RECHTBANK AMSTERDAM Bestuursrecht zaaknummer: AMS 24/1786 uitspraak van de enkelvoudige kamer van 17 februari 2025 in de zaak tussen [eiser] , te Amsterdam, eiser (gemachtigde: [gemachtigde] ) en de heffingsambtenaar van de gemeente Amsterdam, de heffingsambtenaar. Procesverloop De heffingsambtenaar heeft in een beschikking van 25 februari 2023 de WOZ-waarde van de onroerende zaak [adres 4] [huisnummer 1] H te Amsterdam (hierna: de woning) voor het kalenderjaar 2023 vastgesteld op € 1.771.000,-. In hetzelfde document heeft de heffingsambtenaar ook de aanslag onroerende zaakbelasting, rioolheffing en afvalstoffenheffing bekendgemaakt. Eiser heeft hiertegen bezwaar gemaakt. In de uitspraak op bezwaar van 17 februari 2024 (de bestreden uitspraak) heeft de heffingsambtenaar het bezwaar ongegrond verklaard. Eiser heeft tegen de bestreden uitspraak beroep ingesteld. De heffingsambtenaar heeft een verweerschrift ingediend. Hierin wordt de WOZ-waarde van de woning gewijzigd vastgesteld op € 1.743.000,-. De zaak is behandeld op de zitting van 20 januari 2025. De gemachtigde van eiser is verschenen. De heffingsambtenaar is verschenen in de persoon van mr. P.E.H.A. Ingenhou , vergezeld door taxateur [taxateur] . Overwegingen De aanleiding voor deze procedure 1. Eiser is eigenaar van de woning. De woning betreft een historische benedenwoning van ongeveer 253 m² met een tuin van ongeveer 10 m² en een dakterras van ongeveer 53 m². 2. Partijen zijn het niet eens over de hoogte van de WOZ-waarde van de woning. De waardepeildatum is in dit geval 1 januari 2022. Bepalend is de staat waarin de woning op die datum verkeert. 3. Eiser vindt dat de heffingsambtenaar de WOZ-waarde te hoog heeft vastgesteld. Hij stelt een waarde voor van € 1.447.000,-. De heffingsambtenaar vindt dat hij de waarde niet te hoog heeft vastgesteld. Hij heeft ter onderbouwing van de waarde een taxatierapport ingediend waarin de waarde van de woning is getaxeerd op € 1.743.000,-. Het taxatierapport van de heffingsambtenaar bevat gegevens en recente verkoopcijfers van andere woningen (de vergelijkingsobjecten), namelijk [adres 5] [huisnummer 2] , [adres 6] [huisnummer 3] (souterrain, bel-etage en eerste verdieping) en [adres 7] [huisnummer 4] in Amsterdam . Volgens de heffingsambtenaar valt uit de verkoopprijzen van deze vergelijkingsobjecten af te leiden dat de WOZ-waarde van de woning niet te hoog is vastgesteld. 4. Ingevolge artikel 17, tweede lid, van de Wet WOZ wordt de waarde van de woning bepaald op de waarde die daaraan dient te worden toegekend, indien de volle en onbezwaarde eigendom van de woning zou kunnen worden overgedragen en de verkrijger de woning in de staat waarin deze zich bevindt, onmiddellijk en in volle omvang in gebruik zou kunnen nemen. Deze waarde is naar de bedoeling van de wetgever ‘de prijs welke door de meestbiedende koper besteed zou worden bij aanbieding ten verkoop op de voor de zaak meest geschikte wijze na de beste voorbereiding’. De heffingsambtenaar moet aannemelijk maken dat hij de waarde van de woning niet op een te hoog bedrag heeft vastgesteld. 5. Om te beoordelen of de heffingsambtenaar aannemelijk heeft gemaakt dat hij de WOZ-waarde niet te hoog heeft vastgesteld, moet de rechtbank beoordelen of de vergelijkingsobjecten voldoende vergelijkbaar zijn met de woning, en zo ja, of de heffingsambtenaar voldoende rekening heeft gehouden met de verschillen tussen de vergelijkingsobjecten en de woning. Heeft de heffingsambtenaar aannemelijk gemaakt dat de waarde van de woning niet te hoog is vastgesteld? 6. De rechtbank acht de vergelijkingsobjecten wat betreft type woning, bouwjaar en oppervlakte voldoende vergelijkbaar met de woning. Verder liggen de transactiedata van de vergelijkingsobjecten voldoende dicht bij de peildatum. 7. De rechtbank overweegt dat uit de taxatiekaart blijkt dat de gemiddelde neutrale m²-prijs van de vergelijkingsobjecten € 7.919,- bedraagt, terwijl voor de woning is uitgegaan van een gemiddelde neutrale m²-prijs van € 6.794,-. Dit betekent dat de heffingsambtenaar rekening heeft gehouden met een verschil van € 1.125,- per m². Dit verschil vermenigvuldigd met de oppervlakte van de woning van 253 m², geeft een prijsverschil van € 284.625,-. Het is de rechtbank niet gebleken dat een nog groter verschil gerechtvaardigd zou zijn. De rechtbank is bovendien van oordeel dat de heffingsambtenaar voldoende rekening heeft gehouden met de eventuele verschillen tussen de woning en de vergelijkingsobjecten. 8. Eiser voert aan dat het souterrain van 100 m2 geen daglichttoetreding heeft en daarom niet als gebruiksoppervlakte gekwalificeerd moet worden, maar als “overige inpandige ruimte” tegen een lagere m²-prijs. De heffingsambtenaar heeft dit betwist en een reactie van de Afdeling Vastgoed van 9 oktober 2024 overgelegd. Hierin staat dat het souterrain volwaardige woonruimte betreft. De hoogte voldoet ruimschoots en er is in het merendeel van het souterrain daglichttoetreding door middel van twee patio’s. De Afdeling Vastgoed heeft daartoe bouwtekeningen bij de reactie opgenomen. De rechtbank volgt de uitleg van de heffingsambtenaar. De beroepsgrond slaagt niet. Conclusie 9. Het beroep is gegrond omdat de heffingsambtenaar de in de bestreden uitspraak vastgestelde WOZ-waarde niet handhaaft. De rechtbank zal de bestreden uitspraak vernietigen en zelf in de zaak voorzien door de WOZ-waarde van de woning voor het belastingjaar 2023 vast te stellen op € 1.743.000,-. De aanslag onroerende zaakbelasting dient overeenkomstig deze waarde te worden verminderd. Proceskosten 10. Eiser verwijst naar het arrest van de Hoge Raad van 17 januari 2025 en meent dat sprake is van een geval dat in het arrest als bijzonder in de zin van artikel 30a, leden 1 en 2, van de Wet WOZ wordt aangemerkt, waardoor toepassing van de correctiefactor achterwege dient te blijven. 11. De Hoge Raad heeft in zijn arrest van 17 januari 2025 geoordeeld dat de wetgever met de beperkingen van proceskostenvergoedingen in procedures over de Wet WOZ het oog heeft gehad op gevallen die zich daardoor kenmerken dat aan de belanghebbende rechtsbijstand wordt verleend door een beroepsmatig optredende gemachtigde, dan wel een kantoor, waarvan het bedrijfsmodel eruit bestaat dat (
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.