RECHTBANK AMSTERDAM Wrakingskamer Beslissing op het op 25 januari 2024 ingekomen en onder rekestnummer C/13/745615 / HA RK 24-28 ingeschreven verzoek van: [verzoeker] , wonende te [woonplaats] , verzoeker, welk verzoek strekt tot wraking van mr. T.L. Fernig-Rocour, bestuursrechter te Amsterdam, hierna: de rechter. 1Verloop van de procedure 1.
- De rechtbank heeft kennisgenomen van het navolgende processtuk: de zittingsaantekeningen van de enkelvoudige kamer van 25 januari
- 1.
- De rechter heeft niet in de wraking berust. 2De feiten en het verzoek 2.
- Op 25 januari 2024 is de rechter overgegaan tot de mondelinge behandeling van de zaak met zaaknummer AMS 23/1421 (hierna: de zaak) met verzoeker als eisende partij. 2.
- Blijkens de zittingsaantekeningen is zakelijk weergegeven het volgende verklaard na aanvang van de zitting: “Rechter (R): Goedemiddag, u mag daar gaan zitten. U mag ook daar gaan zitten (Opmerking griffier: de rechter wijst naar de andere kant van de zaal, de kant waar de beveiligers niet zitten). R: u bent meneer Leeflang? Eiser (E): ja. R: mijn naam is Fernig. Naast mij ziet u mevrouw Den Toom. Ook zitten er twee beveiligers in de zaal. E: ik wraak u. R: wat is de reden? E: u discrimineert, geen eerlijke rechtsgang, de discriminatie is geïnstitutionaliseerd. Ik voel mij bedreigd door de beveiligers, ik begrijp niet waarom ze er zijn. R: En als ik de beveiligers wegstuur? E: Nee, het is geïnstitutionaliseerd. Eiser verlaat de zaal.” 3De beoordeling 3.
- Op grond van artikel 8:15 van de Algemene Wet Bestuursrecht (hierna: Awb) dient in een wrakingsprocedure te worden onderzocht of er sprake is van feiten of omstandigheden waardoor de rechterlijke onpartijdigheid schade zou kunnen lijden. Op grond van artikel 8:16 Abw dient een wrakingsverzoek te worden gedaan zodra de feiten of omstandigheden aan de verzoeker bekend zijn geworden en moeten alle feiten of omstandigheden tegelijk worden voorgedragen. 3.
- Als uitgangspunt voor de beoordeling geldt dat de rechter krachtens zijn aanstelling moet worden vermoed onpartijdig te zijn, behoudens bewijs van het tegendeel. 3.
- Aan het verzoek zijn geen feiten of omstandigheden ten grondslag gelegd waardoor de rechterlijke onpartijdigheid schade zou kunnen lijden. Het verzoek is daarom kennelijk niet-ontvankelijk. Een mondelinge behandeling kan achterwege blijven. 3.
- Omdat verzoeker het middel tot wraking lichtvaardig, want zonder redelijke grond heeft ingezet, is naar het oordeel van de Wrakingskamer sprake van misbruik van recht. Bepaald zal daarom worden dat verdere verzoeken tot wraking in de zaak niet in behandeling worden genomen.
- Op grond van het voorgaande wordt beslist als volgt. BESLISSING De Wrakingskamer: verklaart verzoeker kennelijk niet ontvankelijk in het verzoek; bepaalt dat een volgend verzoek tot wraking in de zaak niet in behandeling zal worden genomen. Aldus gegeven door mrs. P.B. Martens, voorzitter, N.C.H. Blankevoort en A.W.J. Ros, leden en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 29 januari 2024 in tegenwoordigheid van de griffier. Tegen deze beslissing staat geen rechtsmiddel open.