← Nederland

ECLI:NL:RBAMS:2025:1111

RECHTBANK AMSTERDAM Bestuursrecht zaaknummer: AMS 22/4154 uitspraak van de enkelvoudige kamer van 21 februari 2025 in de zaak tussen [eiser] , eiser (gemachtigde: ing. [gemachtigde] ), en het dagelijks bestuur van het Hoogheemraadschap Amstel, Gooi en Vecht, verweerder (gemachtigden: [gemachtigden] ). Als derde-partij neemt aan de zaak deel: [persoon 1] en [persoon 2] te Nederhorst den Berg. Inleiding

  1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiser tegen de afwijzing van zijn aanvraag om een watervergunning.
  2. Verweerder heeft deze aanvraag met het besluit van 3 februari 2022 afgewezen. Eiser heeft daartegen bezwaar gemaakt. Met het besluit van 18 juli 2022 (de beslissing op bezwaar) is verweerder bij de afwijzing van de aanvraag gebleven.
  3. Eiser heeft vervolgens beroep ingesteld. De rechtbank heeft het beroep op 27 juli 2023 op een regiezitting behandeld. Partijen zijn daarna een mediation-traject gestart.
  4. Omdat de mediation niet tot een oplossing heeft geleid, heeft de rechtbank het beroep op 10 januari 2025 opnieuw op een zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser, de gemachtigde van eiser, de gemachtigden van verweerder en de derde-partij. Beoordeling door de rechtbank
  5. De rechtbank beoordeelt de afwijzing van eisers aanvraag om een watervergunning. Zij doet dat aan de hand van de beroepsgronden van eiser.
  6. De rechtbank verklaart het beroep ongegrond. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft. Feiten en omstandigheden
  7. Eiser is eigenaar van de weg en de berm over een lengte van 31 meter voor de woning van de derde partij aan de [adres] . Eiser heeft in de berm onder meer 14 stalen palen in de grond en liggend daarvoor betonnen balken geplaatst in de kern- en beschermingszone van de waterkering. De palen hebben een lengte van maximaal 6 meter en steken ongeveer 1 meter boven het maaiveld uit en hebben een diameter van 175 tot 280 mm. De betonbalken hebben een lengte tussen de 3,9 en 7 meter en een breedte en hoogte van 400 of 500 mm. De waterkering is in beheer bij het waterschap Amstel, Gooi en Vecht. De palen en balken, zoals boven genoemd, zijn geplaatst ter afscheiding van het erf van eiser van het naastgelegen erf, dat in eigendom is van de derde-partij.
  8. Nadat een deel van de werkzaamheden tot het plaatsen van de palen en balken al was uitgevoerd, heeft eiser een vergunning aangevraagd voor het uitvoeren van de werkzaamheden. Overgangsrecht
  9. Op 1 januari 2024 zijn de Omgevingswet en de Invoeringswet Omgevingswet in werking getreden. Omdat de aanvraag om een watervergunning is ingediend vóór het tijdstip van inwerkingtreding van de Omgevingswet, blijft op grond van artikel 4.3, aanhef en onder a, van de Invoeringswet Omgevingswet het recht zoals dat gold onmiddellijk vóór dat tijdstip van toepassing. Onzorgvuldige voorbereiding en motivering
  10. Volgens eiser is de afwijzing van zijn aanvraag onvoldoende zorgvuldig voorbereid en heeft deze niet een voldoende kenbare en daadkrachtige motivering. De aanvraag van eiser ziet op drie verschillende locaties, maar de afwijzing richt zich alleen op de 13 palen en 4 balken ter hoogte van één van de locaties ( [adres] ). Eiser heeft telkens de juiste informatie verstrekt over de palen en is niet uitgenodigd door verweerder om aanwezig te zijn bij de inmeting van de palen op zijn perceel. Dat is onzorgvuldig.
  11. Deze beroepsgrond slaagt niet. Allereerst is van belang dat de aanvraag ziet op het plaatsen van in totaal 23 palen en 4 balken. Dit wordt ook in de beslissing op bezwaar zo benoemd. De rechtbank kan eiser daarom niet volgen in het standpunt dat de afwijzing zich alleen zou richten tegen de 13 palen en 4 balken ter hoogte van [adres] .
  12. Daarnaast overweegt de rechtbank het volgende. Omdat eiser activiteiten wil uitvoeren in een waterkering die in beheer is bij het waterschap Amstel, Gooi en Vecht, is de Keur AGV 2019 (de Keur) van toepassing. Uit artikel 2.13 van de Keur volgt welke oogmerken de regels van de Keur hebben. In artikel 2.14 staat een specifieke zorgplicht voor iedereen die een activiteit verricht die nadelige gevolgen kan hebben voor de goede staat en werking van de waterkering. Uit artikel 2.41 van de Keur volgt dat het dagelijks bestuur van het waterschap nadere regels kan stellen over de zorgplicht bedoeld in artikel 2.14 van de Keur. Uit artikel 2.42 van de Keur volgt dat het dagelijks bestuur van het waterschap met het oog op de belangen bedoeld in onder meer de artikelen 2.13 en 2.14 maatwerkvoorschriften kan stellen in aanvulling op of afwijking van die nadere regels.
  13. Wat betreft het plaatsen van de palen geldt dat verweerder de aanvraag heeft getoetst aan de nadere regels die door het dagelijks bestuur van het waterschap zijn gesteld. Deze zijn opgenomen in het Keurbesluit Waterschap Amstel, Gooi en Vecht 2019 (het Keurbesluit). Deze nadere regels volgen uit artikel 2.58, artikel 2.59 aanhef en onder a en artikel 2.60, eerste en tweede lid, van het Keurbesluit. Tussen partijen is niet in geschil dat eiser niet aan de hier genoemde eisen voldoet en de aanvraag daarom moet worden aangemerkt als een verzoek tot het stellen van maatwerkvoorschriften.
  14. Aangaande het plaatsen van de balken zijn geen nadere regels gesteld in het Keurbesluit. Verweerder heeft de aanvraag daarom getoetst aan de artikelen 2.13 en 2.14 van de Keur.
  15. Uit de beslissing op bezwaar volgt dat volgens verweerder ook met het stellen van maatwerkvoorschriften niet kan worden voldaan aan de zorgplicht uit de Keur. Hoewel de palen en balken de stabiliteit van de waterkering niet direct in gevaar zullen brengen, is volgens verweerder ook van belang dat het waterschap de waterkeringen goed moet kunnen blijven beheren en onderhouden en dat de kosten daarvan op een aanvaardbaar niveau blijven. Ter zitting heeft verweerder toegelicht dat het daarbij gaat om het groot onderhoud dat door verweerder wordt uitgevoerd en niet het reguliere onderhoud dat, zoals door eiser terecht is gesteld, door de perceeleigenaren zelf wordt uitgevoerd. Volgens verweerder is het aannemelijk dat de aanwezigheid van niet waterkerende objecten op en in een waterkering meebrengt dat er een extra beoordeling moet plaatsvinden als de waterkering in de toekomst wordt versterkt of bij de toetsing van de kwaliteit van de waterkering. Voor de balken geldt nog dat deze de waterkering plaatselijk afdekken waardoor de staat van de waterkering daaronder niet controleerbaar is. De palen en balken brengen daarom extra kosten en mogelijk ook nadelige gevolgen voor de veiligheid mee.
  16. De rechtbank vindt de motivering van verweerder over het belang van het beheer en onderhoud van de waterkeringen ten behoeve van de goede staat en werking daarvan en de impact die de palen en de balken daarop kunnen hebben niet onbegrijpelijk. De rechtbank volgt verweerder daarom in het standpunt dat ook met het stellen van maatwerkvoorschriften niet kan worden voldaan aan de zorgplicht uit de Keur. Gelet hierop is de rechtbank van oordeel dat verweerder het besluit voldoende heeft gemotiveerd. Van een onzorgvuldige voorbereiding is om deze reden evenmin gebleken. Gelijkheidsbeginsel
  17. Eiser heeft foto’s ingebracht van andere objecten die aanwezig zijn in de waterkering (dijk). Volgens eiser is in de beslissing op bezwaar ten onrechte opgemerkt dat deze foto’s geen vergelijkbare erfafscheidingen laten zien. Dat was volgens eiser ook niet het doel van de foto’s. Uit de foto’s, die in beroep zijn aangevuld met nieuwe foto’s, blijkt volgens eiser dat op en in de dijk een groot aantal andere objecten aanwezig is waarop de argumenten die verweerder gebruikt om aan eiser geen watervergunning te verlenen, ook van toepassing zijn.
  18. De rechtbank vat dit betoog op als een beroep op het gelijkheidsbeginsel. Op basis van dit beginsel moeten gelijke gevallen gelijk worden behandeld. Naar het oordeel van de rechtbank is in dit geval niet gebleken van gelijke gevallen. Niet is gebleken dat verweerder wel vergunningen heeft verleend voor andere erfafscheidingen in de dijk, die vergelijkbaar zijn met die van eiser. Verweerder heeft ter zitting voorts aangegeven dat het een inventarisatie wil doen van objecten die in en langs de dijk staan, om te beoordelen of er illegale objecten zijn waartegen handhavend moet worden opgetreden. De grond slaagt niet. Tot slot
  19. Eiser heeft in zijn beroepschrift meerdere keren aangegeven dat zijn eerdere standpunten (over het voornemen om een last onder dwangsom op te leggen van 21 juni 2021, het primaire besluit van 3 februari 2022, het voornemen om een last onder dwangsom op te leggen van 14 maart 2022 en het verweerschrift in bezwaar van 28 april 2022) als herhaald en ingelast moeten worden beschouwd.
  20. De rechtbank beoordeelt in dit beroep de beslissing op bezwaar van 18 juli 2022 op basis van de beroepsgronden van eiser. Uit het in algemene zin noemen dat een stuk ‘als herhaald en ingelast’ moet worden beschouwd, is niet af te leiden waarom eiser vindt dat deze beslissing op bezwaar onjuist is. Als in deze stukken iets staat wat volgens eiser de rechtmatigheid van de beslissing aanvecht of in deze beroepsprocedure relevant is, had het op zijn weg gelegen om dit expliciet in zijn beroepschrift op te nemen en dat nader toe te lichten. Conclusie en gevolgen
  21. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat eiser geen gelijk krijgt en de afwijzing van zijn aanvraag in stand blijft. Eiser krijgt daarom het griffierecht niet terug. Hij krijgt ook geen vergoeding van zijn proceskosten. Beslissing De rechtbank verklaart beroep ongegrond. Deze uitspraak is gedaan door mr. C.F. de Lemos Benvindo, rechter, in aanwezigheid van mr. S.A. Adriaanse, griffier. Deze uitspraak is uitgesproken in het openbaar op 21 februari
  22. griffier rechter Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op: Informatie over hoger beroep Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen. Zie ter vergelijking de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 9 november 2022, ECLI:NL:RVS:2022:3215.

🔗 Naar officiële bron

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.