vonnis RECHTBANK AMSTERDAM Afdeling privaatrecht zaaknummer / rolnummer: C/13/716305 / HA ZA 22-306 Vonnis van 12 november 2025 in de zaak van [eiser] , wonende te [woonplaats 1] , eiser in conventie, verweerder in reconventie, advocaat mr. R.P. de Vries te Amsterdam , tegen [gedaagde] , wonende te [woonplaats 2] , gedaagde in conventie, eiser in reconventie, advocaat mr. I.I. van Tuyll van Serooskerken te Amsterdam . Partijen zullen hierna [eiser] en [gedaagde] worden genoemd. 1De procedure 1.1. Het verloop van de procedure blijkt uit: het tussenvonnis van 2 april 2025, de akte uitlating tevens inhoudende wijziging/vermeerdering eis van [eiser] , tevens houdende een verzoek herstel kennelijke fout tussenvonnis 2 april 2025, de akte uitlaten omtrent winst miningactiviteiten periode start wallets ( [wallet 1] en [wallet 3] ) tot 1 november 2018 en tevens bezwaar tegen eiswijziging van [gedaagde] , de akte bezwaar tegen verzoek herstel kennelijke fout en vervolg procedure zijdens [gedaagde] . 1.2. Ten slotte is vonnis bepaald. 2De laatste wijziging van eis in conventie 2.1. [eiser] vordert thans, voor zover mogelijk bij vonnis uitvoerbaar bij voorraad: Primair: I. [gedaagde] te veroordelen tot overdracht, binnen zeven dagen na betekening van dit vonnis, van 226,71345852 Bitcoin; 81,17265495 Bitcoin Cash; 81,17265495 Bitcoin Gold; 417,675 Decred en 132,4695263 Zcash naar door [eiser] aan te wijzen wallet-adressen, zulks op straffe van een dwangsom van € 200.000,-, althans een in goede justitie te bepalen bedrag, per dag of dagdeel dat [gedaagde] hiermee in gebreke blijft met een maximum van € 40.000.000,-; II. [gedaagde] te veroordelen tot overdracht, binnen zeven dagen na betekening van dit vonnis, van 15% van het geheel van de tussen 1 januari 2014 en 12 mei 2021 geminede Dogecoin, Ethereum, Litecoin en Peercoin naar door [eiser] aan te wijzen wallet-adressen, zulks op straffe van verbeurte van een dwangsom van € 100.000,-, althans een in goede justitie te bepalen bedrag, per dag of dagdeel dat [gedaagde] hiermee in gebreke blijft met een maximum van € 10.000.000,-; III. [gedaagde] te veroordelen tot verstrekking, binnen zeven dagen na betekening van dit vonnis, aan [eiser] van een specificatie van het in totaal geminede Dogecoin, Ethereum, Litecoin en Peercoin voor de periode 1 januari 2014 tot 12 mei 2021, zulks op straffe van verbeurte van een dwangsom van € 50.000,-, althans een in goede justitie te bepalen bedrag, per dag of dagdeel dat [gedaagde] hiermee in gebreke blijft met een maximum van € 2.500.000,-; Subsidiair: IV. [gedaagde] te veroordelen te voldoen aan [eiser] een bedrag van € 1.275.625,95, zijnde 15% van de (winst)waarde van de bitcoin die door [gedaagde] en [eiser] zijn gemined in hun gezamenlijke project tot 1 november 2018, dan wel een ander bedrag dat de (winst)waarde van deze bitcoin op 1 november 2018 vertegenwoordigt, te verhogen met de wettelijke rente ex artikel 6:119 BW vanaf acht dagen na het in deze te wijze vonnis, dan wel vanaf een door U.E.A. in goede justitie te bepalen dag; V. [gedaagde] te veroordelen tot betaling van een schadevergoeding aan [eiser] voor de door hem geleden schade, bestaande uit het verschil tussen de onder IV vastgestelde waarde van het aandeel van [eiser] tot 1 november2018, ten opzichte van de waarde van dit (winst)aandeel bitcoin – zijnde 15% van het door partijen tot 1 november 2018 geminede aantal bitcoin – op de datum van het in deze te wijze vonnis, conform de koers van de bitcoin op [website 1] koers, te verhogen met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW vanaf acht dagen na het in deze te wijze vonnis, dan wel vanaf een in goede justitie te bepalen dag; Meer Subsidiair: VI. [gedaagde] te veroordelen te voldoen aan [eiser] een bedrag van € 1.275.625,95, zijnde 15% van de (winst)waarde van de bitcoin die door [gedaagde] en [eiser] zijn gemined in hun gezamenlijke project tot 1 november 2018, dan wel een ander bedrag dat de (winst)waarde van deze Bitcoin op 1 november 2018 vertegenwoordigt; te verhogen met de wettelijke rente ex artikel 6:119 BW vanaf 1 november 2018, dan wel vanaf een in goede justitie te bepalen dag; Meest Subsidiair: VII. Te verklaren voor recht dat [gedaagde] zich ongerechtvaardigd heeft verrijkt ten nadele van [eiser] ; VIII. [gedaagde] te veroordelen aan [eiser] te voldoen schadevergoeding voor diens verrichte investeringen in tijd en kosten, zoals nader op te maken bij staat, te verhogen met de wettelijke rente ex artikel 6:119 BW vanaf 11 december 2018 dan wel vanaf een in goede justitie te bepalen dag; Een en ander met veroordeling van [gedaagde] in de buitengerechtelijke incassokosten ter hoogte van € 6.775,- te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW vanaf acht dagen na de betekening van het te dezer te wijzen vonnis tot de dag der algehele voldoening, en in de proceskosten (inclusief de nakosten), vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 8 dagen na de datum van het in deze te wijzen vonnis tot aan de dag der algehele voldoening. 2.2. [gedaagde] heeft bezwaar gemaakt tegen deze vermeerdering van eis. 3De verdere beoordeling in conventie 3.1. In het tussenvonnis van 2 april 2025 (verder: het tussenvonnis) zijn partijen in de gelegenheid gesteld zich uit te laten over de opbrengst van het project in de wallets [wallet 1] … [wallet 2] en [wallet 3] … [wallet 4] tot 1 november 2018 (r.o. 2.32 van dat tussenvonnis), waarbij partijen de totalen van de bijschrijvingen uit het minen van bitcoins, de bijschrijvingen uit inkoop van bitcoins en de afgeschreven bitcoins per wallet dienen op te tellen (r.o. 2.28 van dat tussenvonnis). Verder is [eiser] in het tussenvonnis in de gelegenheid gesteld zich uit te laten over het betoog van [gedaagde] dat ingekochte bitcoins niet meetellen als opbrengst van de samenwerking. Naast dit alles is [gedaagde] in het tussenvonnis opgedragen zich uit te laten – met deugdelijke schriftelijke onderbouwing, waarin hij ook de totalen dient te beschrijven – over de door hem gemaakte kosten voor de uitvoering van het gezamenlijk project gedurende die periode. Partijen hebben in hun eigen akte ook gereageerd op de akte van de wederpartij. Standpunten partijen 3.2. [gedaagde] heeft betoogd – kort samengevat – dat het gezamenlijk minen in totaal 40,228 bitcoins heeft opgeleverd. De bitcoins hadden op 1 november 2018 een gemiddelde koers van € 5.593 zo blijkt uit de website [website 2] . De waarde van de geminede bitcoins is dus € 224.995,20. [gedaagde] heeft minimaal € 875.489 aan kosten gemaakt voor het gezamenlijk minen met [eiser] . Er is dus geen winst gemaakt in het project, aldus steeds [gedaagde] . 3.3. [eiser] heeft betoogd – kort gezegd – dat het gezamenlijk minen tot 1 november 20218 in totaal 1.511,42305680, dan wel 586,79625494, bitcoins heeft opgeleverd. De koers van de bitcoins op 1 november 2018 was € 5.626,60 volgens de website [website 1] . De gekochte bitcoins zijn niet meegeteld bij het vaststellen van het resultaat van het gezamenlijk minen, aldus steeds [eiser] . 3.4. Op de standpunten van partijen over specifieke onderwerpen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan. Verzoek herstel kennelijke fout tussenvonnis 2 april 2025 3.5. [eiser] heeft gewezen op overweging 2.22 van het tussenvonnis. Daarin is overwogen dat hij heeft erkend dat hij voor zichzelf aan het minen was op de servers die [gedaagde] heeft gekocht, en dat hij vervalste facturen voor andere servers aan [gedaagde] heeft gestuurd. [eiser] heeft betoogd dat geen sprake is geweest van een dergelijke erkenning. Bovendien heeft [gedaagde] zijn eis in reconventie gebaseerd op het minen door [eiser] , voor zichzelf, op de door [gedaagde] gekochte servers. Die eis in reconventie is als onvoldoende bewezen verworpen in het tussenvonnis van 24 juli 2024 na het getuigenverhoor over dat onderwerp. Overweging 2.22 van het tussenvonnis van 2 april 2025 is in strijd met die beslissing uit het tussenvonnis van 24 juli 2024. De beslissing van de rechtbank dat [gedaagde] gerechtigd was de samenwerking met onmiddellijke ingang te beëindigen is gebaseerd op een onjuiste aanname en interpretatie van zijn standpunten over de wallets op de servers van [gedaagde] , aldus steeds [eiser] . 3.6. Het betoog van [eiser] komt er dus op neer dat de rechtbank in een eerder tussenvonnis geoordeeld heeft dat hij een erkenning heeft gedaan terwijl dat in werkelijkheid niet het geval is. Indien dat standpunt van [eiser] juist is, is het oordeel van de rechtbank in dat tussenvonnis weliswaar fout, maar betreft het niet een kennelijke fout die zich, gelet op het toepassingsbereik van artikel 31 Rv leent voor herstel, nog daargelaten of dat herstel zou leiden tot een andere in deze zaak nog te nemen of reeds genomen beslissing. 3.7. Er verandert dus niets aan de vaststelling dat [gedaagde] onder de gegeven omstandigheden (zie r.o. 2.14 tot en met 2.24 van het tussenvonnis) de samenwerking met [eiser] heeft mogen opzeggen en met beider instemming daadwerkelijk per 1 november is geëindigd. 3.8. Uitgangspunt blijft dus dat de samenwerking van partijen is geëindigd op 1 november 2018 en dat die datum dient te gelden als afrekenmoment voor het verdelen tussen hen van de winst, zoals ook in 2.24 van het tussenvonnis is overwogen. Vermeerdering van eis in laatste akte [eiser] 3.9. De vermeerdering van eis in de laatste akte van [eiser] wordt toegelaten ondanks het bezwaar daartegen van [gedaagde] . Een wijziging van eis is in beginsel altijd toegestaan, behoudens strijd met de eisen van een goede procesorde, waarvan niet is gebleken, hoewel het op de weg van [eiser] had gelegen om zijn eiswijziging conform de overwegingen in het tussenvonnis van 5 april 2023 op te stellen. De opbrengst per 1 november 2018 en waarde bitcoins op die dag 3.10. Beide partijen hebben een bureau ingeschakeld voor de optelling van het resultaat van het gezamenlijk minen van bitcoins tot 1 november 2018 in de wallets [wallet 1] … [wallet 2] en [wallet 3] … [wallet 4] tot 1 november 2018. [gedaagde] heeft adviesbureau HVK Stevens ingeschakeld en [eiser] het adviesbureau Dragon Industries . 3.11. Opmerkelijk is dat op basis van dezelfde data (namelijk productie 14 van [eiser] , productie 23 en productie 36 van [gedaagde] ) de door hen ingeschakelde adviesbureaus tot een geheel ander resultaat zijn gekomen voor het aantal bitcoins die tot 1 november 2018 zijn toegevoegd aan de wallets [wallet 1] … [wallet 2] en [wallet 3] … [wallet 4] . Volgens [gedaagde] zijn in totaal 40,228 bitcoins toegevoegd uit het gezamenlijk minen van partijen, volgens [eiser] is de opbrengst van dat gezamenlijk minen in die twee wallets 586,79625494 bitcoins. 3.12. [eiser] (of Dragon Industries ) heeft de gekochte bitcoins niet meegeteld bij het totaal van 586,79625494 bitcoins. Dit maakt dat het debat over de rol van de gekochte bitcoins dat [gedaagde] is begonnen in zijn akte van 1 oktober 2024 verder niet van belang is: [eiser] heeft gekochte bitcoins immers niet meegeteld als opbrengst van de miningactiviteiten door partijen. Over de stelling van [gedaagde] dat de opbrengst is: 40,228 bitcoins 3.13. [gedaagde] heeft betoogd dat uit overweging 4.20.4 van het tussenvonnis van 5 april 2023 blijkt dat ook geen gebruik hoeft te worden gemaakt van de opbrengst uit cloudmining. 3.14. Dit is niet in overeenstemming met de eerder gegeven beslissingen in deze procedure (van 5 april 2023 en 2 april 2025). Dat cloudmining niet zou meetellen, is niet overwogen in het rechtsoverweging 4.20.4 van het tussenvonnis van 5 april 2023. Daarin is overwogen: “(…) Daarbij dienen andere toevoegingen van bitcoins aan de wallets (bijvoorbeeld door aankoop) te worden onderscheiden van de door de blockchain aan de ‘pool’ of miner toegekende bitcoins voor de validatie van betalingstransacties. (…)” Dat de opbrengst uit cloudmining niet zou meetellen blijkt daar niet uit. De term cloudmining is door [gedaagde] uiteengezet in zijn akte van 1 oktober 2024 – en dan met name in zijn betoog dat wallet [wallet 1] … [wallet 2] geen onderdeel is geweest van de samenwerking tussen hem en [eiser] . In het tussenvonnis van 2 april 2025 is dat standpunt nu juist verworpen en is partijen opgedragen ook over die wallet een totaal van opbrengst op te tellen. [gedaagde] had daaruit kunnen – en moeten – begrijpen dat zijn stelling dat de opbrengst uit cloudmining niet zou meetellen geen stand heeft gehouden. 3.15. In het debat van partijen ter zitting is ook geen onderscheid gemaakt in de aard van de opbrengst van bitcoins uit minen: dan wel uit rechtstreeks minen op een eigen server, of uit het minen in een ‘pool’ of door het minen in een ‘cloud’ en dus op een computerserver van een ander. De standpunten van [gedaagde] dat de opbrengst uit cloudminen niet mee zou kunnen tellen worden dan ook verworpen. 3.16. Bovendien blijkt pas uit het rapport van HSK Stevens dat cloudmining ook heeft geleid tot toevoegingen van bitcoins aan de wallet [wallet 3] … [wallet 4] . Uit het bovenstaande volgt dat [gedaagde] ten onrechte de opbrengst uit cloudmining niet heeft meegeteld. Dit geldt ook voor de wallet [wallet 3] … [wallet 4] . 3.17. [gedaagde] heeft verder betoogd dat de rijen met de opmerkingen export en import niet meetellen bij de opbrengst van het gezamenlijk minen naar bitcoins. In tegenstelling tot wat is overwogen in r.o. 2.28 van het tussenvonnis heeft [gedaagde] nagelaten de totalen van het minen van bitcoins, de bijschrijvingen uit inkoop van bitcoins en de afgeschreven bitcoins per wallet op te tellen. [gedaagde] heeft HVK Stevens kennelijk de opdracht gegeven een totaal van bitcoins op te maken aan de hand van zijn visie over de opbrengst in plaats van wat de rechter heeft gevraagd. 3.18. Daarnaast heeft [gedaagde] een variant van zijn producties 23 en 36 aan HVK Stevens gegeven, met toevoeging van kolommen met termen die niet eerder in deze procedure zijn gebruikt (zoals “dubbel spent”, “ [label 1] ” en “ [label 2] ”). Daardoor is HVK Stevens dus uitgegaan van andere informatie dan die [eiser] of de rechtbank hebben gekregen van [gedaagde] . Verder zijn de eerdere beslissingen van de rechtbank niet, dan wel incorrect, toegepast door HSK Stevens – zoals bijvoorbeeld over de opbrengst uit cloudminen. 3.19. Onder deze omstandigheden wordt het rapport van HVK Stevens – en de mede daarop gebaseerde stellingen van [gedaagde] – voor zover het betreft de opbrengst van het gezamenlijk minen van bitcoins ter zijde geschoven. Over de stelling van [eiser] dat de opbrengst is: 1.511,42305680 bitcoins 3.20. [eiser] heeft – met verwijzing naar het rapport van Dragon Industries – gesteld dat het gezamenlijk minen naar bitcoins in totaal 1.511,42305680 bitcoins heeft opgebracht. Daarvan zijn 586,79625494 bitcoins toegevoegd aan de wallets [wallet 1] … [wallet 2] en [wallet 3] … [wallet 4] . De overige bitcoins zijn toegevoegd aan vijf wallet adressen die zijn gelieerd aan de twee wallets. Dragon Industries heeft deze vijf wallet adressen gevonden in haar onderzoek naar de transacties op de twee wallets [wallet 1] … [wallet 2] en [wallet 3] … [wallet 4] . Het is, aldus Dragon Industries , duidelijk dat in het gezamenlijk minen met die twee wallets ook is gemined naar de vijf wallet adressen, aldus steeds [eiser] . 3.21. Dit komt niet overeen met de eerder door [eiser] ingenomen standpunten. In zijn dagvaarding heeft hij zijn vorderingen gebaseerd op de twee wallets [wallet 1] … [wallet 2] en [wallet 3] … [wallet 4] . In het tussenvonnis van 5 april 2023 is onder 4.17 overwogen dat “(…) Andere of eerdere transacties in andere wallets daarom geen onderdeel van deze procedure [zijn]. (…)”. Dat nu sprake is van wallet adressen – en dat dit anders is dan een wallet – die ook moeten meetellen als opbrengst van het gezamenlijk minen, is een geheel nieuw standpunt van [eiser] (onderbouwd met het rapport van Dragon Industries ). 3.22. Deze nieuwe stelling van [eiser] wordt verworpen. Hij is immers de samenwerking met [gedaagde] aangegaan omdat hij naar eigen zeggen ervaring had met minen van cryptomunten. In die rol mag van hem worden verwacht dat hij weet hoe dat minen naar wallets technisch gezien verloopt – dus ook dat naast de toegewezen wallets kennelijk ook bitcoins worden toegevoegd aan wallet adressen, zoals [gedaagde] terecht heeft betoogd. Het had dus ook op de weg van [eiser] gelegen om dit uiteen te zetten in zijn dagvaarding van deze procedure, althans in een veel eerder stadium van de procedure, ook al had hij toen misschien niet de kennis over de exacte wallet adressen. In de tussenvonnissen van 5 april 2023 en 2 april 2025 is het geschil tussen partijen nader ingevuld en daarmee afgebakend en bepaald. Daarom is er in de fase waarin deze procedure zich thans bevindt geen ruimte meer om het geschil bij een volgende akte anders in te vullen en weer breder te trekken zoals [eiser] heeft gedaan in zijn laatste akte (en steeds heeft gedaan in eerdere aktes gedurende deze procedure). Alle stellingen over de vijf wallet adressen worden als tardief ter zijde geschoven. De eventuele opbrengsten in bitcoins op deze wallet adressen zijn geen onderwerp van dit geschil. Over de stelling van [eiser] dat 586,79625494 bitcoins zijn gemined 3.23. Daarnaast heeft [eiser] uiteengezet – wederom met verwijzing naar een reactie van Dragon Industries op het rapport van HVK Stevens – hoe het verschil tussen zijn optelling (586,79625494 bitcoins) en de optelling van [gedaagde] (40,228 bitcoins) is te verklaren. Daarbij heeft [eiser] ook totalen opgenomen van cloudmining-transacties, geïmporteerde bitcoins, geëxporteerde bitcoins, transacties met label ‘inkoop [label 3] ’ en met label ‘verkoop [label 3] ’, en transacties met labels ‘dubbel spent’, ‘[label 1] ’ en ‘[label 2] ’ die niet zijn opgenomen in de eerdere producties 23 en 36 van [gedaagde] . Volgens [eiser] zijn deze groepen ten onrechte door [gedaagde] buiten de optelling van de opbrengst gelaten. 3.24. [gedaagde] heeft tegen deze stellingen van [eiser] betoogd dat cloudmining niet meetelt en dat bitcoins met label ‘export’ (of ‘sent’) en ‘import’ niet meetellen. Op de overige standpunten van [eiser] heeft [gedaagde] niet, althans onvoldoende herkenbaar als dusdanig, gereageerd. 3.25. Uit de stellingen van [eiser] blijkt dat van die 586,79625494 bitcoins in totaal 207,53807792 bitcoins zijn meegeteld die als ‘Sent’ (of ‘Export’) zijn opgenomen in de producties 14 van [eiser] en 23 en 36 van [gedaagde] . 3.25.1. [eiser] heeft betoogd dat ook het totaal van ‘Sent’ of ‘Export’ gelabelde transacties meetelt als opbrengst van het gezamenlijk minen omdat die afgeschreven bitcoins toch in de wallets moeten zijn toegevoegd voordat ze kunnen worden afgeschreven. 3.25.2. [gedaagde] heeft daarover betoogd dat afschrijvingen (opgenomen onder ‘Sent’ of ‘Export’) geen opbrengst zijn omdat alleen bijschrijvingen als opbrengst kunnen gelden. 3.25.3. Het betoog van [eiser] op dit punt wordt verworpen. Uit alle stellingen van partijen over hun gezamenlijk miningactiviteiten volgt immers dat bitcoins zijn toegevoegd door bijschrijvingen uit inkoop en uit minen. De uit de wallets afgeschreven bitcoins zijn dus eerder door inkoop of door minen aan de wallets toegevoegd. De ingekochte bitcoins zijn door beide partijen buiten beschouwing gelaten bij de optelling van de opbrengst. De toegevoegde bitcoins uit minen zijn meegenomen in de optelling van het totaal. Als die vervolgens worden geëxporteerd of verzonden, kan dit niet meetellen als opbrengst: zij zijn al meegeteld als toevoeging uit minen dan wel niet meegeteld omdat ze zijn ingekocht. 3.25.4. Voor het dubbel meetellen van die geëxporteerde of verzonden bitcoins bestaat geen rechtsgrond. [eiser] heeft zich daarover niet uitgelaten. Het totaal van geëxporteerde of verzonden bitcoins zoals [eiser] die heeft gesteld (207,53807792 bitcoins) wordt daarom in mindering gebracht op het door hem gestelde opbrengst van het gezamenlijk minen van bitcoins door partijen. 3.26. Verder blijkt uit de stellingen van [eiser] dat het aantal van 31,7037 bitcoins met een label ‘import’ niet zijn meegeteld door [gedaagde] . 3.26.1. Daarover heeft [gedaagde] betoogd dat dit betreft importeren van aangekochte bitcoins op het platform bitonic of vanuit andere wallets van [gedaagde] zijn gehaald. 3.26.2. Dit betoog van [gedaagde] verklaart niet waarom er een totaal is op te maken van ingekochte bitcoins met als label ‘inkoop [label 4] ’ en een totaal is op te maken van geïmporteerde bitcoins. Het had op de weg van [gedaagde] gelegen om zijn betoog aan de hand van de in producties 14 van [eiser] en de producties 23 en 36 van [gedaagde] , nader uiteen te zetten. 3.26.3. Dit heeft [gedaagde] nagelaten, zodat zijn betoog dat geïmporteerde bitcoins niet meetellen als opbrengst wordt verworpen. 3.26.4. Het door [eiser] opgetelde totaal van 31,7037 bitcoins met label ‘import’ tellen dus mee als opbrengst van het gezamenlijk minen van bitcoins door partijen. 3.27. Hetzelfde geldt voor de opbrengsten uit cloudmining waarover onder 3.13 tot en met 3.16 al is overwogen. De overige door [eiser] gestelde posten zijn niet weersproken door [gedaagde] zodat die stellingen van [eiser] stand houden. 3.28. Onder deze omstandigheden wordt vastgesteld dat het minen in de wallets [wallet 1] … [wallet 2] en [wallet 3] … [wallet 4] tot 1 november 2018 in totaal 586,79625494 bitcoins minus 207,53807792 (gelabeld als ‘export’ of ‘sent’) = 379,25817702 bitcoins heeft toegevoegd aan de wallets [wallet 1] … [wallet 2] en [wallet 3] … [wallet 4] . 3.29. Over de waarde van de bitcoins op 1 november 2018 verschillen partijen ook van mening. [gedaagde] heeft terecht aangevoerd dat een gemiddelde dagkoers als koers dient te gelden. [eiser] is kennelijk uitgegaan van een maximumwaarde die op 1 november 2018 is betaald voor een bitcoin. Daarom wordt uitgegaan van de door [gedaagde] gestelde waarde van € 5.593,07 voor een bitcoin op de dag dat de samenwerking van partijen is geëindigd. 3.30. Dat alles houdt dus in dat de opbrengst van het gezamenlijk minen naar bitcoins tot 1 november 2018 is: 379,25817702 bitcoins maal € 5.593,07 = € 2.121.217,53. De kosten van [gedaagde] 3.31. heeft HVK Stevens ook gevraagd een totaal van zijn (beweerde) kosten te becijferen. HVK Stevens heeft die (beweerde) kosten in 38 groepen verzameld en verder een onderscheid gemaakt in kosten voor het gezamenlijk minen en kosten die [gedaagde] heeft gemaakt ter voorbereiding van het bedrijfspand te [locatie 1] voor dat gezamenlijk minen. 3.32. [eiser] heeft gesteld dat HVK Stevens ten onrechte investeringen als kosten heeft meegerekend, de verbouwingskosten van het bedrijfspand te [locatie 1] heeft inbegrepen, en verder een aantal kosten heeft meegeteld die niets met het gezamenlijk minen te maken hebben. 3.33. Dit standpunt van [eiser] slaagt grotendeels. HVK Stevens heeft alle door [gedaagde] overgedragen facturen gegroepeerd in 38 groepen. Daarbij zijn facturen van – onder meer – energieleveranciers voor stroomverbruik, installatiekosten voor het gebruik van elektriciteit, materieel om servers te gebruiken, machines om te minen, apparatuur voor koeling van die servers, verbouwings- dan wel installatiekosten aan de gebruikte bedrijfsruimte en transportdiensten. 3.34. [eiser] heeft terecht gesteld dat sommige kostenposten niet volledig kunnen worden beschouwd als kosten voor het gezamenlijk minen van bitcoins omdat het investeringen betreffen die dienen te worden afgeschreven over een bepaalde periode. Dit geldt in ieder geval voor de aanschafkosten van zaken die een aantal jaren kunnen worden gebruikt, zoals kosten voor stroomaansluitingen, miningservers, koelapparatuur, elektrische bekabeling en verder elektrisch huishouden. Dergelijke investeringen dienen volgens de regels van de Belastingdienst te worden afgeschreven en als dusdanig te worden opgenomen in de boekhouding. Dat geldt ook voor een kostenberekening die in dit geval dient te worden gemaakt. Er is immers geen rechtens belang of reden waarom de kosten voor een zaak die ook na de beëindiging van de samenwerking nog wordt gebruikt, in het geheel als kosten voor het gezamenlijke project van partijen in rekening te brengen. 3.34.1. Dit uitgangspunt had ook door [gedaagde] moeten worden ingezien en hij had zijn kosten op die wijze dienen te presenteren. [gedaagde] heeft een stapel papier (8 cm dik, ruim 800 pagina’
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.