RECHTBANK Amsterdam Civiel recht Zaaknummer: C/13/750289 / HA ZA 24-501 Vonnis van 26 februari 2025 in de zaak van ACHMEA SCHADEVERZEKERINGEN N.V., te Apeldoorn, hierna te noemen: Achmea, eisende partij, advocaat: mr. M.M.R. Nelissen, en [gevoegde partij] , te [woonplaats] , hierna te noemen: [gevoegde partij] gevoegde partij, advocaat: mr. A. Peijs, tegen 1NATIONALE-NEDERLANDEN SCHADEVERZEKERING MAAT. N.V., te 's-Gravenhage, hierna te noemen: NN2. [gedaagde], te [woonplaats] , hierna te noemen: [gedaagde] gedaagde partijen, advocaat: mr. A.M. de Kroon. 1De zaak in het kort 1.1. In deze zaak draait het om de vraag of [gedaagde] aansprakelijk is voor het ongeluk dat heeft plaatsgevonden op 20 januari 2021 tussen hem en [gevoegde partij] . Vanwege de afstelling van de stoplichten op het kruispunt waar het ongeluk is gebeurd, moet óf [gevoegde partij] óf [gedaagde] door rood hebben gereden. Wie dat is geweest kan echter niet worden vastgesteld. Daarnaast kan uit alle omstandigheden niet worden geconcludeerd dat [gedaagde] gevaarzettend heeft gehandeld. [gedaagde] is daarom niet aansprakelijk voor het ongeluk en de vorderingen van Achmea worden afgewezen. 1.2. Voorafgaand aan deze procedure hebben op 6 april 2023 en 9 oktober 2023 voorlopige getuigenverhoren plaatsgevonden. 1.3. Het verloop van de onderhavige procedure blijkt uit: - de dagvaarding van 29 april 2024, - het vonnis in het voegingsincident van 17 juli 2024, en de daarin genoemde stukken, - de conclusie van antwoord, - het tussenvonnis van 14 augustus 2024, waarin de mondelinge behandeling is bepaald, - het proces-verbaal van de mondelinge behandeling van 18 december 2024 en de daarin genoemde stukken. 1.4. Ten slotte is vonnis bepaald. 2De feiten 2.1. Op 20 januari 2021 heeft een aanrijding plaatsgevonden tussen [gevoegde partij] en [gedaagde] op het kruispunt van de [locatie 1] (N200) met de [locatie 2] . [gevoegde partij] reed in haar auto op de [locatie 1] vanuit Haarlem en ging rechtdoor richting Amsterdam. [gedaagde] reed in zijn bestelbus op de [locatie 1] richting Haarlem en sloeg linksaf de [locatie 2] in. [gevoegde partij] heeft [gedaagde] aan de rechterachterkant van de bestelbus aangereden. 2.2. Op het kruispunt zijn stoplichten aanwezig. De stoplichten zijn zo ingeregeld dat de richtingen van [gevoegde partij] en [gedaagde] niet tegelijkertijd groen licht kunnen hebben. 2.3. Als gevolg van het ongeluk heeft [gevoegde partij] letselschade opgelopen. [gevoegde partij] is voor deze schade verzekerd onder een schadeverzekering inzittenden (SVI) die zij heeft afgesloten bij Achmea. Achmea heeft de schade die verband houdt met de letselschade van [gevoegde partij] aan haar vergoed en is in de rechten van [gevoegde partij] gesubrogeerd. NN is de WAM-verzekeraar van [gedaagde] . 3Het geschil 3.1. Achmea vordert een verklaring voor recht dat [gedaagde] aansprakelijk is voor het ontstaan van het ongeluk en daarom jegens Achmea als gesubrogeerd verzekeraar aansprakelijk is voor de gevolgen van het ongeluk en de uitgekeerde en nog uit te keren schade. Daarnaast vordert Achmea dat NN en [gedaagde] veroordeeld worden tot vergoeding van het al uitgekeerde voorschot van de schade, de advocaatkosten van de advocaat van [gevoegde partij] , medische kosten. Het gevorderde bedrag is – na vermeerdering van eis – in totaal € 207.593,40. Verder vordert Achmea verhoging met de buitengerechtelijke kosten en wettelijke rente. Ten slotte vordert Achmea vergoeding van de proceskosten en dat het vonnis ook ten uitvoer moet worden gelegd als er hoger beroep wordt ingesteld (uitvoerbaar bij voorraad). 3.2. Achmea voert daarvoor samengevat het volgende aan. [gedaagde] is aansprakelijk voor het ongeluk. Ongeacht of [gedaagde] door groen of door rood is gereden, heeft hij – primair – voorafgaand aan het ongeval gevaarzettend gehandeld. Subsidiair geldt dat hij door rood is gereden. 3.3. [gevoegde partij] heeft zich gevoegd aan de zijde van Achmea. Zij heeft er belang bij dat de vorderingen van Achmea worden toegewezen. [gevoegde partij] voert daarvoor samengevat het volgende aan. [gevoegde partij] heeft zowel letselschade als zaakschade (schade aan haar auto) geleden als gevolg van het ongeluk. Letselschade wordt door Achmea vergoed onder de SVI-verzekering, tot aan maximaal de verzekerde som. De verwachting is echter dat de letselschade de verzekerde som zal overtreffen. De zaakschade is niet gedekt onder een verzekering. 3.4. NN en [gedaagde] voeren verweer. NN en [gedaagde] concluderen tot afwijzing van de vorderingen van Achmea, met uitvoerbaar bij voorraad te verklaren veroordeling van Achmea in de kosten van deze procedure. NN en [gedaagde] voeren daarvoor samengevat het volgende aan. Er is geen sprake van gevaarzettend handelen. [gedaagde] was als eerste op de kruising en [gevoegde partij] reed harder dan de maximumsnelheid. Bovendien is niet [gedaagde] , maar juist [gevoegde partij] door rood gereden. 4De beoordeling 4.1. Achmea heeft aan haar vorderingen primair ten grondslag gelegd dat [gedaagde] onmiddellijk voorafgaand aan het ongeluk gevaarzettend heeft gehandeld, en subsidiair dat [gedaagde] door rood is gereden. Achmea heeft op de zitting de rangorde van deze grondslagen (eerst primair, dan subsidiair) benadrukt, door erop te wijzen dat zij in de primaire vordering in het midden heeft gelaten wie door rood is gereden, omdat [gedaagde] hoe dan ook gevaarzettend zou hebben gehandeld. Toch zullen de primaire en subsidiaire grondslag hierna gezamenlijk besproken worden. Beide grondslagen zijn namelijk nauw met elkaar verweven en leiden volgens Achmea tot dezelfde rechtsgevolgen, namelijk dat voor recht moet worden verklaard dat [gedaagde] en NN aansprakelijk zijn voor het ontstaan van het ongeluk en dat zij alle daaruit voortvloeiende schade moet vergoeden. Een gezamenlijke bespreking sluit bovendien aan bij de maatstaf die de Hoge Raad heeft ontwikkeld voor zaken waarin niet kan worden vastgesteld welke automobilist door rood is gereden. 4.2. In het vervolg van de beoordeling zal daarom eerst worden ingegaan op de vraag welke automobilist, [gevoegde partij] of [gedaagde] , door rood is gereden. De rechtbank oordeelt op dit punt dat dit op basis van het dossier en de getuigenverklaringen daarin niet kan worden vastgesteld. Daarna wordt aan de hand van de maatstaf van de Hoge Raad geoordeeld dat [gedaagde] , gelet op alle feiten en omstandigheden, niet aansprakelijk is voor het ontstaan van het ongeluk omdat hij niet gevaarzettend heeft gehandeld. Het kan niet worden vastgesteld wie door rood is gereden 4.3. Achmea en [gevoegde partij] stellen dat [gevoegde partij] door groen is gereden en [gedaagde] door rood, en onderbouwen dit met de verklaringen die [gevoegde partij] en dhr. [naam 1] hebben afgelegd tijdens het voorlopig getuigenverhoor. Zij verklaarden – samengevat – als volgt: - [gevoegde partij] heeft verklaard dat het stoplicht groen was toen zij aan kwam rijden, dat zij nog omhoog heeft gekeken om naar de kleur van het stoplicht te kijken, dat zij gas heeft los gelaten, naar het kruispunt heeft gekeken en toen met dezelfde snelheid van 75 km/h, door groen, het kruispunt op is gereden. - [naam 1] heeft verklaard dat hij op zijn balkon stond toen het ongeluk gebeurde, dat hij vanaf daar uitzicht heeft op het kruispunt, dat hij auto’s zag optrekken die op de [locatie 1] vanuit Amsterdam richting Haarlem reden, dat hij het ongeluk zelf niet heeft zien gebeuren, dat hij opkeek omdat hij een knal hoorde waarna hij de bestelbus van [gedaagde] aan de kant van de weg zag staan, en dat er een paar seconden zat tussen het moment dat hij het verkeer vanuit Amsterdam richting Haarlem zag optrekken en de knal. 4.4. NN en [gedaagde] stellen daarentegen dat [gedaagde] door groen is gereden en [gevoegde partij] door rood, en onderbouwen dit met de verklaringen die [gedaagde] en dhr. [naam 2] hebben afgelegd tijdens het voorlopig getuigenverhoor. Zij verklaarden – samengevat – als volgt: - [gedaagde] heeft verklaard dat hij eerst twintig seconden voor het stoplicht stil heeft gestaan en daarna is opgetrokken toen het op groen sprong. Tijdens het getuigenverhoor is hij erop gewezen dat dat niet overeenkomt met zijn eigen verklaring in een e-mail van 29 juli 2021, waarin hij verklaarde dat het stoplicht op groen sprong toen hij aan kwam rijden, waarna hij is doorgereden. In reactie daarop heeft [gedaagde] verklaard dat hij zeker stil heeft gestaan voordat hij optrok, maar misschien geen twintig seconden. - [naam 2] heeft verklaard dat hij stilstond voor het rode stoplicht, dat [gedaagde] naast hem kwam aanrijden en dat [gedaagde] door kon rijden, omdat hij groen licht had. [naam 2] heeft verder verklaard dat hij niet meer weet vanuit welke richting hij kwam rijden, en dat hij zich niet kan herinneren dat hij eerder een verklaring op papier heeft gezet en of daar een tekening bij zit die door hem is gemaakt. 4.5. Het staat vast dat de stoplichten zo zijn afgesteld dat [gevoegde partij] en [gedaagde] niet tegelijkertijd groen licht hebben gekregen. Wie van de twee echter door rood is gereden, kan aan de hand van de getuigenverklaringen niet worden vastgesteld. De rechtbank licht dat toe. 4.6. [gevoegde partij] en [gedaagde] verklaren allebei dat zij door groen zijn gereden. Deze verklaringen staan daarmee haaks op elkaar. Er is geen reden om aan de verklaring van de ene partij meer gewicht toe te kennen dan aan de verklaring van de andere partij. 4.7. Volgens Achmea en [gevoegde partij] is de verklaring van [gedaagde] minder betrouwbaar dan die van [gevoegde partij] , omdat [gedaagde] tijdens het voorlopig getuigenverhoor heeft verklaard dat hij vanuit stilstand is opgetrokken, terwijl hij in zijn e-mail van 29 juli 2021 heeft verklaard dat hij door kon rijden omdat het stoplicht op groen sprong: “Op dat moment kwam ik aanrijden op mijn linkerstrook en nader ik de [sic] stoplicht. Op het moment dat ik rem, sprong de [sic] stoplicht op groen en ben ik gaan optrekken om links af te slaan bij de kruising.” Toen [gedaagde] onder ede is geconfronteerd met zijn (afwijkende) eerdere verklaring is hij bij de verklaring gebleven dat hij eerst stil heeft gestaan voordat hij is opgetrokken. Die verklaring past bij hetgeen [gedaagde] heeft ingevuld op de achterkant van het schadeformulier dat hij op 28 januari 2021 heeft ondertekend: “ik stond voor een groen stoplicht om link [sic] af te slaan, rustig opgetrokken voordat ik een afslag nam werd ik keihard aangereden”. Omdat de verklaring onder ede dus overeenkomt met de verklaring die [gedaagde] direct na het ongeval heeft afgelegd, is geen sprake van een zodanige wisselende verklaring dat de betrouwbaarheid van de verklaring onder ede wordt aangetast en die verklaring hoeft niet anders te worden gewogen. 4.8. Achmea heeft nog aangevoerd dat [gedaagde] een financieel belang heeft bij zijn verklaring dat hij door groen is gereden, omdat zijn eigen schade nog niet door NN vergoed zou zijn. Dat zou zijn verklaring minder betrouwbaar maken. Dit argument werkt echter beide kanten op: ook [gevoegde partij] heeft een financieel belang bij haar verklaring, omdat zij haar schade – voor zover die hoger dan de verzekerde som onder de SVI-verzekering is – op [gedaagde] wil kunnen verhalen. Dit argument heeft dus ook geen effect op de weging van de getuigenverklaringen. 4.9. Uit de verklaringen van [gevoegde partij] en [gedaagde] kan dus niet worden afgeleid wie door rood is gereden. 4.10. Volgens Achmea en [gevoegde partij] ondersteunt de verklaring van [naam 1] de verklaring van [gevoegde partij] . [naam 1] namelijk heeft het verkeer vanuit Amsterdam in de richting van Haarlem zien optrekken (dat dus groen licht moet hebben gehad) en het verkeer vanuit Haarlem in de richting van Amsterdam (de richting van [gevoegde partij] ) heeft dan ook groen. Tussen het moment dat hij het verkeer zag optrekken en de knal van het ongeluk zaten slechts enkele seconden. Achmea en [gevoegde partij] leiden daaruit af dat de stoplichten beide kanten op nog steeds op groen moeten hebben gestaan. 4.11. Uit de verklaring van [naam 1] kan niet worden afgeleid dat [gevoegde partij] door groen is gereden. Voorop staat dat [naam 1] vanaf zijn balkon de stoplichten van het verkeer in beide richtingen niet kon zien. Ook het ongeluk zelf heeft hij niet zien gebeuren. Daarnaast had hij geen zicht op het verkeer uit de richting van Haarlem, de richting van [gevoegde partij] . Hij heeft dus niet gezien of het verkeer vanuit die richting optrok of reed, en ook niet hoeveel auto’s daar reden. Daarbij heeft Achmea in de dagvaarding toegelicht dat de verkeersinstallatie die de stoplichten regelt zo is afgesteld dat het stoplicht langer of korter op groen staat, afhankelijk van het aantal auto’s voor het stoplicht. Er is dus een scenario mogelijk waarin het verkeer richting Haarlem, waar [naam 1] wel zicht op had, nog groen had, terwijl het verkeer de andere kant op, dat hij dus niet kon zien, al oranje en daarna rood licht kreeg. De verklaringen van [gevoegde partij] dat zij 75-80 km/h reed, dat een auto voor haar halverwege het kruispunt was en dat zij de laatste in het rijtje was zouden in een dergelijk scenario passen, zodat dat scenario niet kan worden uitgesloten. De verklaring van [naam 1] laat, naast de conclusie die Achmea en [gevoegde partij] uit de verklaring trekken, dus ruimte voor de mogelijkheid dat [gevoegde partij] niet door groen is gereden. 4.12. De verklaringen van [naam 2] zijn niet betrouwbaar genoeg om doorslaggevend te zijn. In de verklaring die hij tegenover NN heeft afgelegd op 30 juli 2021, die door NN in het geding is gebracht, stelt [naam 2] dat hij voorgesorteerd stond om vanaf de [locatie 1] rechtsaf de [locatie 2] in te slaan en dat hij vanaf daar [gevoegde partij] links naast zich door rood zag rijden. Dat zou betekenen dat hij vanuit de richting van Haarlem kwam. Tijdens het voorlopig getuigenverhoor heeft [naam 2] echter verklaard dat hij niet meer weet vanuit welke richting hij kwam, maar wel dat hij [gedaagde] naast zich aan heeft zien komen rijden en door groen heeft zien gaan. Dat zou betekenen dat hij vanuit de richting van Amsterdam kwam en dus aan de andere kant van het kruispunt stond vergeleken met zijn eerste verklaring. Deze verklaringen zijn zodanig tegenovergesteld dat deze niet betrouwbaar zijn. 4.13. Uit de getuigenverklaringen kan dus niet worden afgeleid wie door rood en wie door groen is gereden. Er zitten verder geen andere bewijsmiddelen in het dossier waaruit dit blijkt. Wie door rood is gereden kan dus niet worden vastgesteld. [gedaagde] heeft niet gevaarzettend gehandeld 4.14. Wanneer niet kan worden vastgesteld wie door rood is gereden, moet er bij wijze van fictie vanuit worden gegaan dat [gedaagde] als aansprakelijk gestelde automobilist door groen is gereden (bewijsvermoeden). Dat betekent niet automatisch dat hij niet aansprakelijk is voor de schade die [gevoegde partij] als gevolg van het ongeluk heeft geleden. [gedaagde] is wel degelijk aansprakelijk tegenover [gevoegde partij] als hij onmiddellijk voor de aanrijding gevaarzettend heeft gehandeld en daardoor een situatie in het leven heeft geroepen waarin de mate van waarschijnlijkheid van een ongeval als gevolg van dat handelen zo groot was dat hij zich naar maatstaven van zorgvuldigheid van dat gedrag had moeten onthouden. Bij de beantwoording van de vraag of [gedaagde] inderdaad aansprakelijk is, moeten alle omstandigheden van het geval in aanmerking worden genomen. Daarbij moet de rechter in deze gevallen, naast de veronderstellenderwijs aangenomen omstandigheid dat [gedaagde] door groen is gereden, meewegen: (
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.