← Nederland

ECLI:NL:RBAMS:2025:10337

RECHTBANK Amsterdam Civiel recht Zaaknummer: C/13/767998 / HA ZA 25-971 Vonnis van 24 december 2025 in de zaak van [eiser] , te [woonplaats] , eisende partij, hierna te noemen: [eiser] , advocaat: mr. M.J. Meijer, tegen COÖPERATIEVE RABOBANK U.A., te Amsterdam, gedaagde partij, hierna te noemen: Rabobank, advocaat: mr. A. Bijnevelt. 1De procedure 1.1. Het verloop van de procedure blijkt uit: - de dagvaarding van 15 april 2025 met producties; - de conclusie van antwoord met producties; - het tussenvonnis van 30 juli 2025, waarin een mondelinge behandeling is bepaald; - het verkorte proces-verbaal van de mondelinge behandeling van 11 november 2025, de daarin genoemde stukken, en door de griffier gemaakte zittingsaantekeningen die zich in het dossier bevinden. 1.2. Ten slotte is vonnis bepaald. 2De feiten 2.1. ( De rechtsvoorgangster van) Rabobank heeft in 2003 een geldlening verstrekt aan [eiser] en zijn ex-partner [naam] (hierna: [naam] ) voor de aankoop van een onroerende zaak gelegen aan de [adres] (hierna: de woning). Tot zekerheid van terugbetaling is een hypotheek verstrekt, met de woning als onderpand. Op 19 september 2003 is de hypotheekakte gepasseerd. 2.2. Nadat er een hypotheekachterstand was ontstaan bij [eiser] en [naam] heeft de voorzieningenrechter van de rechtbank Den Haag Rabobank bij beschikking van 1 oktober 2015 gemachtigd om de woning te ontruimen. Bij beschikking van 16 februari 2016 heeft het gerechtshof Den Haag deze beschikking in hoger beroep bekrachtigd. 2.3. Op 7 januari 2016 is de woning in opdracht van Rabobank door een deurwaarder ontruimd. 2.4. Rabobank heeft de woning op 8 april 2016 executoriaal verkocht, waarna voor [eiser] en [naam] een schuld aan Rabobank resteerde van € 141.692,68. [eiser] en [naam] hebben in de periode daarna schriftelijk en mondeling met Rabobank overlegd over de afwikkeling van die restschuld. 2.5. Op 2 mei 2016 hebben (de rechtsvoorgangster van) Rabobank en [eiser] een vaststellingsovereenkomst, inhoudende een betalingsregeling, ondertekend. 2.6. In 2018 heeft Rabobank haar vordering op [eiser] in handen gesteld van Syncasso Gerechtsdeurwaarders (hierna: Syncasso). 2.7. In 2019 is Rabobank een civiele bodemprocedure bij de rechtbank Den Haag tegen [eiser] gestart. Rabobank heeft in die procedure veroordeling van [eiser] gevorderd tot betaling van een hoofdsom van € 141.692,68 (de restschuld), vermeerderd met (contractuele) rente. Rabobank heeft aan die vordering ten grondslag gelegd dat [eiser] zijn betalingsverplichting op grond van de tussen (de rechtsvoorgangster van) Rabobank en hem gesloten overeenkomst van geldlening diende na te komen en de restschuld en rente aan Rabobank moest voldoen. 2.8. [eiser] heeft in die procedure bestreden dat Rabobank de restschuld kon invorderen. Hij heeft in dit kader gesteld dat partijen een betalingsregeling hadden getroffen, inhoudende dat [eiser] eerst in de gelegenheid moest worden gesteld om een baan te vinden, waarna hij gedurende drie jaar een bedrag van € 200,- per maand zou gaan aflossen, als zijn draagkracht hem daartoe in staat zou stellen. [eiser] had weliswaar een baan gevonden, maar kon nog niet aflossen door een gebrek aan draagkracht, aldus [eiser] in die procedure. 2.9. Bij vonnis van 6 mei 2020 heeft de rechtbank Den Haag (in conventie) geoordeeld dat [eiser] zijn stelling dat er tussen Rabobank en hem een betalingsregeling was getroffen die aan de invordering in de weg stond, onvoldoende had onderbouwd. De volgende overwegingen hebben tot dit oordeel geleid: “5.4. Als uitgangspunt heeft te gelden dat [eiser] de stelplicht en (bij een betwisting) de bewijslast draagt van zijn bevrijdende verweer. [eiser] verwijst hiervoor allereerst naar een e-mailbericht van Rabobank van 31 augustus 2016 (..). Daarin is onder meer vermeld: ‘U heeft in het gesprek aangegeven bereid te zijn met de bank een betalingsregeling naar draagkracht af te spreken voor een periode van 3 jaar op het moment dat u een baan heeft gevonden. De Rabobank gaat akkoord met uw voorstel.’. De rechtbank overweegt dat uit deze passage kan worden afgeleid dat Rabobank instemt met het voorstel van [eiser] om in gesprek te gaan over een betalingsregeling zodra hij een baan heeft gevonden. Uit de e-mail kan naar het oordeel van de rechtbank echter niet worden afgeleid dat partijen tijdens hun gesprek op 13 juli 2016 (

  1. al)een betalingsregeling zijn overeengekomen, in de vorm zoals door [eiser] is gesteld. 5.5. Voor zover [eiser] doelt op de passages in de interne notities van Rabobank die melding maken van een ‘regeling’ (..), kan hem dit niet baten. Uit deze notities leidt de rechtbank af dat de desbetreffende passages betrekking hebben op eerdere, afzonderlijke betalingsregelingen die Rabobank, in mei 2016 - en dus niet op 13 juli 2016 - met [naam] en [eiser] had getroffen voor de voldoening van de restschuld. Hierbij betrekt de rechtbank dat de looptijd van de toen met [eiser] getroffen regeling (vijf jaar) afwijkt van de looptijd van een door hem gestelde betalingsregeling van 13 juli 2016 (drie jaar). Daar komt bij dat de notities geen melding maken van de door [eiser] bedoelde voorwaarden (eerst een baan en dan € 200 per maand aflossen). De interne notities duiden er wel op dat [eiser] de betalingsregeling uit mei 2016 niet is nagekomen, dat deze vervolgens om die reden door Rabobank is beëindigd (..) en dat Rabobank daarna op 13 juli 2016 met [eiser] in gesprek is gegaan over de ontstane situatie (..). In de interne notities kunnen geen concrete aanknopingspunten worden gevonden dat tijdens dat gesprek daadwerkelijk een ‘nieuwe’ betalingsregeling tot stand is gekomen voor een periode van drie jaar, zoals [eiser] stelt.” 2.10. De door Rabobank gevorderde hoofdsom van € 141.692,68 is in het verlengde daarvan door de rechtbank Den Haag toegewezen, vermeerderd met de wettelijke rente; contractuele rente was niet overeengekomen. Het vonnis is op 10 augustus 2020 aan [eiser] betekend. 2.11. Bij brieven van 16 mei 2023 en 20 juni 2023 heeft Syncasso contact gezocht met [eiser] om een nieuwe betalingsregeling te treffen. In de brief van 16 mei 2023 heeft Syncasso het volgende aan [eiser] bericht: “(..) Wij hebben afgesproken dat wij de betalingsregeling die u nu heeft, na verloop van tijd opnieuw bekijken. Het is belangrijk om volledige en juiste informatie aan ons door te geven. Dan kunnen wij een betalingsregeling afspreken, die past bij uw persoonlijke situatie. Daarmee zorgen wij ervoor, dat u de regeling ook kunt nakomen. Inkomsten-uitgavenformulier Wij vragen u om het formulier in de bijlage volledig in te vullen, te ondertekenen en voor 26 mei 2023 te e-mailen naar (..) of op te sturen naar (..). (..) Belangrijk:  Het is belangrijk dat u het formulier op tijd ingevuld naar ons terugstuurt. Anders loopt u het risico dat uw betalingsregeling vervalt en u in één keer het bedrag dat nog openstaat moet betalen.  Alleen met een volledig ingevuld formulier kunnen wij een nieuwe betalingsregeling afspreken. (..)” 2.12. [eiser] heeft hierop niet gereageerd. 2.13. In opdracht van Rabobank heeft een gerechtsdeurwaarder van Syncasso op 11 augustus 2023 executoriaal beslag gelegd op het inkomen van [eiser] (hierna: het loonbeslag). 2.14. Bij brief van 3 mei 2024 heeft de advocaat van [eiser] , mr. Meijer, voor zover hier van belang, het volgende aan Rabobank bericht: “Ik constateer (..) dat noodgedwongen de woning van cliënt openbaar verkocht moest worden. Dit met een verkoopopbrengst van ruim € 100.000,00 lager dan de toenmalige marktwaarde, wat uiteindelijk een flinke restschuld teweeg heeft gebracht. Sinds 17 augustus 2020 voldoet cliënt iedere maand op tijd het hiertoe afgesproken bedrag ter aflossing. Ondanks de in het geding zijnde betalingsregeling die stipt door cliënt wordt nagekomen (geen verzuim/geen directe opeisbaarheid van het totaal verschuldigde) u afgelopen zomer (zonder ingebrekestelling) gemeend hebt voor het restant verschuldigde loonbeslag te moeten laten leggen. Client vraagt zich echter openlijk af of dit gezien alle omstandigheden van het geval recht doet aan artikel 2 van de Algemene Bank Voorwaarden. Client meent oprecht van niet. Immers ook u dient zorgvuldig de belangen van een klant te waarborgen, wat thans door uw laakbare handelwijze juist niet het geval is. Wat nu? Graag ziet cliënt u in heroverweging nemen, de noodzakelijkheid van het in geding zijnde loonbeslag en verzoekt u dit op te heffen, waarbij de oude betalingsregeling per 1 juni as. door cliënt gestand gedaan zal worden.” 2.15. Het loonbeslag is tot op heden niet opgeheven. 3Het geschil 3.1. [eiser] vordert, bij uitvoerbaar bij voorraad te verklaren vonnis: “gedaagde te verbieden elke vorm van executie, gebaseerd op het exploit volgens productie 2, met onmiddellijke ingang na vonniswijzing te staken en te blijven staken, althans op te schorten en te blijven opschorten, alles zonder opnieuw tot executie over te gaan op basis van bedoeld exploit, alsook gedaagde te veroordelen, onverwijld na vonniswijzing ongedaan te maken en te hebben gemaakt, executiehandelingen die reeds plaats gevonden mochten hebben, zulks onder onverwijlde restitutie aan eiser, via betaling aan eiser, van hetgeen gedaagde ten tijde van vonniswijzing inmiddels mochten hebben geïnd, zulks op straffe van een dwangsom van € 1.000,00 (zegge: één duizend euro) per dag of gedeelte van een dag, zulks ongelimiteerd, dus niet te maximeren, te verbeuren door gedaagde, voor zover gedaagde in gebreke mocht(
  2. en)blijven te voldoen aan het ten deze te wijzen vonnis,” met veroordeling van Rabobank in de proceskosten. 3.2. [eiser] baseert zijn vorderingen op artikel 6:162 en artikel 3:13 van het Burgerlijk Wetboek (BW). De feitelijke grondslag zal in het navolgende nader zal worden toegelicht. 3.3. Rabobank concludeert tot niet-ontvankelijkheid van [eiser] , althans tot nietigverklaring van de dagvaarding dan wel tot afwijzing van de vorderingen van [eiser] , met uitvoerbaar bij voorraad te verklaren veroordeling van [eiser] in de (werkelijke) kosten van deze procedure. 3.4. Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover nodig, nader ingegaan. 4De beoordeling Nietige dagvaarding/schending artikel 21 Rv 4.1. Rabobank voert allereerst tot haar verweer aan dat de dagvaarding niet voldoet aan de minimale vereisten van artikel 111 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv) en dat deze daardoor nietig is. Volgens Rabobank volgt uit de dagvaarding onvoldoende deugdelijk en begrijpelijk wat [eiser] eist (een gebod of verbod) en welke gronden hij daartoe aandraagt. Onduidelijk in de dagvaarding is bijvoorbeeld op welke betalingsregeling, die aan het leggen van loonbeslag in de weg zou (hebben ge)staan, [eiser] nu precies doelt, wat de voorwaarden van die regeling dan zijn en waaruit volgt dat hij die betreffende regeling ook is nagekomen. Iets anders om de gestelde onrechtmatigheid van het loonbeslag en misbruik van bevoegdheid te onderbouwen, is niet naar voren gebracht. Ook heeft [eiser] een gebrekkig, onvolledig beeld van de feitelijke situatie geschetst en heeft hij daarmee artikel 21 Rv geschonden. Zo heeft hij het vonnis van 6 mei 2020, dat uiterst relevant is voor en inmiddels het vertrekpunt is van de tussen partijen ontstane situatie, in zijn dagvaarding niet benoemd en niet in het geding gebracht. Rabobank wordt door deze wijze van procederen onredelijk benadeeld, aldus steeds Rabobank. 4.2. De rechtbank overweegt als volgt. De dagvaarding moet op straffe van nietigheid onder meer de eis en de gronden daarvan vermelden (artikel 111 lid 2 Rv). Daaronder moet worden verstaan de feitelijke grondslag van de vordering en daarmee dus een complex aan feiten dat in verband is te brengen met de ingeroepen rechtsgevolgen. Volgens artikel 120 lid 1 Rv moet het voorschrift op straffe van nietigheid worden nageleefd. Als de gedaagde in het geding verschijnt, zo is in artikel 122 lid 1 Rv bepaald, en zich beroept op de nietigheid van het exploot van dagvaarding, dan verwerpt de rechter dat beroep indien naar zijn oordeel het gebrek de gedaagde niet onredelijk in zijn belangen heeft geschaad. 4.3. De lat om een dagvaarding nietig te verklaren, ligt redelijk hoog. Naar het oordeel van de rechtbank heeft [eiser] , met de wijze waarop hij zijn dagvaarding heeft ingekleed, zich in dit verband op bijzonder dun ijs begeven. De eis is warrig opgeschreven, en behoeft behoorlijk wat nadere duiding om te begrijpen wat nu precies wordt bedoeld. De juridische grondslag van de vorderingen is duidelijk, te weten onrechtmatig handelen en misbruik van bevoegdheid, maar de feitelijke invulling van die grondslag bevat niet een bijzonder heldere, gedetailleerde en volledige uiteenzetting. 4.4. Desalniettemin mag van Rabobank – en overigens ook van de rechtbank – worden verwacht dat zij een dagvaarding welwillend leest. Bij een welwillende lezing van de dagvaarding – en dat doet Rabobank naar het oordeel van de rechtbank ook wel – begrijpt de rechtbank, mede in het licht van de door Rabobank gestelde feiten in de conclusie van antwoord, het volgende in deze zaak. 4.5. Rabobank heeft met het vonnis van 6 mei 2020 een executoriale titel verkregen. Zij mag de restschuld in beginsel dus innen en heeft, nu het niet mogelijk bleek (tijdelijke) betalingsregelingen met [eiser] te treffen, vervolgens het loonbeslag laten leggen. [eiser] vordert in deze procedure, verbeterd gelezen, dat de rechtbank Rabobank gebiedt (het woord ‘verbiedt’ betreft evident een verschrijving) om al haar executiemaatregelen, en in dit geval dus specifiek/met name het loonbeslag, met onmiddellijke ingang te staken en gestaakt te houden. Ook vordert [eiser] een veroordeling van Rabobank tot ongedaanmaking van de reeds verrichte executiehandelingen (het gelegde loonbeslag) en tot terugbetaling van reeds geïnde bedragen, op straffe van een dwangsom van € 1.000 per dag(deel) als Rabobank hieraan niet voldoet. Tot slot vordert [eiser] een veroordeling van Rabobank in de proceskosten, vermeerderd met de wettelijke rente. 4.6. Het is de rechtbank duidelijk dat de vorderingen zijn gebaseerd op de stelling van [eiser] dat het gelegde loonbeslag onrechtmatig is en dat Rabobank misbruik van haar bevoegdheid maakt door het beslag te laten voortduren, omdat er een betalingsregeling zou zijn getroffen die [eiser] ook zou zijn nagekomen. Onduidelijk hierbij is echter op welke betalingsregeling [eiser] precies doelt. 4.7. Ter zitting heeft [eiser] toegelicht dat de feitelijke grondslag van zijn vorderingen de volgende is. Partijen hebben in de vaststellingsovereenkomst van 2 mei 2016 afspraken gemaakt over de afbetaling door [eiser] van de restschuld en [eiser] heeft zich vervolgens keurig aan deze afspraken gehouden. Hij zou pas gaan aflossen als hij een baan had en in 2018 heeft hij keurig gemeld dat hij een baan had gevonden, alleen kon hij toen nog niet gelijk aflossen. De rechtbank Haarlem heeft in het vonnis van 6 mei 2020 weliswaar geoordeeld dat geen sprake (meer) van een betalingsregeling was, maar de rechtbank Den Haag beschikte destijds niet over de vaststellingsovereenkomst die partijen op 2 mei 2016 hadden gesloten, was dus niet bekend met de afspraken die daarin waren neergelegd en heeft daarom evenmin kunnen vaststellen dat [eiser] zich niet aan die afspraken heeft gehouden. De conclusie van de rechtbank Den Haag dat de in de vaststellingsovereenkomst van 2 mei 2016 vervatte ‘betalingsregeling van mei 2016’ was beëindigd, is dan ook onterecht. [eiser] beschikte, anders dan nu, toen niet over een afschrift van de vaststellingsovereenkomst, waardoor hij deze niet in het geding heeft kunnen brengen en de afspraken niet kon bewijzen. Van belang is echter dat Rabobank wist hoe de vork werkelijk in de steel zat en dus wist dat het vonnis van 6 mei 2020 inhoudelijk onjuist was. Nadat zij loonbeslag had gelegd, heeft [eiser] Rabobank hier ook nogmaals op gewezen. Hij heeft nogmaals uitgelegd dat de betalingsregeling van mei 2016 nog van kracht was en dat de invordering dan ook moest worden stopgezet. Door het loonbeslag desondanks voort te zetten, is het loonbeslag (en overigens elke andere te nemen executiemaatregel) onrechtmatig in de zin van artikel 6:162 BW en maakt Rabobank misbruik van haar bevoegdheid (artikel 3:13 BW), aldus steeds [eiser] . Gezag van gewijsde 4.8. Rabobank voert tot haar verweer aan dat, als [eiser] zich daadwerkelijk op het standpunt stelt dat de betalingsregeling van 2 mei 2016 (nog altijd) in de weg staat aan het invorderen van de restschuld (en in het verlengde daarvan aan het leggen van loonbeslag), zijn hierop gebaseerde vorderingen afstuiten op het gezag van gewijsde. In het vonnis van 6 mei 2020, dat tussen [eiser] en Rabobank is gewezen, is immers al geoordeeld dat [eiser] zich niet aan ‘de betalingsregeling van mei 2016’ heeft gehouden, dat deze betalingsregeling daarom is beëindigd en dat er vervolgens geen nieuwe regeling tot stand is gekomen. Volgens Rabobank beschikte de rechtbank Den Haag destijds wel degelijk over de vaststellingsovereenkomst van 2 mei 2016, maar ook als dat niet zo is, maakt dat één en ander niet anders. De rechtbank Den Haag heeft de vaststellingsovereenkomst immers wel inhoudelijk bij de hiervoor genoemde beoordeling betrokken. Als [eiser] het niet eens was met de beoordeling op dit punt, had hij hoger beroep tegen het vonnis van 6 mei 2020 moeten instellen, aldus Rabobank 4.9. De rechtbank stelt voorop dat niet in geschil is dat de in het vonnis van 6 mei 2020 genoemde ‘betalingsregeling van mei 2016’ de vaststellingsovereenkomst van 2 mei 2016 betreft. In het vonnis van 6 mei 2020 heeft de rechtbank Den Haag met betrekking tot de door [eiser] aan Rabobank verschuldigde restschuld geoordeeld dat de betalingsregeling van mei 2016, dus de vaststellingsovereenkomst, er niet aan de weg staat dat Rabobank tot de invordering van die restschuld mag overgaan, omdat deze betalingsregeling was beëindigd en er nadien geen nieuwe tot stand was gekomen (zie 2.9). 4.10. In artikel 236 lid 1 Rv staat dat beslissingen die de rechtsbetrekking in geschil betreffen en zijn vervat in een in kracht van gewijsde gegaan vonnis, in een ander geding tussen dezelfde partijen bindende kracht hebben. Net als in de procedure in Den Haag, stelt [eiser] ook in deze procedure dat de vaststellingsovereenkomst van 2 mei 2016 eraan in de weg staat dat Rabobank tot invordering (door het leggen van loonbeslag) van de restschuld mag overgaan. Omdat het vonnis van 6 mei 2016 gezag van gewijsde heeft, komt de(
  3. ze)rechtbank evenwel niet toe aan een (hernieuwde) beoordeling van (de status van) de vaststellingsovereenkomst van 2 mei 2016. Het moet er dus voor worden gehouden dat de betalingsregeling die daarin is vervat, is beëindigd en daarmee niet in de weg staat aan de invordering van de restschuld, ook als vast zou komen te staan dat de rechtbank Den Haag destijds niet (fysiek) over die vaststellingsovereenkomst zou hebben beschikt. 4.11. Het voorgaande brengt met zich dat de grondslag aan alle vorderingen van [eiser] is komen te ontvallen. De vorderingen zullen dan ook worden afgewezen. Alle overige door Rabobank gevoerde verweren in relatie tot dat wat concreet (en de wijze waarop) gevorderd is en het beroep op artikel 21 Rv, kunnen bij deze stand van zaken onbesproken blijven. (Werkelijke) proceskosten 4.12. Omdat [eiser] in het ongelijk is gesteld, ziet de rechtbank aanleiding om hem te veroordelen in de proceskosten van Rabobank. 4.13. De rechtbank zal de proceskostenveroordeling baseren op het liquidatietarief. Voor een veroordeling in de werkelijk gemaakte proceskosten, zoals door Rabobank verzocht, is alleen plaats in buitengewone omstandigheden, waarbij dient te worden gedacht aan misbruik van procesrecht of onrechtmatig handelen. Bij het aannemen van misbruik van procesrecht of onrechtmatig handelen als grond voor een veroordeling in de werkelijk gemaakte proceskosten past terughoudendheid, gelet op de toegang tot de rechter, dat mede gewaarborgd wordt door artikel 6 EVRM. 4.14. Hoewel [eiser] (en zeker zijn raadsman, mr. Meijer), gezien het vonnis van 6 mei 2020, de inschatting had kunnen maken dat de in deze procedure ingestelde vorderingen geen kans van slagen zouden hebben, strekt het in de gegeven situatie nét te ver om te oordelen dat [eiser] met het instellen van die vorderingen misbruik van procesrecht heeft gemaakt of onrechtmatig heeft gehandeld. Het heeft er alle schijn van dat zijn raadsman wel in de gaten had wat de stand van zaken was (en om die reden de procedure ook zo vaag heeft ingestoken, met weglating van het vonnis van 6 mei 2020), maar dat hij in de gegeven omstandigheden dacht dat hij met het instellen van de vorderingen zijn ‘op Rabobank woedende’ cliënt, [eiser] , zou helpen. Zijn inschatting moet zijn geweest dat hij, onder druk van deze procedure wellicht een regeling voor [eiser] zou kunnen treffen. De raadsman stuurde ter zitting dan ook onmiddellijk aan op een verwijzing naar mediation dan wel het treffen van een minnelijke regeling, waartoe Rabobank overigens ook bereid bleek, alleen [eiser] zelf niet. [eiser] lijkt er oprecht stellig van overtuigd dat Rabobank met de invordering op het verkeerde spoor zit en dat er opnieuw naar de vaststellingsovereenkomst van 2 mei 2016 moet worden gekeken, wat – zoals uit het voorgaande volgt – dus niet kan. De schoonheidsprijs verdient het allemaal (bepaald) niet, maar de rechtbank ziet in de gegeven omstandigheden nét onvoldoende aanleiding om tot een veroordeling in de werkelijk gemaakte proceskosten van Rabobank over te gaan. Overigens heeft Rabobank ook niet toegelicht hoeveel haar werkelijk gemaakte proceskosten bedragen. Eén en ander zou anders kunnen komen te liggen als [eiser] opnieuw een procedure zou starten om opnieuw een beroep te doen op de vaststellingsovereenkomst van 2 mei 2016 ter voorkoming van verdere invorderingsmaatregelen door Rabobank. 4.15. Gelet op het voorgaande worden de proceskosten van Rabobank begroot op: - griffierecht € 714,00 - salaris advocaat € 1.228,00 (2 punten × € 614,00) - nakosten € 178,00 (plus de verhoging zoals vermeld in de beslissing) Totaal € 2.120,00 4.16. De gevorderde wettelijke rente over de proceskosten wordt toegewezen zoals vermeld in de beslissing. 5De beslissing De rechtbank 5.1. wijst de vorderingen van [eiser] af, 5.2. veroordeelt [eiser] in de proceskosten van € 2.120,00, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met € 92,00 plus de kosten van betekening als [eiser] niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend, 5.3. veroordeelt [eiser] tot betaling van de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW over de proceskosten als deze niet binnen veertien dagen na aanschrijving zijn betaald, 5.4. verklaart dit vonnis wat betreft de veroordelingen onder 5.2. en 5.3. uitvoerbaar bij voorraad. Dit vonnis is gewezen door mr. A.J. Scheijde, bijgestaan door mr. P.S. van Gelein Vitringa, griffier, en in het openbaar uitgesproken op 24 december 2025. Gerechtshof Den Haag 16 februari 2016, ECLI:NL:GHDHA:2016:265. Rechtbank Den Haag 6 mei 2020, ECLI:NL:RBDHA:2020:4261. HR 23 december 2022, ECLI:NL:HR:2022:1934.

🔗 Naar officiële bron

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.