vonnis RECHTBANK AMSTERDAM Afdeling Publiekrecht Teams Strafrecht Parketnummer: 71/399867-24 Datum uitspraak: 16 december 2025 Verkort vonnis van de rechtbank Amsterdam, meervoudige strafkamer, in de zaak tegen [verdachte] , geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 1978, zonder vaste woon- of verblijfplaats in Nederland, nu gedetineerd in de [naam PI] . 1Het onderzoek ter terechtzitting Dit verkort vonnis is op tegenspraak gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzittingen op 10 september en 2 december 2025. De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie, mr. R. Hagemeier, en van wat verdachte en zijn raadsman, mr. S. Ettalhaoui, naar voren hebben gebracht. Er wordt gelijktijdig vonnis gewezen in de zaken tegen medeverdachten [medeverdachte 1] (71/399874-24), [medeverdachte 2] (71/399881-24), [medeverdachte 3] (71/017263-25) en [medeverdachte 4] (71/399889-24). 2Tenlastelegging Aan verdachte is – kort gezegd – ten laste gelegd, na aanpassing als bedoeld in artikel 314a Wetboek van Strafvordering (hierna: Sv) op de zitting van 10 september 2025, dat hij zich schuldig heeft gemaakt aan 1. medeplegen van het aanwezig hebben van een hoeveelheid cocaïne op 17 december 2024 te Aldwâld en/of Losser; 2. medeplegen van het bereiden/bewerken/verwerken/verkopen/afleveren/verstrekken/vervoeren van een hoeveelheid van een materiaal bevattende cocaïne in de periode van 6 tot en met 17 december 2024 te Aldwâld; 3. medeplegen van voorbereidingshandelingen ten aanzien van het telen, bereiden, bewerken, verwerken, verkopen, afleveren, verstrekken en/of vervoeren van cocaïne in de periode van 22 augustus tot en met 17 december 2024 te Aldwâld en/of Losser en/of Abbenes. De volledige tenlastelegging is opgenomen in bijlage I die aan dit vonnis is gehecht en geldt als hier ingevoegd. De rechtbank leest het in de tweede en derde regel van het onder feit 3 ten laste gelegde vermelde “tezamen en in vereniging met een ander” als “tezamen en in vereniging met een of meer anderen”, omdat hier sprake is van een kennelijke misslag. Door de verbetering van deze misslag wordt verdachte niet in de verdediging geschaad. Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze verbeterd. Verdachte is hierdoor niet in de verdediging geschaad. 3Procesafspraken en de beoordeling daarvan De rechtbank heeft kennisgenomen van de tussen de officier van justitie en de verdediging gemaakte procesafspraken. De overeenkomst waarin deze procesafspraken zijn neergelegd is aan dit vonnis gehecht in bijlage II. De procesafspraken houden – kort gezegd en onder andere – in dat de officier van justitie op de zitting zal concluderen tot bewezenverklaring van de ten laste gelegde feiten en een onvoorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 25 maanden. De verdediging zal volgens de overeenkomst geen onderzoekswensen indienen en geen bewijsverweren voeren. Beide partijen zijn daarnaast overeengekomen geen hoger beroep in te zullen stellen in het geval de rechtbank komt tot een bewezenverklaring en strafoplegging conform de tussen partijen gemaakte afspraken. De rechtbank kan alleen acht slaan op een door de officier van justitie en de verdediging opgesteld afdoeningsvoorstel als gewaarborgd is dat wordt voldaan aan de eisen dieartikel 6 van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM) stelt. Deze waarborg is in het bijzonder van belang, als van een afdoeningsvoorstel deel uitmaakt dat de verdachte afziet van de uitoefening van bepaalde aan hem toekomende verdedigingsrechten. De procesafspraken zijn op de zitting van 2 december 2025 besproken met verdachte, in aanwezigheid van zijn raadsman. Verdachte heeft verklaard dat hij door zijn advocaat is voorgelicht over de inhoud van de procesafspraken in het bijzijn van een tolk. Hij heeft verder verklaard dat hij volledig achter de gemaakte afspraken staat en dat hij begrijpt welke gevolgen de afspraken hebben wanneer de rechtbank daarin meegaat. De rechtbank heeft uit de verklaringen van verdachte begrepen dat hij zich vrij voelde om zelf te beslissen en zich niet onder druk gezet heeft gevoeld om de procesafspraken te maken. De rechtbank is van oordeel dat verdachte, die gedurende zijn proces steeds is bijgestaan door zijn raadsman, vrijwillig, op basis van voldoende en duidelijke informatie, en terwijl hij zich bewust was van de rechtsgevolgen, is gekomen tot de ondubbelzinnige beslissing mee te werken aan de procesafspraken en de daarmee gepaard gaande afstand van verdedigingsrechten (zie Hoge Raad 27 september 2022, ECLI:NL:HR:2022:1252). De rechtbank heeft zich er bij de inhoudelijke behandeling van vergewist dat de verdachte nog altijd achter de gemaakte afspraken en het afdoeningsvoorstel staat. Gelet op het voorgaande is de rechtbank dan ook van oordeel dat zij acht kan slaan op de tussen de officier van justitie en de verdediging gemaakte procesafspraken. Hoewel de officier van justitie en de verdediging het voorgaande zijn overeengekomen, heeft de rechtbank een eigen verantwoordelijkheid om antwoord te geven op de vragen van artikel 348 en 350 Sv. Zowel bij het onderzoek ter terechtzitting als in dit vonnis is de beantwoording van de vragen van artikel 348 en 350 Sv leidend geweest. Bij het bepalen van de straf en de motivering daarvan zal de inhoud en doorwerking van de procesafspraken worden besproken. 4Waardering van het bewijs 4.1 Standpunt van het Openbaar Ministerie De officier van justitie heeft zich – overeenkomstig de procesafspraken – op het standpunt gesteld dat de ten laste gelegde feiten kunnen worden bewezen. Hierbij dient de pleegperiode van feit 2 te worden beperkt tot 16 en 17 december 2024, omdat op 16 december 2024 de productie in de cocaïnewasserij is begonnen. De pleegperiode van feit 3 loopt – in afwijking van de procesafspraken – van 4 december tot en met 17 december 2024. Uit het dossier blijkt dat verdachte op 4 december 2024 in Nederland is aangekomen. 4.2. Standpunt van de verdediging De raadsman heeft – overeenkomstig de procesafspraken – geen bewijsverweren gevoerd. 4.3 Oordeel van de rechtbank Op grond van het procesdossier kunnen alle ten laste gelegde feiten worden bewezen met de door de officier van justitie op de terechtzitting genoemde pleegperioden. Verdachte is op 17 december 2024 samen met anderen in een in werking zijnde cocaïnewasserij in een loods in [plaats] aangetroffen. De loods was ingericht voor de extractie en bewerking van cocaïne uit dragermateriaal (betonmortel). Op basis van het dossier – in het bijzonder de verrichte observaties – kan worden vastgesteld dat dit drugslaboratorium een dag ervoor, op 16 december 2024, in productie is gegaan en dat verdachte hierbij betrokken was. In de loods is ongeveer 304 kilo betonmortel vermengd met cocaïne aangetroffen. Het NFI heeft berekend dat hieruit 85 kilo cocaïnebase kan worden gewassen, dat kan worden omgezet in 95 kilo snuifcocaïne. Ook is in de loods 1,72 kilo geëxtraheerde cocaïne aangetroffen. De rechtbank stelt vast dat verdachte zich al sinds zijn aankomst in Nederland op 4 december 2024 samen met anderen bezighield met strafbare voorbereidings- en bevorderingshandelingen voor de cocaïnewasserij, met het oog op onder meer het bewerken van het dragermateriaal en het verwerken van de uitgewassen cocaïne. Gelet op de hoeveelheid dragermateriaal die is aangetroffen en de mate van professionaliteit van de cocaïnewasserij stelt de rechtbank vast dat de verwerkte cocaïne uiteindelijk voor handel bestemd moet zijn geweest. 5Bewezenverklaring De rechtbank acht bewezen dat verdachte 1 op 17 december 2024 te Aldwâld tezamen en in vereniging met anderen opzettelijk aanwezig heeft gehad een hoeveelheid cocaïne; 2 in de periode van 16 december 2024 tot en met 17 december 2024 te Aldwâld, tezamen en in vereniging met anderen opzettelijk heeft bewerkt een hoeveelheid van een materiaal bevattende cocaïne; 3 in de periode van 4 december 2024 tot en met 17 december 2024 in Nederland, tezamen en in vereniging met anderen, om een feit, bedoeld in het vierde lid van artikel 10 van de Opiumwet, voor te bereiden en te bevorderen, te weten - het opzettelijk bewerken, verwerken, verkopen, afleveren, verstrekken en vervoeren, van cocaïne, in elk geval een hoeveelheid van een materiaal bevattende cocaïne, - zich gelegenheid tot het plegen van dat feit heeft getracht te verschaffen, - voorwerpen en stoffen voorhanden heeft gehad, waarvan hij, verdachte, wist dat zij bestemd waren tot het plegen van dat feit, door - (bedrijfs)ruimtes ( [adres] en/of [adres] en/of [adres] ) te huren en/of in gebruik te nemen en (aldaar) - een grote hoeveelheid zogenaamd dragermateriaal voorhanden te hebben en/of - een grote hoeveelheid jerrycans en/of vaten en/of (specie)kuipen en/of (andere soorten) verpakkingen met daarin grote hoeveelheden chemicaliën, brandstoffen en/of grondstoffen waaronder zoutzuur en/of diesel en/of benzine en/of hexaan en/of MEK en/of methylmethcrylaat en/of zwavelzuur en/of ammonia en/of calcium chloride en/of natriumhydroxide en/of actief kool en/of kattengrit aan te schaffen en/of voorhanden te hebben en/of - meerdere onderdelen van (een) productieopstelling(
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.