in the cases of: a.
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.