← Nederland

ECLI:NL:RBAMS:2025:10548

RECHTBANK AMSTERDAM Bestuursrecht zaaknummer: AMS 25/7243 uitspraak van de voorzieningenrechter van 30 december 2025 in de zaak tussen [verzoekster] B.V., uit [plaats] , verzoekster (gemachtigde: mr. E.A.G. Kortstam), en de Minister van Klimaat en Groene Groei, de Minister (gemachtigde: [gemachtigde] ). Inleiding

  1. In deze uitspraak beslist de voorzieningenrechter op de verzoeken om een voorlopige voorziening van verzoekster tegen de afwijzing van haar aanvragen om wijziging van de aan haar verleende opsporingsvergunning koolwaterstoffen [plaatsnaam] en de opsporingsvergunning koolwaterstoffen [plaatsnaam1] , in die zin dat het tijdvak waarvoor deze vergunningen gelden met acht jaar wordt verlengd. 1.
  2. De Minister heeft deze aanvragen met de besluiten van 17 december 2025 (de primaire besluiten) afgewezen. Verzoekster heeft hiertegen bezwaar gemaakt en de voorzieningenrechter gevraagd om een voorlopige voorziening te treffen. 1.
  3. De voorzieningenrechter heeft het verzoek, met goedkeuring van partijen, zonder zitting afgedaan. Beoordeling door de voorzieningenrechter
  4. Op 23 december 2025 heeft de Minister de voorzieningenrechter meegedeeld dat hij zich niet verzet tegen het toewijzen van de gevraagde voorziening in deze procedure.
  5. Gelet op het bovenstaande, ziet de voorzieningenrechter aanleiding om het verzoek om een voorlopige voorziening toe te wijzen. De voorzieningenrechter zal de hierna te melden voorlopige voorziening treffen. Conclusie en gevolgen
  6. De voorzieningenrechter wijst het verzoek toe. De voorzieningenrechter zal een voorlopige voorziening treffen inhoudende dat het tijdvak van de aan verzoekster verleende opsporingsvergunning koolwaterstoffen [plaatsnaam] en opsporingsvergunning [plaatsnaam1] wordt geacht te zijn verlengd tot 6 weken na bekendmaking van de beslissing op bezwaar.
  7. Omdat de voorzieningenrechter het verzoek toewijst, moet de Minister het griffierecht aan verzoekster vergoeden. Verzoekster krijgt ook een vergoeding van haar proceskosten. De Minister moet deze vergoeding betalen. De vergoeding is met toepassing van het Besluit proceskosten bestuursrecht als volgt berekend. Voor de rechtsbijstand door een gemachtigde krijgt verzoekster een vast bedrag per proceshandeling, namelijk € 907,-. De gemachtigde heeft in deze zaak een verzoekschrift ingediend. Beslissing De voorzieningenrechter: wijst het verzoek om een voorlopige voorziening toe; schorst de primaire besluiten tot 6 weken na bekendmaking van de beslissing op bezwaar; bepaalt bij wijze van voorlopige voorziening dat het tijdvak van de aan verzoekster verleende opsporingsvergunning [plaatsnaam] en [plaatsnaam1] moeten worden geacht te zijn verlengd tot 6 weken na bekendmaking van de beslissing op bezwaar; bepaalt dat de Minister het griffierecht van € 385,- aan verzoekster moet vergoeden; veroordeelt de Minister tot betaling van € 907,- aan proceskosten aan verzoekster. Deze uitspraak is gedaan door mr. C.M. Delstra, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. J.Y. Exterkate, griffier. Uitgesproken in het openbaar op 30 december
  8. griffier voorzieningenrechter Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op: Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open. Artikel 8:57 van de Algemene wet bestuursrecht maakt dit mogelijk.

🔗 Naar officiële bron

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.