← Nederland

ECLI:NL:RBAMS:2025:10422

RECHTBANK Amsterdam Civiel recht, voorzieningenrechter Zaaknummer: C/13/779269 / KG ZA 25-963 MK/EB Vonnis in kort geding van 23 december 2025 in de zaak van [eiseres] , te [woonplaats 1] , eisende partij in conventie bij dagvaarding van 1 december 2025, verwerende partij in reconventie, hierna te noemen: [eiseres] , advocaat: mr. B.J. den Hartog, tegen [gedaagde] , te [woonplaats 2] , gedaagde partij in conventie, eisende partij in reconventie, hierna te noemen: [gedaagde] , advocaten: mr. S.J. Kloosterman en mr. S. Reitsma. 1De procedure Op de zitting van 9 december 2025 heeft [eiseres] de vorderingen zoals omschreven in de dagvaarding toegelicht. [gedaagde] heeft verweer gevoerd, mede aan de hand van een tevoren ingediende conclusie van antwoord, en een tegenvordering (eis in reconventie) ingediend zoals verwoord in diezelfde conclusie. [eiseres] heeft de tegenvordering bestreden. Beide partijen hebben stukken (producties) in het geding gebracht en gebruik gemaakt van pleitaantekeningen, die aan het dossier zijn toegevoegd. Bij de mondelinge behandeling waren partijen en hun advocaten aanwezig. Vonnis is bepaald op vandaag. 2De feiten in conventie 2.

  1. [eiseres] is sinds 7 maart 1994 eigenaar van het perceel grond aan [adres 1] te [plaats 1] . Het daarop gelegen woonhuis verhuurt zij aan haar zoon en de eveneens op het perceel gelegen loods aan een bedrijf. 2.
  2. [gedaagde] is op 13 mei 2015 eigenaar geworden van het naastgelegen perceel grond aan [adres 2] en [adres 3] te [plaats 1] . Het perceel van [gedaagde] heeft geen eigen toegangsweg van en naar [locatie] , maar is daarvoor afhankelijk van de percelen van [eiseres] en van een andere buurvrouw, [naam buurvrouw] . Ten gunste van het perceel van [gedaagde] en ten laste van de percelen van [naam buurvrouw] en [eiseres] is daarom in 1968 een erfdienstbaarheid (een recht van overpad) gevestigd. Op dit moment loopt in hoger beroep een bodemprocedure tussen partijen over de reikwijdte van dit recht van overpad. 2.
  3. [gedaagde] wil op zijn perceel een bedrijfsverzamelgebouw met vier units realiseren en verhuren. De bouw daarvan is bijna afgerond. Het gebouw moet alleen nog aangesloten worden op het riool en daarnaast is [gedaagde] van plan om de (overige) nutsvoorzieningen (elektriciteit, water en data) te vernieuwen. Hiervoor moeten leidingen en kabels worden aangelegd door/over de percelen van [naam buurvrouw] en [eiseres] . [gedaagde] heeft hierover op verschillende momenten contact gehad met [naam buurvrouw] en [eiseres] . [naam buurvrouw] is akkoord gegaan met de concept akte van vestiging erfdienstbaarheid die [gedaagde] hiertoe had laten opmaken. [eiseres] heeft haar medewerking aan het verlijden van de notariële akte geweigerd. 2.
  4. Op vordering van [gedaagde] heeft de voorzieningenrechter van deze rechtbank [eiseres] , bij vonnis van 24 november 2025, veroordeeld om binnen een week na betekening van het vonnis haar onvoorwaardelijke en volledige medewerking te verlenen aan de vestiging van de erfdienstbaarheden zoals opgenomen in de conceptakte van 15 november 2024, bij gebreke waarvan het vonnis op grond van artikel 3:300 lid 1 BW in de plaats treedt van de door [eiseres] te verlenen medewerking (volmacht) aan het opstellen en laten passeren van een akte tot vestiging van de erfdienstbaarheden conform de conceptakte van 15 november 2024 (hierna: het vonnis). Die beslissing is gebaseerd op de volgende overwegingen: “
  5. De beoordeling 4.
  6. In dit kort geding komt het in de kern neer op de vraag of [eiseres] verplicht is om haar medewerking te verlenen aan de vestiging van de erfdienstbaarheden overeenkomstig de conceptakte van 15 november
  7. De voorzieningenrechter komt tot de conclusie dat dat het geval is en zal de primaire vorderingen van [gedaagde] daarom toewijzen zoals vermeld in de beslissing. 4.
  8. Ter zitting heeft [eiseres] toegelicht dat zij twee fundamentele bezwaren heeft tegen de plannen van [gedaagde] . Enerzijds wil zij geen aansprakelijkheid voor eventuele schade die voortvloeit uit de (aanleg van de) riolering en overige nutsvoorzieningen van [gedaagde] . Zij heeft daar slechte ervaringen mee. Anderzijds heeft zij een probleem met de vernieuwing van de overige nutsvoorzieningen, nu deze pas in de eerste conceptakte voor het eerst aan de orde kwamen en zij niet wil dat de vernieuwing van deze overige nutsvoorzieningen ervoor zorgt dat haar huurders straks geen water hebben. 4.
  9. Hoewel deze bezwaren op zichzelf begrijpelijk zijn, gaan ze in dit geval niet op omdat er al aan tegemoet wordt gekomen. Met de vestiging van erfdienstbaarheden wordt juist voorzien in afdekking van eventuele aansprakelijkheid aan de zijde van [eiseres] . Bovendien heeft [gedaagde] toegezegd dat hij het perceel van [eiseres] weer in de oorspronkelijke staat van voor de bouw oplevert. Daarnaast is niet aan de orde dat [eiseres] of haar huurders straks geen water meer hebben als gevolg van de (overige) nutsvoorzieningen. Het is de bedoeling van [gedaagde] dat zijn gebouw een ‘eigen’ waterleiding krijgt, die niet (meer) via de waterleidingen van de andere eigenaren loopt. Aan de andere kant heeft [gedaagde] er (spoedeisend) belang bij om zijn gebouw aan te sluiten op een riolering en om de (overige) nutsvoorzieningen te vernieuwen. Bovendien is [gedaagde] volledig afhankelijk van [eiseres] en kan hij zonder haar medewerking zijn gebouw niet afronden en verhuren.” 2.
  10. Op 24 november 2025 heeft (de advocaat van) [gedaagde] (de advocaat van) [eiseres] verzocht te bevestigen dat zij het vonnis zal naleven. De advocaat van [eiseres] heeft daarop nog dezelfde dag als volgt gereageerd, voor zover van belang: “Uiteraard respecteert cliënte het vonnis. Zij ziet de komende week echter geen kans om naar [plaats 2] of [plaats 3] te worden gebracht, maar als de notaris van [gedaagde] de papieren doorstuurt naar Notaris Ten Hoor in Landsmeer en deze laat weten dat ze daar zijn, dan kan zij het document in Landsmeer de komende week ondertekenen.” 2.
  11. Kort daarna is [eiseres] dit executiegeschil gestart. 3Het geschil in conventie 3.
  12. [eiseres] vordert, kort gezegd, de tenuitvoerlegging van het vonnis te schorsen totdat in hoger beroep, dan wel de bodemprocedure zal zijn beslist, met veroordeling van [gedaagde] in de proceskosten, vermeerderd met de wettelijke rente. 3.
  13. [eiseres] legt aan de vordering ten grondslag dat het vonnis kennelijke misslagen bevat en een belangenafweging uitvalt in haar voordeel. 3.
  14. [gedaagde] betwist dat het vonnis kennelijke misslagen bevat en dat een belangafweging in het voordeel van [eiseres] uitvalt. Bovendien heeft zij – wat [gedaagde] primair aanvoert – afstand gedaan van haar recht om het vonnis ten uitvoer te leggen, dan wel dat recht verwerkt. 3.
  15. Op de stellingen van partijen wordt hierna nader ingegaan, voor zover van belang. 4De beoordeling in conventie 4.
  16. Kort voor het starten van dit executiegeschil had [eiseres] nog laten weten het document te kunnen ondertekenen als dat naar een notaris in Landsmeer zou worden gestuurd. Begrijpelijk is dat [gedaagde] door dat e-mail bericht in de veronderstelling was komen te verkeren dat [eiseres] zou meewerken aan het vestigen van de erfdienstbaarheid. Als uitgangspunt moet men echter terughoudend zijn met het aannemen dat iemand afstand van zijn recht heeft gedaan of zijn recht heeft verwerkt, in het bijzonder als een zekere balans tussen wat men opgeeft en verkrijgt niet evident is. Bovendien was de periode tussen het e-mail bericht en het starten van dit kort geding heel kort, zodat het maar de vraag is of het starten van een executiegeschil naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onverenigbaar is met de eerdere uitlating van [eiseres] . Vandaar dat er reden wordt gezien om in te gaan op haar bezwaren tegen het vonnis. 4.
  17. Uitgangspunt is dat een uitgesproken veroordeling, hangende een hogere voorziening, uitvoerbaar dient te zijn. Afwijking van dit uitgangspunt kan worden gerechtvaardigd door omstandigheden die meebrengen dat het belang van de veroordeelde bij behoud van de bestaande toestand zolang niet op het door hem ingestelde rechtsmiddel is beslist, zwaarder weegt dan het belang van degene die de veroordeling in de ten uitvoer te leggen uitspraak heeft verkregen, bij de uitvoerbaarheid bij voorraad daarvan. 4.
  18. Bij de toepassing van deze maatstaf in kort geding moet worden uitgegaan van de beslissingen in de ten uitvoer te leggen uitspraak en van de daaraan ten grondslag liggende vaststellingen en oordelen, en blijft de kans van slagen van het tegen die beslissing aangewende of nog aan te wenden rechtsmiddel buiten beschouwing, met dien verstande dat de rechter in zijn oordeelsvorming kan betrekken of de ten uitvoer te leggen beslissing berust op een kennelijke misslag. 4.
  19. Indien de beslissing over de uitvoerbaarheid bij voorraad in de ten uitvoer te leggen uitspraak is gemotiveerd, moet de eiser, afgezien van het geval dat deze beslissing berust op een kennelijke misslag, aan zijn vordering feiten en omstandigheden ten grondslag leggen die bij het nemen van deze beslissing niet in aanmerking konden worden genomen doordat zij zich pas na de betrokken uitspraak hebben voorgedaan en die kunnen rechtvaardigen dat van die eerdere beslissing wordt afgeweken. 4.
  20. De beslissing om het vonnis van 24 november 2025 uitvoerbaar bij voorraad te verklaren is niet expliciet gemotiveerd. In kort geding is dat ook niet nodig, omdat het treffen van een voorlopige voorziening die niet uitvoerbaar bij voorraad is geen enkele zin heeft. Een voorlopige voorziening moet naar zijn aard snel worden getroffen. Uitgangspunt in kort geding is dan ook dat een toewijzende beslissing uitvoerbaar bij voorraad is verklaard op basis van een afweging van de belangen van partijen, zodat er in een executiegeschil geen ruimte is om die belangen opnieuw af te wegen. Ingrijpen in het executietraject is in deze zaak dan ook alleen mogelijk als het vonnis kennelijke misslagen bevat, zoals [eiseres] ook stelt, of feiten en omstandigheden aanwezig zijn die zich pas na de betrokken uitspraak hebben voorgedaan. 4.
  21. Volgens [eiseres] heeft de voorzieningenrechter in rechtsoverweging 4.3 van het vonnis van 24 november 2025 ten onrechte geoordeeld dat partijen al overeenstemming hebben bereikt over de inhoud van de erfdienstbaarheid. Alhoewel dit oordeel niet expliciet is terug te vinden in rechtsoverweging 4.3 of enige andere overweging van het vonnis, maar mogelijk wel verondersteld moet worden, levert dit alles geen kennelijke fout op maar een inhoudelijk oordeel waartegen in hoger beroep kan worden opgekomen. 4.
  22. [eiseres] ziet als tweede kennelijke misslag dat de voorzieningenrechter artikel 3:300 BW heeft toegepast terwijl [eiseres] niet gehouden is om mee te werken aan het vestigen van de erfdienstbaarheid, omdat daar geen geldige overeenkomst over is gesloten. Gevraagd naar het verschil met de eerste gestelde kennelijke misslag, heeft [eiseres] hieraan toegevoegd dat voor de vestiging van een zakelijk recht een wilsuiting nodig is, die in dit geval ontbreekt. Deze stelling gaat niet op. De vestiging van een erfdienstbaarheid kent drie vereisten:

(1)een beschikkingsbevoegde ten aanzien van het dienende erf,
(2)een geldige titel en
(3)een notariële akte die moet zijn ingeschreven in de daartoe bestemde openbare registers. Alleen bij het vereiste van een geldige titel is een wilsuiting van [eiseres] nodig. Deze stelling komt er dus ook weer op neer dat [eiseres] betwist dat een geldige overeenkomst over de erfdienstbaarheid tot stand is gekomen. Dit argument, voor zover het al los gezien kan worden van hetgeen dat onder 4.6 is behandeld, hoort thuis in hoger beroep, niet in een executiegeschil. 4.
  1. Tot slot levert de veroordeling met daaraan gekoppeld de toepassing van artikel 3:300 BW volgens [eiseres] een constitutieve beslissing op. Daarmee heeft de voorzieningenrechter haar bevoegdheid overschreden omdat in kort geding niet een rechtsverhouding kan worden vastgesteld (geschept volgens [eiseres] ). Ook dit ziet [eiseres] als een kennelijke misslag. Deze stelling gaat evenmin op. Van een constitutief vonnis is alleen sprake als het vonnis zelf wijziging brengt in de rechtstoestand. Dat is hier niet het geval. [eiseres] is door de voorzieningenrechter veroordeeld mee te werken aan de vestiging van een erfdienstbaarheid. Het is dus een condemnatoir vonnis. De bepaling dat de medewerking van [eiseres] zo nodig kan worden vervangen door het vonnis van de voorzieningenrechter, maakt dat niet anders. 4.
  2. Van feiten en omstandigheden die zich pas na de eerdere beslissing hebben voorgedaan en die tot een andere uitkomst van de belangenafweging leiden is niet gebleken. 4.
  3. Al met al zijn er geen gronden om in te grijpen in het executietraject. De vorderingen van [eiseres] zullen dan ook worden afgewezen. 4.
  4. [eiseres] is in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De proceskosten van [gedaagde] worden begroot op: - griffierecht € 331 - salaris advocaat € 1.107 - nakosten € 178 (plus de verhoging zoals vermeld in de beslissing) Totaal € 1.616 5De feiten in reconventie 5.
  5. [gedaagde] en [eiseres] hebben over het recht van overpad (de erfdienstbaarheid die in 1968 is gevestigd) al verschillende procedures gevoerd. Er loopt momenteel nog hoger beroep in een bodemprocedure tussen partijen over de reikwijdte van het recht van overpad. In die bodemprocedure is op 8 mei 2024 door deze rechtbank een vonnis gewezen, waarin [gedaagde] is bevolen zich te onthouden van onrechtmatige inbreuken op het eigendomsrecht van [eiseres] en dus in acht te nemen dat de erfdienstbaarheid niet voorziet in een recht om op het perceel van [eiseres] te keren of te parkeren met welk voortuig dan ook of te passeren met voertuigen anders dan auto’s rijwielen en dergelijke kleine voertuigen zoals rijbewijs B personenauto’s en rijbewijs B-bestelbussen, al dan niet met rijbewijs B, B+ of BE-aanhanger, tractoren en vee. Aan de naleving van dit bevel is een dwangsom verbonden van € 250 per dagdeel voor iedere daad in strijd met het bevel, tot een maximum van € 10.000 is bereikt. 5.
  6. Op 15 mei 2024 heeft [eiseres] het vonnis van 8 mei 2024 aan [gedaagde] betekend en hem de verbeurte van dwangsommen aangezegd als hij het bevel niet zou naleven. 5.
  7. In een brief die de advocaat van [eiseres] op 23 januari 2025 aan de advocaat van [gedaagde] heeft gestuurd, staat dat [gedaagde] het maximum aan dwangsommen heeft verbeurd door granulaat te dumpen op het perceel van [eiseres] en dat meer dan zeven dagen te laten liggen. [gedaagde] is in deze brief verzocht om € 10.000 aan dwangsommen over te maken op de derdengeldenrekening van de advocaat van [eiseres] . 5.
  8. In een e-mail van de advocaat van [eiseres] van 8 december 2025 staat onder meer de volgende passage: “Wat uw brief en de dwangsommen aangaat zal ik daarop in het weekeinde inhoudelijk antwoorden. In ieder geval zal [eiseres] wat de dwangsommen betreft geen verdere maatregelen nemen tot mijn order en ik zie op dit moment geen noodzaak om daartoe over te gaan. Mocht dat wel zo zijn dat verneemt u dat van mij.” 6Het geschil in reconventie 6.
  9. [gedaagde] vordert, kort gezegd, [eiseres] te verbieden om de dwangsomveroordeling van het vonnis dat op 8 mei 2024 tussen partijen gewezen is, ten uitvoer te leggen, op straffe van een dwangsom, en [eiseres] te veroordelen in de proceskosten. 6.
  10. [gedaagde] legt aan zijn vordering ten grondslag, kort gezegd, dat de dwangsomvordering van [eiseres] verjaard is. 6.
  11. [eiseres] voert verweer, dat erop neerkomt dat [gedaagde] geen belang bij zijn vordering heeft. 6.
  12. Op de stellingen van partijen wordt hierna nader ingegaan, voor zover van belang. 7De beoordeling in reconventie 7.
  13. Niet gebleken is dat [eiseres] na 23 januari 2025 nog stappen heeft ondernomen om de door haar gestelde dwangsomvordering te incasseren, behoudens het sturen van een stuitingsbrief. Gelet op de uitlating van de advocaat van [eiseres] bestaat er op dit moment geen noodzaak om tot incasso over te gaan. De vordering van [gedaagde] is daarom prematuur en zal bij gebrek aan (spoedeisend) belang worden afgewezen. Het is overigens zaak de relatie tussen partijen zo snel mogelijk te normaliseren in plaats van over en weer dwangsomveroordelingen te vorderen en/of te incasseren. Daar wordt niemand wijzer van. 7.
  14. [gedaagde] is in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De proceskosten van [eiseres] worden begroot op: - salaris advocaat € 715 - nakosten € 178 (plus de verhoging zoals vermeld in de beslissing) Totaal € 893 8De beslissing De voorzieningenrechter in conventie 8.
  15. weigert de gevraagde voorziening, 8.
  16. veroordeelt [eiseres] in de proceskosten van € 1.616, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met € 92 plus de kosten van betekening als [eiseres] niet tijdig aan de aanschrijving voldoet en het vonnis daarna wordt betekend, 8.
  17. verklaart deze proceskostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad, in reconventie 8.
  18. weigert de gevraagde voorziening, 8.
  19. veroordeelt [gedaagde] in de proceskosten van € 893, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met € 92 plus de kosten van betekening als [gedaagde] niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend, 8.
  20. verklaart deze proceskostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad. Dit vonnis is gewezen door mr. M.L.S. Kalff, voorzieningenrechter, bijgestaan door mr. E. van Bennekom, griffier en in het openbaar uitgesproken op 23 december
  21. Coll: KH

🔗 Naar officiële bron

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.