RECHTBANK AMSTERDAM Afdeling privaatrecht kantonrechter: mr. A.P. Ploeger zaaknummers: 11786275 WM VERZ 25-11086 11836425 WM VERZ 25-12863 beslissing van: 9 december 2025 func.: 62510 Afschrift van de aantekening in het proces-verbaal van de openbare zitting van 9 december 2025 inzake het beroep ingevolge de Wet administratiefrechtelijke handhaving verkeersvoorschriften (verder: de Wahv) van: [betrokkene] [adres] [postcode] [woonplaats] (verder: betrokkene) namens wie beroep is ingesteld door: Fixiq Legal Bezwaartegenverkeersboetes.nl (verder: gemachtigde) welk beroep is ingesteld bij verzoekschriften, ingekomen bij de CVOM te Utrecht op 24 maart 2025 en op 25 april 2025 en is gericht tegen de beslissingen van 17 februari 2025 en 21 maart 2025 van de officier van justitie (verder: verweerder) ten aanzien van betrokkene, geboren te [geboorteplaats] , Italië op [geboortedatum]
- CJIB-nummers: [nummer 1] en [nummer 2] VERLOOP VAN DE PROCEDURE Aan betrokkene zijn bij beschikkingen van 30 mei 2024 en 13 juni 2024 (verder: de inleidende beschikkingen) twee sancties in het kader van de Wahv opgelegd. Betrokkene heeft tegen de inleidende beschikkingen beroep ingesteld bij verweerder. De beroepschriften zijn vervolgens schriftelijk aangevuld door gemachtigde. Verweerder heeft het administratief beroep in de onderhavige zaken ongegrond verklaard. Tegen die beslissingen heeft gemachtigde beroep ingesteld bij de kantonrechter. Verweerder heeft de op de zaken betrekking hebbende gegevens overgelegd. Het beroep in de voornoemde twee zaken is behandeld op de openbare zitting van 9 december
- Partijen zijn voor deze zitting opgeroepen. Namens gemachtigde is, hoewel behoorlijk opgeroepen, niemand bij de zitting verschenen. Ter zitting heeft verweerder gereageerd op de inhoud van de beroepschriften. Verweerder heeft geconcludeerd dat het beroep in de onderhavige zaken gedeeltelijk gegrond is. GRONDEN VAN DE BESLISSING
- Aan betrokkene zijn bij inleidende beschikkingen wegens verkeersgedragingen twee administratieve sancties opgelegd ingevolge de Wahv. Betrokkene wordt verweten dat met een motorvoertuig met kenteken [kenteken] , waarvoor betrokkene als kentekenhouder aansprakelijk is, is geparkeerd voor een in- en/of uitrit. Deze gedragingen zijn geconstateerd op: 19 april 2024 om 12:20 uur op [locatie 1] (zaak 1178627 WM 25-11086 ); en op 30 maart 2024 om 08:52 uur op [locatie 2] (zaak 11836425 WM25-12863 ).
- Het beroep in de onderhavige zaken is tijdig ingesteld.
- Gemachtigde voert tegen de beslissingen van verweerder aan dat de gedragingen niet kunnen worden vastgesteld, omdat geen sprake is van parkeren voor een in- of uitrit. De ambtenaar lijkt in de veronderstelling dat de garagebox op zichzelf een in- of uitrit is. Nu het voertuig in het geheel niet voor een uitmonding staat geparkeerd, maar voor de bestemming van die uitmonding, is dan ook niet voor maar op de inrit geparkeerd, hetgeen niet onder de reikwijdte van in art. 24 RVV 1990 vervatte verbod valt (zie ECLI:NL:GHARL:2019:1648). Van parkeren voor de inrit zou sprake zijn als het voertuig voor de inritblokken zou hebben geparkeerd. Gelet op het voorgaande komen de sancties voor vernietiging in aanmerking. Subsidiair verzoekt gemachtigde de kantonrechter om de boetes te matigen, omdat betrokkene voor zijn eigen garagebox staat geparkeerd. De doorgang naar de garage werd dan ook niet geblokkeerd en parkeren op deze wijze wordt gedoogd. Verder voert gemachtigde aan dat sprake is van schending van de hoorplicht. De officier van justitie heeft in de onderhavige zaken na ontvangst van de ingebrekestelling onmiddellijk een beslissing genomen en geen hoorzitting laten plaatsvinden. In de zaak 11836425 WM 25-12863 stelt gemachtigde tevens dat de officier van justitie ten onrechte heeft afgezien van het vaststellen van de aan hem verschuldigde dwangsom. Betrokkene heeft de officier van justitie in gebreke gesteld. Een afschrift van deze brief bevindt zich bij de stukken. Blijkens de stempel op de envelop die zich in het dossier bevindt, is de ingebrekestelling op 7 februari 2025 door de officier van justitie ontvangen. Vanaf 22 februari 2025 verbeurde de officier van justitie dan ook dwangsommen aan betrokkene (art. 4:17 lid 3 Awb). De beslissing van de officier van justitie is gedagtekend op 14 maart
- De beslissing is echter pas op 20 maart 2025 door betrokkene ontvangen. Bij de stukken bevindt zich geen verzendadministratie waaruit blijkt dat de beslissing op 14 maart 2025 is verstuurd door de officier van justitie. Betrokkene gaat ervan uit dat de verdagingsbrief eerst op 19 maart 2025 is verzonden. De officier van justitie heeft daarom gedurende 26 dagen dwangsommen verbeurd. Dit komt neer op een bedrag van € 742,
- Gemachtigde verzoekt de verschuldigdheid van deze dwangsom vast te stellen, alsmede te bepalen dat de officier van justitie de wettelijke rente over de dwangsom verschuldigd is. Namens betrokkene wordt verzocht om een proceskostenvergoeding.
- Verweerder stelt zich ter zitting op het standpunt dat de aan betrokkene verweten gedragingen kunnen worden vastgesteld. Betrokkene heeft zijn voertuig in beide gevallen geparkeerd voor een garagedeur. Verder is verweerder het met gemachtigde eens dat in beide zaken sprake is van schending van de hoorplicht en dat de sancties dientengevolge met 25% moeten worden gematigd. Ten aanzien van de proceskostenvergoeding verzoekt verweerder de kantonrechter om samenhang in de onderhavige zaken toe te passen. Tot slot stelt verweerder dat in de zaak 11836425 WM VERZ 25-12863 een dwangsom is verschuldigd in verband met het niet tijdig beslissen op het beroep door de officier van justitie.
- Het volgende wordt overwogen.
- De verbalisant verklaart in de zich in de dossiers bevindende zaakoverzichten dat het motorvoertuig met kenteken [kenteken] stond geparkeerd voor de in en/of uitrit van een garage. De doorgang naar de inrit en/of van de uitrit van de garage werd hierdoor geblokkeerd. Van de gedragingen zijn foto’s aan de dossiers gevoegd.
- De begrippen inrit en uitrit zijn in de regelgeving niet gedefinieerd, omdat de veelheid van feitelijke situaties zich lastig in een definitie laat vangen. Voor de beantwoording van de vraag of sprake is van een in- of uitrit, is daarom van belang of van iedere verkeersdeelnemer ter plaatse mag worden verwacht dat hij een uitmonding op duidelijk herkenbare wijze als in- of uitrit kan herkennen. Daarbij speelt de bestemming van de uitmonding en de constructie van de uitmondingsituatie een belangrijke rol.
- Op de foto’s in de dossiers is te zien dat het voertuig van betrokkene staat geparkeerd op een weggedeelte dat is gelegen tussen de trottoirband en de (ingang van de) garageboxen. Het brede weggedeelte dat aan de garageboxen grenst is primair bestemd voor het bereiken van de garageboxen. Om die reden wordt dit weggedeelte van de rijbaan afgescheiden met een verlaagde (grijze) band. De kantonrechter is gelet op de situatie ter plaatse van oordeel dat de hier aanwezige garagedeuren in dit geval de in- en uitrit vormen. De onderhavige sancties zijn dan ook terecht opgelegd voor een overtreding van artikel 24, eerste lid, aanhef en onder b, van het Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990 (hierna: RVV 1990).
- Voor een matiging van de sancties wordt geen aanleiding gezien. Er is onvoldoende aannemelijk gemaakt dat sprake is van een gedoogbeleid op grond waarvan bij constateringen van gedragingen als de onderhavige op [locatie 2] geen sancties werden opgelegd.
- Verder wil de kantonrechter wel aannemen dat het voertuig stond geparkeerd voor de garagebox van betrokkene, maar het verbod om voor een in- en/of uitrit te parkeren geldt ook als het een eigen in- of uitrit betreft. De verbalisant kan immers niet zien van wie de garagebox is. Dit vormt op zichzelf dan ook geen reden om de sancties achterwege te laten dan wel te matigen. Ten aanzien van de hoorplicht:
- In de onderhavige zaken is betrokkene vanaf de administratieve fase tot en met de procedure bij de kantonrechter bijgestaan door een professioneel gemachtigde. Door gemachtigde van betrokkene in beide zaken niet te horen in de administratief beroepsfase heeft verweerder de hoorplicht geschonden. Van horen kan alleen worden afgezien op basis van de in artikel 7:17 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) genoemde gronden. Die gronden doen zich hier niet voor. Verweerder heeft immers afgezien van het horen, omdat in de voornoemde zaken een ingebrekestelling is gestuurd. Betrokkene is hierdoor in zijn belangen geschaad, dat heeft tot gevolg dat de beslissing van verweerder in de onderhavige zaken moet worden vernietigd (vgl. het arrest ECLI:NL:GHARL:2017:1121).
- Gelet op het voorgaande ziet de kantonrechter voldoende aanleiding om de onderhavige boetes te matigen met 25% vanwege schending van de hoorplicht, omdat in deze zaken de officier van justitie er welbewust voor heeft gekozen om van het horen af te zien, kennelijk ook om daarmee het verbeuren van een dwangsom te ontlopen. Een dergelijke welbewuste schending van de hoorplicht moet naar het oordeel van de kantonrechter leiden tot eerdergenoemde matiging van de boetes. De onderhavige beslissingen van verweerder worden vernietigd vanwege de schending van de hoorplicht en beide sancties worden dientengevolge gematigd met 25% tot een bedrag van € 90,00 elk. Ten aanzien van de gevorderde dwangsom:
- Namens betrokkene wordt in de zaak 11836425 WM 25-12863 aangevoerd dat de officier van justitie in zijn beslissing ten onrechte heeft afgezien van het vaststellen van de aan betrokkene verschuldigde dwangsom.
- Artikel 7:24, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) stelt het volgende: “Het beroepsorgaan beslist binnen zestien weken, gerekend vanaf de dag na die waarop de termijn voor het indienen van het beroep is verstreken.”
- Blijkens het zaakoverzicht eindigde de beroepstermijn bij verweerder op 11 juli
- De zestien weken termijn gaat derhalve in vanaf 12 juli
- Verweerder diende, gelet op het vorengaande, uiterlijk op maandag 3 november 2024 te beslissen op het beroep. Op grond van artikel 7:24 lid 4 Algemene wet bestuursrecht kan verweerder zijn beslissing echter voor ten hoogste tien weken verdagen. Bij brieven van 23 oktober 2024 heeft verweerder aan zowel betrokkene als gemachtigde medegedeeld dat van deze mogelijkheid gebruik wordt gemaakt, waarmee de beslistermijn is verlengd tot 12 januari
- Artikel 4:17 van de Awb bepaalt dat indien een beschikking op een aanvraag niet tijdig wordt gegeven, het bestuursorgaan aan de aanvrager een dwangsom verbeurt voor elke dag dat het in gebreke is, doch voor ten hoogste 42 dagen. De dwangsom bedraagt de eerste veertien dagen een bedrag van € 23,00 per dag, de daaropvolgende veertien dagen een bedrag van € 35,00 per dag en voor de overige dagen een bedrag van € 45,00 per dag. De eerste dag waarover de dwangsom verschuldigd is, is de dag waarop de gestelde twee weken zijn verstreken na de dag waarop de termijn voor het geven van de beschikking is verstreken en het bestuursorgaan van de aanvrager een schriftelijke ingebrekestelling heeft ontvangen.
- Gemachtigde heeft bij brief van 6 februari 2025, welke op 7 februari 2025 door de CVOM is ontvangen, verweerder in gebreke gesteld en namens betrokkene verweerder verzocht om binnen twee weken een beslissing te nemen. Nu gemachtigde aangeeft de beslissing van verweerder op 20 maart 2025 te hebben ontvangen en de gegevens in het zaakoverzicht niet aantonen dat dit eerder moet zijn geweest, verbeurt verweerder een dwangsom. De kantonrechter stelt deze dwangsom vast over de periode van 26 dagen, van 22 februari 2025 tot en met 19 maart 2025, waarmee een bedrag is gemoeid van € 742,00 (14 dagen x € 23,00 + 1 dag x € 35,00), te vermeerderen met wettelijke rente. Ten aanzien van de proceskostenvergoeding:
- Namens betrokkene is door gemachtigde om een vergoeding van de proceskosten verzocht. Nu de onderhavige sancties worden gematigd, wordt een proceskostenvergoeding toegekend.
- Er is geen sprake van een aan het bestuursorgaan (de ambtenaar die de sancties heeft opgelegd) te wijten onrechtmatigheid als bedoeld in artikel 13a, eerste lid, van de Wahv juncto artikel 7:28, tweede lid, van de Algemene wet bestuursrecht, zodat de kosten gemaakt in administratief beroep niet voor vergoeding in aanmerking komen, vgl. het arrest van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden van 8 mei 2025, ECLI:NL:GHARL:2025:
- Gemachtigde heeft in de onderhavige zaken de volgende vergoedbare proceshandeling verricht: - het indienen van beroep bij de kantonrechter.
- Gelet op het voorgaande worden in de onderhavige zaken voor de door gemachtigde verrichte proceshandeling in de fase van het beroep bij de kantonrechter 1 punt ad € 907,00 toegekend. Gelet op de aard van de zaak wordt de wegingsfactor 0,5 (gewicht van de zaak = licht) toegepast, en ingevolge artikel 13a lid 2 Wahv wordt de proceskostenvergoeding voor de fase bij de kantonrechter vermenigvuldigd met 0,25 (vgl. de uitspraak van de Hoge Raad van 24 juni 2025, ECLI:NL:HR:2025:985). Als gevolg van de samenhang in beide zaken wordt factor 1 toegepast. Het gaat hier immers om dezelfde soort gedragingen, gepleegd door dezelfde betrokkene op dezelfde pleeglocatie, de beroepschriften zijn nagenoeg gelijkluidend en de kantonrechter heeft beide zaken op dezelfde zitting afgedaan. Het voorgaande betekent dat voor beide zaken samen een proceskostenvergoeding van in totaal € 113,38 ((1x907) x 0,5 x 0,25 x 1) wordt toegekend.
- Daarom wordt beslist als volgt. BESLISSING De kantonrechter: - verklaart in de zaken 11786275 WM VERZ 25-11086 en 11836425 WM VERZ 25-12863 het beroep tegen de beslissingen van verweerder gegrond en vernietigt deze; - verlaagt in de zaken 11786275 WM VERZ 25-11086 en 11836425 WM VERZ 25-12863 vanwege schending van de hoorplicht de sancties elk naar € 90,00 exclusief administratiekosten en verklaart het beroep in deze zaken tegen de inleidende beschikkingen daarom gedeeltelijk gegrond; - bepaalt dat in de zaken 11786275 WM VERZ 25-11086 en 11836425 WM VERZ 25-12863 het als zekerheid betaalde bedrag aan betrokkene wordt gerestitueerd voor zover dit het genoemde bedrag, vermeerderd met de administratiekosten, te boven gaat; - kent aan betrokkene ten laste van verweerder voor beide zaken samen een proceskostenvergoeding toe van € 113,38; - stelt vast dat in de zaak 11836425 WM VERZ 25-12863 de officier van justitie aan betrokkene een dwangsom van € 742,00 is verschuldigd, te vermeerderen met wettelijke rente. De griffier De kantonrechter Datum verzending Bent u het met deze beslissing niet eens, dan kunt u binnen zes weken na de hierboven vermelde datum van verzending van deze beslissing hoger beroep instellen bij het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, maar alleen indien de als gevolg van deze beslissing te betalen administratieve sanctie meer dan € 110,00 bedraagt. Het beroepschrift dient schriftelijk (niet per e-mail) te worden ingediend bij rechtbank Amsterdam, afdeling privaatrecht, team kanton, postbus 70515, 1007 KM, Amsterdam en dient door degene die het beroep instelt of een gemachtigde te worden ondertekend. De procedure bij het gerechtshof verloopt schriftelijk, tenzij in het beroepschrift uitdrukkelijk om een mondelinge behandeling wordt gevraagd.