RECHTBANK AMSTERDAM INTERNATIONALE RECHTSHULPKAMER Parketnummer: 13-186523-25 Datum uitspraak: 24 december 2025 UITSPRAAK op de vordering van 20 oktober 2025 van de officier van justitie bij deze rechtbank tot het in behandeling nemen van een Europees aanhoudingsbevel (EAB). Dit EAB is uitgevaardigd op 5 juni 2025 door het ‘Amtsgericht’ Bielefeld, Duitsland (hierna: de uitvaardigende justitiële autoriteit) en strekt tot de aanhouding en overlevering van: [opgeëiste persoon], geboren in [geboorteplaats] (Turkije) op [geboortedag] 1976, zonder vaste woon- of verblijfplaats in Nederland, thans gedetineerd in [detentieadres], hierna ‘de opgeëiste persoon’. 1Procesgang De behandeling van het EAB heeft plaatsgevonden op de zitting van 10 december 2025, in aanwezigheid van mr. A. Keulers, officier van justitie. De opgeëiste persoon is verschenen en is bijgestaan door zijn raadsvrouw, mr. O. Saki, advocaat in Rotterdam, en door een tolk in de Turkse taal. De rechtbank heeft de termijn waarbinnen zij op grond van de Overleveringswet (OLW) uitspraak moet doen over de verzochte overlevering met 30 dagen verlengd. Tevens heeft de rechtbank voor sluiting van het onderzoek ter zitting de gevangenhouding bevolen. De rechtbank heeft het onderzoek ter zitting op 24 december 2025 – met toestemming van partijen enkelvoudig – heropend, zodat de e-mailwisseling tussen de advocaat en de rechtbank met betrekking tot het beroep op de terugkeergarantie na sluiting van het onderzoek op 10 december 2025 aan het dossier kon worden toegevoegd. De rechtbank heeft het onderzoek vervolgens – met toestemming van partijen enkelvoudig – gesloten en direct uitspraak gedaan. 2Identiteit van de opgeëiste persoon Ter zitting heeft de opgeëiste persoon verklaard dat de bovenvermelde persoonsgegevens juist zijn en dat hij de Nederlandse nationaliteit heeft. 3Grondslag en inhoud van het EAB Het EAB vermeldt een arrestatiebevel uitgevaardigd door het 'Amtsgericht' Bielefeld van 19.07.2005 met dossiernummer: 9 Gs 3097/05. De uitvaardigende justitiële autoriteit verzoekt de overlevering vanwege het vermoeden dat de opgeëiste persoon zich schuldig heeft gemaakt aan een naar Duits recht strafbaar feit. Dit feit is omschreven in het EAB. 3.1 Genoegzaamheid Standpunt van de raadsvrouw De raadsvrouw stelt zich op het standpunt dat de overlevering moet worden geweigerd, omdat het EAB onvoldoende concrete informatie bevat om te voldoen aan de eisen van artikel 2 OLW. De feitelijke onderbouwing van de verdenking, door middel van bewijsmateriaal, is uiterst beperkt en dateert daarbij van twintig jaar geleden. Subsidiair verzoekt de raadsvrouw om de behandeling van de zaak aan te houden om nadere vragen te stellen aan de uitvaardigende justitiële autoriteit. Standpunt van de officier van justitie De officier van justitie stelt zich op het standpunt dat het EAB genoegzaam is. De pleegplaats, pleegdatum en de omstandigheden waaronder het strafbare feit is gepleegd zijn helder omschreven. Gelet hierop is het specialiteitsbeginsel voldoende gewaarborgd. Daarnaast vereist artikel 2 OLW niet dat er bewijsmiddelen worden opgenomen in het EAB. Oordeel van de rechtbank De rechtbank overweegt dat het EAB gegevens moet bevatten op basis waarvan het voor de opgeëiste persoon duidelijk is waarvoor zijn overlevering wordt verzocht. Verder moet het voor de rechtbank duidelijk zijn of het verzoek voldoet aan de in de OLW genoemde vereisten. Zo moet het EAB een beschrijving bevatten van de omstandigheden waaronder de strafbare feiten zijn gepleegd, met vermelding van, in ieder geval, het tijdstip, de plaats en de mate van betrokkenheid van de opgeëiste persoon bij de strafbare feiten. Die beschrijving moet ook de naleving van het specialiteitsbeginsel kunnen waarborgen. De rechtbank is, met de officier van justitie, van oordeel dat de pleegplaats, pleegdatum en de betrokkenheid van de opgeëiste persoon voldoende duidelijk zijn omschreven in het EAB. De omstandigheid dat de verdenking van twintig jaar geleden dateert, maakt de toets van artikel 2 OLW niet anders. De rechtbank verwerpt het verweer en ziet geen aanleiding om nadere vragen aan de uitvaardigende justitiële autoriteit te stellen. 4Strafbaarheid: feiten vermeld op bijlage 1 bij de OLW Standpunt van de raadsvrouw De raadsvrouw verzoekt om de overlevering, mocht de rechtbank die toestaan, uitsluitend toe te staan voor het lijstfeit “moord en doodslag, zware mishandeling” en niet voor, als lijstfeit aangekruiste, “opzettelijke brandstichting”. Uit de feitenomschrijving volgt namelijk op geen enkele manier dat sprake is van brandstichting. Standpunt van de officier van justitie De officier van justitie stelt zich op het standpunt dat het lijstfeit “moord en doodslag, zware mishandeling” in redelijkheid is aangekruist. De officier ziet de aankruising van “opzettelijke brandstichting” als een kennelijke verschrijving omdat uit de feitenomschrijving in het EAB niet blijkt dat er ook sprake is geweest van brandstichting. Oordeel van de rechtbank De uitvaardigende justitiële autoriteit wijst het strafbare feit aan als een zogenoemd lijstfeit, dat in Nederland in de lijst van bijlage 1 bij de OLW staat vermeld, te weten: moord en doodslag, zware mishandeling; opzettelijke brandstichting. Uit het EAB volgt dat op dit feit naar het recht van Duitsland een vrijheidsstraf met een maximum van ten minste drie jaren is gesteld. Dit betekent dat een onderzoek naar de dubbele strafbaarheid van het feit waarvoor de overlevering wordt verzocht, achterwege moet blijven. Het is aan de uitvaardigende justitiële autoriteit om, aan de hand van het recht van die lidstaat, te beoordelen of het strafbare feit waarvoor overlevering wordt verzocht onder de hiervoor genoemde lijst valt. Uitgangspunt is dat de rechtbank aan het oordeel van de uitvaardigende justitiële autoriteit is gebonden. De rechtbank merkt ten overvloede op dat de aankruising van het lijstfeit “opzettelijke brandstichting” vermoedelijk op een vergissing berust, omdat de feitomschrijving geen enkel aanknopingspunt biedt voor een dergelijke kwalificatie. Wat daar ook van zij, de rechtbank ziet geen aanleiding om hieromtrent iets op te nemen in het dictum. In geval van het toestaan van de overlevering zal deze immers worden toegestaan voor het feit zoals dat is omschreven onder onderdeel
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.