← Nederland

ECLI:NL:RBAMS:2024:925

RECHTBANK AMSTERDAM Bestuursrecht zaaknummer: AMS 22/5419 uitspraak van de enkelvoudige kamer van 21 februari 2024 in de zaak tussen [verzoeker] , uit [woonplaats] in Duitsland, verzoeker (gemachtigde: mr. N. Abalhaj), en de Raad van bestuur van de Sociale Verzekeringsbank, verweerder (gemachtigde: mr. drs. N. Diamand). Inleiding

  1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het verzoek van verzoeker om schadevergoeding wegens het besluit van 28 december
  2. 1.
  3. De rechtbank heeft het verzoek op 22 januari 2024 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: verzoeker, de gemachtigde van verzoeker en de gemachtigde van verweerder. Totstandkoming van het besluit
  4. Verzoeker woont in Duitsland. Hij heeft een eenmansbedrijf ( [naam] ). Zijn werk bestaat uit goederenvervoer over de weg. Verzoeker is in het verleden verzekerd geweest op grond van de Wet langdurige zorg (Wlz). Die verzekering is gestopt medio
  5. Nadien heeft verzoeker meermalen zonder succes aanvragen bij verweerder ingediend tot vaststelling van verzekering op grond van de Wlz. Uiteindelijk is hij met ingang van 1 juni 2020 weer verzekerd op grond van de Wlz.
  6. Op 12 juli 2021 heeft verzoeker een verzoek om schadevergoeding ingediend bij verweerder. Verzoeker stelt schade te hebben geleden door het onjuiste besluit van 28 december
  7. Verweerder heeft dit verzoek afgewezen. Verzoeker heeft zich daarna gewend tot de rechtbank. Partijen zijn het erover eens dat artikel 8:90 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) het geschikte kader vormt voor hun geschil. De rechtbank sluit zich daarbij aan.
  8. Verzoeker stelt dat hij schade heeft geleden ter hoogte van € 3.021,
  9. Een en ander is pas later -met het besluit van 1 juni 2021- deels gerepareerd. In de tussentijd leed verzoeker schade en moest hij extra kosten maken. Deze wil hij hebben vergoed. Het gaat om het verschil in premie zorgverzekering over de periode januari 2021 tot en met juli 2021 (€ 1.099,14) en de kosten van twee kniebraces (€ 1.758,10) en medicatie (€ 254,00). Verzoeker heeft namelijk een internationale zorgverzekering moeten afsluiten. De premie van die internationale verzekering is hoger dan die van een Nederlandse verzekering. Verzoeker heeft de medische kosten niet kunnen declareren bij die internationale zorgverzekeraar. De kniebraces zouden volgens verzoeker wel zijn vergoed op grond van de Nederlandse zorgverzekering.
  10. Verweerder stelt primair zich op het standpunt dat het besluit van 28 december 2020 niet onrechtmatig is. Het is niet aan verweerder te wijten dat het besluit van 1 juni 2021 niet eerder is genomen. Pas op 30 april 2021 heeft verzoeker bewijsstukken aangeleverd waarmee de beslissing genomen kon worden. Verweerder voegt hier aan toe dat het in de eerste plaats op de weg van verzoeker ligt om met bewijsstukken te komen omdat het hier een aanvraagsituatie betreft. Beoordeling door de rechtbank
  11. De rechtbank overweegt het volgende. Op grond van artikel 8:88 van de Awb kan verweerder worden veroordeeld tot vergoeding van de schade die verzoeker heeft geleden als sprake is van een onrechtmatig besluit. Hier is niet aan voldaan. Verweerder is niet terug gekomen op het besluit van 28 december
  12. De omstandigheid dat verweerder heeft toegegeven een processuele fout te hebben gemaakt is niet genoeg om te concluderen dat sprake is van een onrechtmatig besluit.
  13. De rechtbank ziet in de omstandigheid dat verweerder verzoeker de suggestie heeft gegeven om het bezwaar tegen het besluit van 28 december 2020 in te trekken aanleiding om overwegingen te wijden aan de vertraging in de besluitvorming. Het is voor de rechtbank onduidelijk waarom het niet mogelijk voor verweerder zou zijn geweest om -hangende de bezwaarschriftenprocedure- een beslissing te nemen over het tijdvak waarop de aanvraag van 6 november 2020 ziet. De aanvraag van 6 november 2020 ziet op de periode 1 januari 2020 tot 1 september
  14. Het besluit van 28 december 2020 daarentegen ziet op een eerder tijdvak. De rechtbank neemt in dit verband ook mee dat verzoeker de suggestie heeft opgevolgd en vervolgens het bezwaar heeft ingetrokken en zich daarbij het recht heeft voorbehouden om een verzoek om vergoeding van schade in te dienen bij verweerder.
  15. Het besluit van 1 juni 2021 is bijna zeven maanden na de aanvraag genomen. De rechtbank heeft geen aanknopingspunten dat verweerder reeds op 28 december 2020 of kort daarna over voldoende informatie beschikte om een beslissing over het tijdvak vanaf 1 januari 2020 te kunnen nemen. Verzoeker was op de hoogte dat het in de eerste plaats op zijn weg lag om bewijsstukken te overleggen. De door verzoeker toegestuurde bewijsstukken en toelichting, waren voor verweerder onvoldoende om een inhoudelijke beoordeling te maken. Verweerder heeft daarom verzoeker gevraagd om aanvullende informatie. Verzoeker heeft eind april 2021 aanvullende informatie verstrekt en bewijsstukken overgelegd. Vervolgens heeft verweerder ongeveer een maand later beslist of verzoeker vanaf 1 januari 2020 verzekerd is op grond van de Wlz. De stelling van verzoeker dat hij al eerder voldoende bewijsstukken had ingebracht bij verweerder volgt de rechtbank niet. Verzoeker heeft die stelling niet nader geconcretiseerd of onderbouwd. Daar komt bij dat verzoeker, tijdens een telefoongesprek op 20 oktober 2020, verweerder nog had verteld dat hij geen bewijzen heeft.
  16. De rechtbank volgt verzoeker dus niet in zijn stelling dat de vertraagde besluitvorming geheel te wijten is aan verweerder. Zoals hierboven uiteengezet heeft verzoeker hier ook een aandeel in gehad.
  17. Hetgeen partijen naar voren hebben gebracht over de schadeposten behoeft geen bespreking. Dat kan niet tot een andere uitkomst van het geschil leiden. Conclusie en gevolgen
  18. De rechtbank wijst het verzoek om schadevergoeding af. Voor een vergoeding van griffierecht of een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding. Beslissing De rechtbank wijst het verzoek om schadevergoeding af. Deze uitspraak is gedaan door mr. L.H Waller, rechter, in aanwezigheid van S. Pecorino, griffier. De uitspraak is uitgesproken in het openbaar op 21 februari
  19. De griffier is niet in staat te tekenen. griffier rechter Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op: Informatie over hoger beroep Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Centrale Raad van Beroep waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Centrale Raad van Beroep vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen. Dit is gebeurd bij besluit van 1 juni
  20. Zie de telefoonnotie van 25 februari
  21. Zie de telefoonnotitie van 22 december
  22. Zie de telefoonnotitie van 20 oktober
  23. Zie de telefoonnotitie van 22 december
  24. Zie de brief van verweerder van 22 maart
  25. Zie het aanvullend vragenformulier dat verzoeker op 27 april 2021 heeft ondertekend. Zie de telefoonnotitie van 20 oktober 2020.

🔗 Naar officiële bron

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.