← Nederland

ECLI:NL:RBAMS:2025:11223

beschikking RECHTBANK AMSTERDAM Afdeling privaatrecht zaaknummer / rekestnummer: C/13/778273 / FA RK 25-8528 Beschikking van 8 december 2025 betreffende voorlopige voorzieningen in de zaak van: [de man] , wonende te [woonplaats] , hierna mede te noemen de man, advocaat mr. V.W.J.M. Kuit te Amsterdam, tegen [de vrouw] , wonende te [woonplaats] , hierna mede te noemen de vrouw, advocaat mr. E.M.J. van Nieuwenhuizen te Amsterdam. 1De procedure 1.

  1. De rechtbank heeft kennisgenomen van de stukken, waaronder: het verzoek van de man, met producties 1 tot en met 19, ingekomen op 5 november 2025; het verweerschrift van de vrouw, tevens houdende een zelfstandig verzoek, met producties, ingekomen op 19 november 2025; producties 20 tot en met 26 van de zijde van de man, ingekomen op 19 november 2025; producties 27 tot en met 35 van de zijde van de man, ingekomen op 20 november
  2. 1.
  3. De zaak is behandeld tijdens de mondelinge behandeling achter gesloten deuren op 24 november
  4. Partijen hebben over en weer het woord gevoerd, de man aan de hand van pleitnotities. De behandeling van de zaak is gesloten en vervolgens is beschikking bepaald op heden. 2De verzoeken en standpunten 2.
  5. Partijen zijn met elkaar gehuwd te Amsterdam op 9 juli
  6. De man is 83 jaar oud en de vrouw wordt over twee weken 74 jaar. 2.
  7. De man verzoekt te bepalen dat hij bij uitsluiting zal zijn gerechtigd tot het gebruik van de echtelijke woning, met bevel dat de vrouw deze woning dient te verlaten en niet verder mag betreden. 2.
  8. De man heeft zijn verzoek als volgt toegelicht. De afgelopen jaren zijn er veel spanningen in het huwelijk. Sinds vijf jaar houdt de vrouw de man voor dat zij vermoedt dat hij leidt aan dementie. In dusdanige mate dat hij volgens de vrouw naar een verzorgingstehuis zou moeten. Zij heeft de man aangespoord om daarnaar onderzoek te laten doen en zij zet de man onder druk. De man vermoedt dat de vrouw erop uit is de man de woning uit te krijgen zodat zij in de woning kan blijven. De onderzoeken die de man heeft laten doen wijzen echter uit dat er geen sprake is van dementie. Uit de door de man overgelegde onderzoeksrapporten van het OLVG respectievelijk 26 juni 2024 en 23 juni 2025 blijkt niet van dementie, wel van vergeetachtigheid, maar niet zorgelijk. De man heeft de onderzoeken enkel gedaan ter geruststelling van de vrouw. Hij ervaart zelf weinig klachten en ook de mensen in zijn omgeving herkennen het beeld dat de vrouw schetst niet. Zijn eigen zoons hebben uitgebreide verklaringen afgeleid waaruit blijkt dat zij hem geregeld zien en/of spreken, en dat zij een goede fysieke en mentale gesteldheid bij hem opmerken. Er zijn geen duidelijke gedragsveranderingen die hen zijn opgevallen. De man is verzorgd, vitaal en ondernemend en sociaal geïnteresseerd, hij heeft allerlei sociale bezigheden en contacten en interesses. Zijn zoons herkennen wel dat de man wat vergeetachtiger is dan normaal, vooral waar het om namen gaat, maar plaatsen dit in de context van zijn karakter, leeftijd en stress rondom de spanningen in het huwelijk. De zoons hebben gezamenlijk een brief geschreven aan de huisarts waarin zij hun zorgen over de behandeling van hun vader door zijn vrouw aan de orde hebben gesteld. De zoons maken zich erg bezorgd over het feit dat de vrouw nu al jaren zegt dat de man dementerende is, terwijl de zoons die zorg absoluut niet delen. Zij zijn zelfs voornemens een melding te doen bij Veilig Thuis. De man heeft inmiddels de indruk dat de vrouw hem manipuleert en hij is daartegen niet goed bestand; hij heeft inmiddels besloten te willen scheiden. De man is medio oktober 2025 uit de woning gegaan toen hij dacht een geschikte alternatieve plek te hebben gevonden. Deze woning is echter niet doorgegaan en de man is inmiddels van logeeradres naar logeeradres aan het gaan en het is niet gelukt een duurzaam alternatief te vinden. Inmiddels heeft de vrouw de man de toegang tot de echtelijke woning ontzegd door de woning te vergrendelen. Zij heeft spullen van de man weggedaan en in de kelder gezet. De man heeft ook ontdekt dat de vrouw gelden van de rekening heeft afgehaald zonder zijn toestemming. Zo heeft de vrouw op respectievelijk 19 september 2025 € 10.000 en 16 oktober 2025 € 5.000 van de gezamenlijke spaarrekening gehaald. Het gedrag van de vouw voldoet aan kenmerken van intieme terreur. De vrouw heeft geen pogingen ondernomen om een alternatieve woning te vinden. De man is intussen dusdanig wanhopig dat hij zich genoodzaakt ziet de rechtbank te vragen om een beslissing te nemen over het uitsluitend gebruik. De man heeft daarbij meer belang dan de vrouw. Het gedrag van de vrouw richting de man dient te worden meegewogen. De woning is destijds door de man verkregen en de vrouw is bij hem ingetrokken. De vrouw is tien jaar jonger dan de man en heeft een hoger inkomen. Zij heeft ook een lange inschrijfduur voor woningen. De man kan zich financieel geen alternatieve huurwoning veroorloven. Het bruto maandinkomen van de huurder moet bij het aangaan van een huurcontract minimaal drie-en-een-half keer zo groot zijn dan de kale huurprijs en de man kan niet aan deze eis voldoen. In de belangenafweging weegt het belang van de man zwaarder, aldus de man. 2.
  9. De vrouw heeft verweer gevoerd tegen het verzoek van de man en zelfstandig verzocht om het uitsluitend gebruik van de echtelijke woning. 2.
  10. De vrouw heeft daartoe het volgende aangevoerd. Zij heeft dertig hele goede jaren met de man gehad. De man was voor haar een lot uit de loterij en hij was voor haar de man van haar leven. De laatste vijf jaren is de relatie langzaam veranderd en is de vrouw naar haar gevoel de man langzamerhand een beetje meer kwijt geraakt. Het overlijden van de zoon van de vrouw in 2019 heeft de vrouw uit evenwicht gebracht. Er heeft in 2020 een incident plaatsgevonden tussen partijen waarna de man ook psychologische hulp heeft gezocht. De man kon steeds minder beantwoorden aan de gangbare eisen en verwachtingen die een samenlevingsrelatie stelt. Het evenwicht dat partijen hadden opgebouwd raakte aan het wankelen omdat er steeds minder wederkerigheid was in de relatie. De man heeft zich steeds verder teruggetrokken. Door de keus van de man om zijn prostaatkanker tegen het advies in wel te laten behandelen is de fysieke intimiteit tussen partijen gestopt, wat ook tot een verandering heeft geleid in de relatie. De vrouw heeft gemerkt dat de man zich de afgelopen jaren onder druk gezet voelde. De vrouw heeft de veranderende situatie zoveel mogelijk proberen te accepteren en zij is minder van de man gaan vragen en is zelf wat meer hulp gaan bieden, onder andere voor wat betreft de administratie, financiën en het regelen van praktische zaken. De vrouw herkent zich niet in de aantijgingen van de man. Zij heeft een andere lezing van de door de man in zijn verzoekschrift breed uitgemeten situaties. Zij betwist onder andere de man onder druk te hebben gezet naar haar huisarts over te stappen, hem te hebben verboden zijn zoon [naam] mee te nemen naar de huisarts of dat zij een psychiatrische diagnose zou hebben gekregen. Er is ook geen sprake van dat de vrouw de man is gaan aanmelden bij een verpleegtehuis. Omdat de vrouw zich zorgen maakte om de man heeft zij wel hulp gezocht en de zoons van de man benaderd buiten de man om. De vrouw had en heeft wel het vermoeden dat de man mogelijk aan frontotemporale dementie leed, maar deze is moeilijk de diagnosticeren. De man heeft er zelf voor gekozen om af te zien van het al geplande neuropsychologisch onderzoek (npo). Dit onderzoek vond ook het multidisciplinaire team van het OLVG wel geïndiceerd. Toen de man een alternatieve woning had gevonden heeft hij de vrouw meegedeeld te willen scheiden en dat hij weg zou gaan. De vrouw wilde dat hij dat toen ook direct deed omdat zijn besluit vaststond en zij de situatie op dat moment emotioneel moeilijk aan kon. Zij wilde helemaal niet scheiden. Zij was aan het herstellen van een burn-out en zij wilde een escalatie voorkomen. De vrouw betwist gelden van de man te hebben weggesluisd. Zij heeft in zijn opdracht geld apart gezet voor zijn uitvaart. Omdat hij minder goed met geld leek om te gaan heeft zij bepaalde bedragen overgeboekt ter bescherming. De vrouw betwist dat de woning aan de zijde van de man zou zijn ingebracht. Partijen hebben de woning gezamenlijk betrokken, zij voldeden samen aan de inkomenseis. De vrouw betwist dat de man geen zicht zou hebben op een andere woning. Hij heeft zich ingeschreven bij corporaties en heeft binnen zijn familie veel mensen die genoeg ruimte hebben om de man voorlopig onderdak te bieden, anders dan de vrouw. Zij kan niet terecht bij haar broer die in een kleine sociale huurwoning woont en niet bij haar goede vriendin die geen ruimte heeft in haar woning. Ook kan zij niet terecht bij haar dochter die met twee pubers in een anti kraakpand woont. De man is uit vrije wil weggegaan. Een verhuizing zal voor de vrouw een directe bedreiging vormen voor haar gezondheid en stabiliteit. De vrouw is fysiek kwetsbaarder dan de man. Zij heeft een zwakke gezondheid vanwege een chronische stress gerelateerde auto-immuunziekte, lymfocytaire collitis, waardoor zij is aangewezen op veel rust en continuïteit in haar leven. Haar sociale leven en netwerk is veel beperkter dan dat van haar man. Zij heeft zich na het overlijden van haar zoon en de problemen in haar huwelijk en ziekte steeds meer uit het sociale leven teruggetrokken. De vrouw is emotioneel zeer gehecht aan de woning waarin haar in 2019 overleden zoon veel heeft verbleven alsook de kinderen van haar dochter veel verblijven. De woning is ook voor haar kleinkinderen een tweede thuis, aldus de vrouw. 2.
  11. Op de stellingen van partijen wordt hierna nader ingegaan. 3De beoordeling 3.
  12. Ingevolge artikel 822 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv) kan de rechter bij beschikking voor de duur van het echtscheidingsgeding bepalen dat één der echtgenoten bij uitsluiting gerechtigd zal zijn tot het gebruik van de echtelijke woning met bevel dat de andere echtgenoot die woning dient te verlaten en deze verder niet mag betreden. 3.
  13. De rechtbank constateert dat beide partijen belang hebben bij het voorlopige gebruik van de echtelijke woning in afwachting van beslissingen in de echtscheidingsprocedure. 3.
  14. Uit de standpunten is voldoende af te leiden dat van geen van partijen verlangd kan worden om nog langer samen in de echtelijke woning te verblijven. Daarvoor zijn de spanningen te hoog opgelopen. 3.
  15. De rechtbank maakt uit de stukken en de standpunten op dat partijen tot een jaar of vijf geleden gelukkig met elkaar hebben samengeleefd. Het huwelijk lijkt sindsdien onder druk zijn komen te staan door diverse ontwikkelingen. De zoon van de vrouw is in 2019 overleden en dit heeft de vrouw en de man diep geraakt. Volgens de vrouw is zij de man sinds een jaar of vijf steeds een beetje meer kwijtgeraakt. Volgens haar was er sindsdien langzamerhand steeds minder wederkerigheid in de relatie, die mogelijk is versterkt door een toename van vergeetachtigheid en een verandering in de relatie na de behandeling van de man voor zijn prostaatkanker. De man heeft in de afgelopen jaren twee maal een onderzoek laten doen naar zijn vergeetachtigheid door het ziekenhuis. Hoewel niet is vastgesteld dat de man leed aan dementie gaven de behandelaars in juni 2025 wel het advies aan de man om een neuropsychologisch onderzoek te laten doen. De man heeft hiervan afgezien. 3.
  16. Het is zeer goed denkbaar dat de manier waarop de vrouw zich heeft uitgedrukt jegens de man en de manier waarop ze haar zorgen naar buiten toe heeft gebracht, zoals bijvoorbeeld richting de zoons van partijen, bij de man heeft geleid tot het gevoel onder druk te worden gezet. De vrouw heeft ook wel erkend dat zij heeft gemerkt dat de man zich onder druk gezet voelde. Echter, dat er sprake zou zijn geweest van een vorm van intieme terreur, waarbij de vrouw erop uit zou zijn geweest om financiële controle uit te oefenen en controle over de gezondheid van de man te hebben door psychologische manipulatie, is naar het oordeel van de rechtbank niet vast komen te staan. De vrouw heeft dit gemotiveerd betwist. Omdat deze procedure zich niet leent voor een nader onderzoek naar de feiten zal de rechtbank deze beschuldiging van de man daarom niet betrekken bij de belangenafweging. 3.
  17. Uit de stukken en hetgeen op de mondelinge behandeling naar voren is gebracht is de rechtbank gebleken dat de man medio oktober 2025 de echtelijke woning vrijwillig heeft verlaten omdat hij zicht had op een alternatieve woning. Helaas bleek het appartement waarvan de man dacht dat hij daarin terecht kon, niet (meer) beschikbaar. Sindsdien heeft de man op verschillende adressen verbleven. 3.
  18. De rechtbank kan op grond van de – niet nader onderbouwde en over en weer betwiste – stellingen van partijen niet aannemen dat de ene partij gemakkelijker terecht kan bij familieleden dan de ander, zodat de rechtbank daaraan geen gewicht zal hangen. 3.
  19. Omdat beide partijen een min of meer vergelijkbaar maandinkomen hebben, welk maandinkomen niet hoog is, kan niet worden geconcludeerd dat de ene partij makkelijker alternatieve woonruimte kan financieren dan de ander. 3.
  20. De vrouw is weliswaar bijna tien jaar jonger dan de man, beide partijen zijn het er echter over eens dat de fysieke gezondheid van de man sterk is. Zowel de man als de vrouw hebben mentale klachten, waaronder vermoeidheidsklachten door de echtscheidingssituatie. Beide partijen zijn, zo is de indruk van de rechtbank, even kwetsbaar op het moment. 3.
  21. Voortduring van de huidige situatie waarin de man steeds van adres naar adres moet bewegen acht de rechtbank niet in zijn belang. De rechtbank acht deze situatie echter evenmin in het belang van de vrouw. Omdat partijen met elkaar zijn gehuwd en hun belangen even zwaar wegen, ziet de rechtbank aanleiding om hen ook beiden te vragen om het probleem van de huisvesting samen tot een oplossing te brengen. Het komt de rechtbank redelijk voor om van zowel de man als de vrouw te vragen op zoek te gaan naar een geschikte alternatieve woning, en dat zij in de tussentijd allebei om de twee weken in de echtelijke woning mogen verblijven en de andere twee weken een tijdelijk logeeradres moeten zoeken. De rechtbank zal de man en de vrouw dan ook steeds afwisselend voor twee weken het uitsluitend gebruik van de woning geven. Deze beslissing gaat in op zaterdag 13 december om 16.00 uur. Dit zodat de vrouw zich erop kan voorbereiden dat zij zaterdag 13 december voor twee weken de woning moet verlaten. Het wisselmoment zal vervolgens steeds iedere twee weken op zaterdag om 16 uur zijn. Mitsdien wordt beslist als volgt. 4De beslissing De rechtbank: - bepaalt dat tot zaterdag 13 december 2025 om 16 uur de vrouw het uitsluitend gebruik van de woning heeft en bepaalt dat ieder der partijen vervolgens vanaf zaterdag 13 december 2025 om 16.00 uur telkens twee weken bij uitsluiting gerechtigd is tot het gebruik van de echtelijke woning aan de [adres] , met bevel dat de andere partij de woning gedurende die twee weken dient te verlaten en verder niet mag betreden: - de man vanaf 13 december 2025 om 16 uur tot 27 december 2025 om 16 uur; - de vrouw vanaf 27 december 2025 om 16 uur tot 10 januari 2026 om 16 uur; - de man vanaf 10 januari 2026 om 16 uur tot 24 januari 2026 om 16 uur; - de vrouw vanaf 24 januari 2026 om 16 uur tot 7 februari 2026 om 16 uur, en zo steeds verder; - verklaart deze beschikking in zoverre uitvoerbaar bij voorraad. Deze beschikking is gegeven door mr. C.C.M. Oude Hengel, rechter, en in het openbaar uitgesproken in tegenwoordigheid van mr. M. van den Berg, griffier, op 8 december 2025.

🔗 Naar officiële bron

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.