← Nederland

ECLI:NL:RBAMS:2025:11262

RECHTBANK AMSTERDAM Afdeling privaatrecht Team Familie & Jeugdzaken zaaknummer / rekestnummer: C/13/744725 / FA RK 24-109 (CM/CS) C/13/774052 / FA RK 25-6123 Beschikking d.d. 11 december 2025 betreffende de echtscheiding in de zaak van: [de man] , wonende te [plaats 1] ( [gemeente] ), hierna te noemen de man, advocaat mr. S.V. de Jong, tegen [de vrouw] , wonende te [plaats 2] , hierna te noemen de vrouw, advocaat mr. N. Groen. Op grond van het bepaalde in artikel 810 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering is in de procedure gekend: de Raad voor de Kinderbescherming,regio Amsterdam,[locatie] ,hierna te noemen: de Raad. 1De procedure 1.

  1. Het verloop van de procedure blijkt uit: - het verzoekschrift van de man, ingekomen op 5 januari 2024; - het verweerschrift tevens zelfstandig verzoek met bijlagen van de vrouw, ingekomen op 18 april 2024; - het verweerschrift op zelfstandig verzoek met bijlagen van de man, ingekomen op 16 mei 2024; - het proces-verbaal van bevindingen van deze rechtbank van 10 juli 2024; - het F9-formulier van de vrouw van 10 oktober 2024; - het F9-formulier van de man van 10 oktober 2024; - het F9-formulier van de vrouw van 10 oktober 2024; - de brief met aanvullende verzoeken en bijlagen van de man ingekomen op 10 oktober 2024; - het F9-formulier van de vrouw van 11 oktober 2024; - het verweerschrift naar aanleiding van aanvullende verzoeken tevens zelfstandig verzoek met bijlagen van de vrouw, ingekomen op 8 november 2024; - de brief met aanvullende verzoeken en bijlagen van de vrouw van 3 november 2025; - de brief met aanvullende verzoeken en bijlagen van de man van 3 november 2025; - de brief van de vrouw van 6 november 2025; - de brief van de man van 6 november
  2. 1.
  3. De mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden op 13 november
  4. Bij die gelegenheid zijn verschenen partijen, bijgestaan door hun advocaten, mevrouw [persoon] namens de Raad alsmede een tolk Engels voor beide partijen. Door beide partijen zijn pleitnotities voorgedragen en overgelegd. 2De feiten 2.
  5. Partijen zijn met elkaar gehuwd op 28 november 2014 te Modinagar, India. 2.
  6. Partijen hadden ten tijde van de huwelijkssluiting de Indiase nationaliteit. De man heeft sinds 22 december 2022 de Nederlandse nationaliteit. 2.
  7. De vrouw verblijft sinds maart 2017 in Nederland, de man verblijft sinds april 2017 in Nederland. 2.
  8. Het minderjarige kind van partijen is [minderjarige] , geboren op [geboortedag] 2021 te [geboorteplaats] . 2.
  9. Bij beschikking betreffende voorlopige voorzieningen van deze rechtbank van 17 mei 2024 heeft de rechtbank voor zover hier van belang bepaald: dat de vrouw bij uitsluiting gerechtigd zal zijn tot het gebruik van de echtelijke woning aan het [adres] met bevel dat de man die woning dient te verlaten en deze verder niet mag betreden; dat de vrouw als gebruiksvergoeding zal betalen de helft van de eigenaarslasten ad € 848,34 per maand van voornoemde woning, te voldoen door middel van het op zich nemen van de betaling van de volledige lasten; dat [minderjarige] met onmiddellijke ingang aan de vrouw zal worden toevertrouwd; de verdeling van de zorg- en opvoedingstaken tussen de ouders aldus dat met ingang van heden: de man [minderjarige] eenmaal per 14 dagen van vrijdagochtend 9.00 uur tot zondag 17.00 uur alsmede iedere dinsdag van 9.00 uur tot woensdagochtend 9.00 uur bij zich heeft, waarbij de ouder die [minderjarige] bij zich heeft hem naar de andere ouder of de gastouder brengt. 3De beoordeling 3.
  10. Scheiding 3.1.
  11. Partijen hebben verzocht de echtscheiding tussen hen uit te spreken. Zij hebben gesteld dat het huwelijk duurzaam is ontwricht. Rechtsmacht 3.1.
  12. Nu ten tijde van de indiening van het verzoekschrift de gewone verblijfplaats van partijen zich in Nederland bevond, komt de Nederlandse rechter rechtsmacht toe om te oordelen over het verzoek tot echtscheiding. Ontvankelijkheid 3.1.
  13. Op grond van artikel 815, lid 2 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv), voor zover hier van belang, dient een (inleidend) verzoekschrift tot echtscheiding een ouderschapsplan te bevatten ten aanzien van de minderjarige kinderen van partijen over wie zij al dan niet gezamenlijk het gezag uitoefenen. Nu het ouderschapsplan in de wet is geformuleerd als een processuele eis bij een verzoek tot echtscheiding heeft de rechtbank de bevoegdheid een echtgenoot in het verzoek tot echtscheiding niet-ontvankelijk te verklaren, tenzij er redenen zijn om aan te nemen dat het ouderschapsplan redelijkerwijs niet kan worden overgelegd (artikel 815, lid 6 Rv). 3.1.
  14. Door partijen is geen ouderschapsplan overeenkomstig artikel 815, lid 2 Rv overgelegd. Nu voldoende is gebleken dat het voor partijen op dit moment redelijkerwijs niet mogelijk is een door beide partijen akkoord bevonden ouderschapsplan over te leggen, zal de rechtbank een ieder van partijen ontvangen in het verzoek tot echtscheiding. Toepasselijk recht 3.1.
  15. Op grond van artikel 10:56 van het Burgerlijk Wetboek (hierna: BW) is Nederlands recht op het verzoek tot echtscheiding van toepassing. Erkenning van het huwelijk 3.1.
  16. De rechtbank dient vervolgens ambtshalve te beoordelen of er sprake is van een huwelijk tussen de vrouw en de man dat in Nederland kan worden erkend. De rechtbank gaat op basis van de stukken in het dossier ervan uit dat het huwelijk in India is gesloten op de aldaar voorgeschreven wijze en dat het huwelijk naar Indiaas recht rechtsgeldig tot stand is gekomen. Dit huwelijk komt daarom op grond van het bepaalde in artikel 10:31 lid 1 BW voor erkenning in Nederland in aanmerking, tenzij deze erkenning onverenigbaar is met de openbare orde van Nederland. Hiervan is niet gebleken. Het huwelijk dient dan ook in Nederland te worden erkend. Inhoudelijke beoordeling 3.1.
  17. Het verzoek tot echtscheiding zal, als op de wet gegrond, worden toegewezen. 3.
  18. Verdeling zorg- en opvoedingstaken 3.2.
  19. Beide partijen hebben verzocht een regeling inzake de verdeling van de zorg- en opvoedingstaken (hierna: zorgregeling) vast te stellen. Rechtsmacht en toepasselijk recht 3.2.
  20. Nu de gewone verblijfplaats van [minderjarige] in Nederland is, is de Nederlandse rechter bevoegd om naar het recht van Nederland te beslissen op het verzoek tot vaststelling van de zorgregeling. Inhoudelijke beoordeling 3.2.
  21. Tussen partijen is in geschil welke zorgregeling op dit moment het meest passend is voor [minderjarige] . 3.2.
  22. De man verzoekt een co-ouderschapsregeling vast te stellen. Hij stelt dat er altijd sprake is geweest van een gelijkwaardige verdeling van de zorg en dat voor een co-ouderschapsregeling geen contra-indicaties bestaan. Volgens de man gaat het goed met [minderjarige] , dat neemt niet weg dat de communicatie tussen partijen voor verbetering vatbaar is. De man staat dan ook open voor hulpverlening, met of zonder de vrouw. Hoewel hij graag zou willen dat er een co-ouderschapsregeling wordt vastgesteld, kan hij voorlopig instemmen met een beperkte uitbreiding van de in de voorlopige voorzieningenprocedure vastgestelde zorgregeling in afwachting van de uitkomst van een door partijen te volgen hulpverleningstraject. 3.2.
  23. De vrouw voert verweer tegen een uitbreiding van de huidige regeling. Zij acht dit niet in het belang van [minderjarige] . Zij betwist dat er voorheen sprake was van een gelijkwaardige verdeling van de zorg en zij heeft zorgen over hoe het met [minderjarige] gaat. Volgens de vrouw laat hij, anders dan andere kinderen, signalen zien waarbij hij zich terugtrekt, niet open staat voor contact en moeite heeft met communiceren. De vrouw vermoedt dat [minderjarige] last heeft van een loyaliteitsconflict. [minderjarige] heeft het moeilijk met de overgang van de ene naar de andere ouder en de omstandigheid dat hij wordt geconfronteerd met twee ouders die in conflict zijn met elkaar. De vrouw stelt dat haar zorgen worden bevestigd door het wijkteam en de gastouder waar [minderjarige] tot februari 2025 heen ging. De vrouw staat open voor het volgen van een hulpverleningstraject met de man. Zij zou ook graag zien dat er met [minderjarige] zelf wordt gesproken. 3.2.
  24. De Raad heeft tijdens de mondelinge behandeling onder andere het volgende naar voren gebracht. Het is niet ongebruikelijk dat na het verbreken van een relatie er emoties spelen en dat deze zijn weerslag hebben op [minderjarige] . Het is doorgaans normaal dat in deze fase een overdracht spanning met zich meebrengt. Dat is een omstandigheid waar partijen mee om zullen moeten gaan en waarbij het van belang is dat zij elkaar en [minderjarige] rust gunnen. Natuurlijk dienen partijen elkaar te informeren als er iets belangrijks gebeurd, maar dat houdt niet in dat er iedere dag communicatie tussen partijen dient plaats te vinden. Ook dienen gezagsbeslissingen uiteraard in gezamenlijkheid te worden genomen, maar dit geldt niet voor alledaagse beslissingen. Hierbij geldt dat de ouder waar [minderjarige] op dat moment verblijft zal beslissen. Het is goed dat partijen open staan voor een hulpverleningstraject om te werken aan de communicatie en het onderlinge vertrouwen. In dat kader kunnen zij ook afspraken met elkaar maken wie bijvoorbeeld bij welke afspraak aanwezig zal zijn. Op dit moment is het tussen deze ouders kennelijk te spanningsvol om samen bij bepaalde afspraken aanwezig te zijn, zodat de Raad adviseert dat op dit moment niet te doen. Het is van belang dat zij in hun handelen het belang van [minderjarige] voorop stellen. Voorop staat dat beide ouders belangrijk zijn voor [minderjarige] . Gelijkwaardig ouderschap is evenwel niet hetzelfde als co-ouderschap. Op dit moment vraagt een co-ouderschapsregeling nog te veel van [minderjarige] . Volgens de Raad is uitbreiding van de huidige zorgregeling – gedurende het hulpverleningstraject – wel mogelijk, waarbij bijvoorbeeld het weekend in de veertien dagen in plaats van tot zondag 17:00 uur tot maandag 09:00 uur zal duren. Dit heeft als bijkomend voordeel dat er een overdrachtsmoment tussen de ouders minder zal zijn, aangezien de overdracht in dat geval via school zal verlopen. 3.2.
  25. Partijen zijn tijdens de mondelinge behandeling overeengekomen dat zij een hulpverleningstraject zullen gaan volgende via het Uniform Hulpaanbod (UHA). De rechtbank zal partijen daartoe in de gelegenheid stellen. Verwezen wordt naar het proces-verbaal van verwijzing, waarin is gekozen voor een traject Hulp bij Scheiding. Het doel daarvan is dat partijen werken aan het verbeteren van de communicatie op ouderniveau en het onderlinge vertrouwen. Ook dienen partijen in dat kader ernaar te streven afspraken te maken over de wijze waarop zij elkaar informeren en consulteren, wie bij welke activiteit van [minderjarige] aanwezig zal zijn en wie voor welke activiteiten (zoals bijvoorbeeld tandartsbezoek, GGD, huisarts) de afspraken maakt. De rechtbank geeft daarnaast de hulpverlenende instantie in overweging dat het een wens van de vrouw is dat met [minderjarige] apart wordt gesproken, bijvoorbeeld door middel van speltherapie, zodat dit mogelijk ook kan worden betrokken in het hulpverleningstraject. 3.2.
  26. De rechtbank zal vooruitlopend op de uitkomst van voornoemd hulpverleningstraject een voorlopige zorgregeling bepalen overeenkomstig het advies van de Raad. De zorgen van de vrouw, die door de man worden betwist, maken niet dat op dit moment een beperkte uitbreiding onmogelijk is. Een co-ouderschap, zoals door de man verzocht, acht de rechtbank op dit moment nog te verstrekkend en zal in het kader van het hulpverleningstraject aan de orde dienen te komen. De rechtbank zal dan ook beslissen dat [minderjarige] één keer per veertien dagen van vrijdag 09:00 uur tot maandag 09:00 uur (althans naar school) bij de man zal verblijven en daarnaast elke week van dinsdag 9.00 uur tot woensdagochtend 9.00 uur . De rechtbank zal de definitieve beslissing omtrent de zorgregeling aanhouden als na te melden. 3.2.
  27. Ten aanzien van de vakanties- en feestdagen zal de rechtbank het verzoek van de man als onvoldoende weersproken toewijzen, met dien verstande dat de zomervakantie bij helfte wordt gedeeld (drie weken bij de een en drie weken bij de ander). De door de man voorgestelde regeling waarbij de verdeling 1-2-2-1 zal zijn, maakt reizen naar India lastig. De door de vrouw voorgestelde regeling waarbij de verdeling 4-2 zou zijn, acht de rechtbank niet evenwichtig. De vrouw wil graag met [minderjarige] naar India kunnen reizen om familie te bezoeken, in dat kader kan zij instemmen met 3-3 (weken) verdeling. Gelet op het feit dat de vrouw bij een reis naar India een verdeling van 3-3 wel passend vind, ziet de rechtbank aanleiding om dat voor elke zomervakantie te bepalen (ongeacht een reis naar India). Over de verdeling van de kerstvakantie zijn partijen het ook eens, zodat de rechtbank dit op deze manier zal beslissen. 3.
  28. Verblijfplaats 3.3.
  29. Beide partijen hebben verzocht de hoofdverblijfplaats bij hem/haar vast te stellen. 3.3.
  30. Nu de gewone verblijfplaats van [minderjarige] in Nederland is, is de Nederlandse rechter bevoegd om naar het recht van Nederland te beslissen op het verzoek tot vaststelling van de hoofdverblijfplaats van [minderjarige] . 3.3.
  31. De rechtbank bepaalt de hoofdverblijfplaats van [minderjarige] bij de vrouw aangezien hij daar het meest verblijft. De rechtbank zal dan ook het verzoek van de vrouw toewijzen onder afwijzing van het verzoek van de man. 3.3.
  32. Ten overvloede overweegt de rechtbank dat het vaststellen van de hoofdverblijfplaats bij moeder nadrukkelijk niet betekent dat zij met het eenhoofdig gezag over [minderjarige] wordt belast. Partijen blijven belast met het gezamenlijk gezag over [minderjarige] . 3.
  33. Inschrijving basisregistratie persoonsgegevens (brp) 3.4.
  34. In geschil tussen partijen is de inschrijving van [minderjarige] in de Basisregistratie Persoonsgegevens (BRP). De man heeft verzocht te bepalen dat [minderjarige] bij de man wordt ingeschreven. Als reden daarvoor voert hij aan dat [minderjarige] daarbij een financieel belang heeft (een verschil van € 81,- per maand). 3.4.
  35. De vrouw heeft hiertegen verweer gevoerd. 3.4.
  36. De rechtbank verklaart de man niet-ontvankelijk in dit verzoek. Een dergelijk verzoek past niet als nevenvoorziening in een echtscheidingsprocedure (vgl. Gerechtshof Amsterdam d.d. 19 augustus 2025, ECLI:NL:GHAMS:2025:2182). 3.
  37. Informatieregeling 3.5.
  38. De man heeft verzocht een informatieregeling vast te leggen, waarbij de ouders op dezelfde dag dat de overdracht van [minderjarige] van de ene naar de andere ouder plaatsvindt, zij per e-mail een overdracht aan de ander sturen met een toelichting op de navolgende onderwerpen: ritme/bedtijd, bijzonderheden school/opvang, medische bijzonderheden en overige zaken. 3.5.
  39. De vrouw heeft tegen de door de man verzochte frequentie van de informatieregeling verweer gevoerd. 3.5.
  40. Nu de gewone verblijfplaats van [minderjarige] in Nederland is, is de Nederlandse rechter bevoegd om naar Nederlands recht te beslissen het verzoek tot vaststelling van een informatieregeling. 3.5.
  41. In geschil tussen partijen is de frequentie waarbij ouders elkaar dienen te informeren. De man wil een regeling zoals door hem verzocht, terwijl de vrouw juist een minder intensieve regeling wenst. De rechtbank zal – met inachtneming van het advies van de Raad – bepalen dat de vrouw de man iedere dinsdag een mail zal sturen met relevante informatie over [minderjarige] . Uiteraard dienen partijen elkaar bij bijzonderheden, altijd te informeren, ongeacht deze informatieregeling. 3.
  42. Vervangende toestemming 3.6.
  43. De vrouw heeft vervangende toestemming verzocht voor: reizen naar het buitenland (doorlopend); een reis naar India; de aanvraag van een Indiaas paspoort; inschrijven zwemlessen voor [minderjarige] ; wijziging van de tenaamstelling van het BSO contract en wijziging van de bankrekening van de BSO. 3.6.
  44. Naar de begrijpt rechtbank legt de vrouw voornoemde verzoeken voor als zijnde gezagsgeschillen ex artikel 1:253a BW. 3.6.
  45. De man heeft vervangende toestemming verzocht voor:  handelingen ex artikel 6 lid 1 onder a Rijkswet op het Nederlanderschap (aanvraag Nederlandse nationaliteit) en ex artikel 34 van de Paspoortwet (de aanvraag van een Nederlands paspoort). Rechtsmacht en toepasselijk recht 3.6.
  46. Nu de gewone verblijfplaats van [minderjarige] in Nederland is, is de Nederlandse rechter bevoegd om naar Nederlands recht te beslissen op de verzoeken. Doorlopende toestemming voor reizen naar het buitenland 3.6.
  47. De vrouw heeft verzocht om beide partijen over en weer permanente toestemming te geven om naar het buitenland te reizen. De vrouw wenst overeen te komen dat partijen niet voor iedere vakantietoestemming met elkaar naar de rechtbank moeten. 3.6.
  48. De man heeft hiertegen verweer gevoerd. 3.6.
  49. Er bestaat geen juridische grond voor de rechtbank om de moeder doorlopende en onbeperkte toestemming te geven om met [minderjarige] naar het buitenland te reizen. Dit is te ruim geformuleerd en valt buiten het toetsingskader van 1:253a BW. Gelet hierop zal de rechtbank dit verzoek afwijzen. Vervangende toestemming reis naar India (vóór 2 maart 2025) 3.6.
  50. De vrouw heeft verzocht om haar vervangende toestemming te verlenen om voor 2 maart 2026 gedurende twee aaneengesloten weken met [minderjarige] naar India te mogen afreizen. Zij zal daar verblijven bij familieleden en de man uiteraard de vluchtgegevens, de verblijflocaties en dergelijke toesturen zodra de reis geboekt is. De vrouw voert ter onderbouwing aan dat zij voordat [minderjarige] leerplichtig is nog eenmaal buiten de schoolvakanties naar India wil gaan om afscheid te kunnen nemen van haar zieke grootmoeder en om haar vader te kunnen bezoeken die ernstig ziek is. Er is geen reden tot zorg dat zij niet zou terugkeren; de vrouw heeft in Nederland werk, zij verzoekt in deze procedure de woning over te nemen en wil in Nederland haar leven met [minderjarige] vormgeven. 3.6.
  51. De man heeft hiertegen verweer gevoerd. De man vreest dat de vrouw niet of alleen zal terugkregen naar Nederland of dat zij het verblijf van [minderjarige] in India zonder zijn toestemming zal verlengen. Indien [minderjarige] in India ongeoorloofd zou verblijven, kan hij [minderjarige] niet terug naar Nederland krijgen (aangezien er geen verdrag van kracht is tussen India en Nederland in het geval van kinderontvoering). De man ziet eerst graag dat [minderjarige] het Nederlanderschap verkrijgt en over een Nederlands paspoort beschikt maar ook dat de rechtbank een definitief oordeel heeft gegeven over de zorgregeling, voordat de vrouw alleen met [minderjarige] naar India afreist. 3.6.
  52. Indien de rechtbank het verzoek van de vrouw toewijst, vermeerdert de man zijn verzoeken als volgt. De man verzoekt de rechtbank te bepalen dat: de vrouw verplicht is om minimaal 48 uur voorafgaand aan haar reis met [minderjarige] de vluchtgegevens en verblijfslocaties met de man te delen; de vrouw verplicht is om gedurende de tijd dat zij met [minderjarige] in India verblijft, de man in staat te stellen om dagelijks, dan wel een interval die de rechtbank passend acht, buiten aanwezigheid van de vrouw een Facetime moment met [minderjarige] te hebben; de vrouw veroordeeld wordt om [minderjarige] aan de man over te dragen aan het einde van haar 14 dagen vakantie, op een nader tussen partijen af te stemmen locatie, waarbij de vrouw het geldige reisdocument van [minderjarige] aan de man dient over te dragen; e man vervangende toestemming te verlenen om met [minderjarige] naar India af te reizen c.q. 14 dagen met hem in India te besteden in de periode direct volgend op de 14 dagen vakantie van de vrouw, waarna de man samen met [minderjarige] naar Nederland zal terugreizen; de reguliere zorgregeling weer wordt hervat na de 2 x 14 dagen vakantie van beide partijen. 3.6.
  53. De rechtbank overweegt als volgt. De rechtbank zal het verzoek van de vrouw toewijzen. De rechtbank acht het in het belang van [minderjarige] om op vakantie te gaan naar India en daar met zijn moeder zijn familie te bezoeken. Daarnaast ziet de rechtbank geen reden om de toestemming te weigeren. De moeder heeft uitdrukkelijk betwist dat zij van plan is [minderjarige] mee te nemen zonder terug te keren naar Nederland. Ook ziet de rechtbank geen overige contra-indicaties. Daarnaast heeft de vrouw aangegeven ermee in te stemmen dat de man aansluitend op de reis van de vrouw met [minderjarige] in India, twee weken met [minderjarige] in India zal doorbrengen. De rechtbank gaat ervan uit dat de vrouw zal voldoen aan voorgaande aanvullende subsidiaire verzoeken van de man, met uitzondering van sub b. Een dagelijks contact, acht de rechtbank mede gelet op het advies van de Raad, niet in het belang van de minderjarige. Een wekelijks Facetime moment acht de rechtbank passend. De minderjarige zal dus uiterlijk vier weken vóór 2 maart 2026 (te weken uiterlijk 2 februari 2026) naar India kunnen afreizen, zodat uiterlijk 16 februari 2026 een overdracht van [minderjarige] zal plaatsvinden van de vrouw aan de man. De rechtbank gaat ervan uit dat de vrouw met de man zal afstemmen wanneer de reis zal plaatsvinden en wanneer de overdracht in India zal zijn (indien de man besluit ook naar India te gaan). Hoewel partijen deels overeenstemming hebben bereikt en de rechtbank ervan uitgaat dat zij om die reden geen belang hebben bij een beslissing van de rechtbank op die punten, zal de rechtbank om iedere onzekerheid voor [minderjarige] te voorkomen hierna de verzoeken overeenkomstig vorenstaande toewijzen. Vervangende toestemming aanvraag Indiaas paspoort / verkrijging Nederlandse nationaliteit / aanvraag Nederlands paspoort 3.6.
  54. De vrouw heeft verzocht te bepalen: primair: dat de man gehouden is op eerste verzoek van de vrouw mee te werken aan alle feitelijke of rechtshandelingen die nodig zijn om te komen tot het aanvragen en verkrijgen van een Indiaas paspoort ten behoeve van [minderjarige] zoon van partijen, een en ander telkens uiterlijk binnen zeven dagen na het gedane verzoek van de vrouw daartoe, op straffe van een dwangsom van € 50,00 voor iedere dag dat de man in gebreke blijft met het verlenen van diens medewerking, een dagdeel daaronder begrepen, met een maximum tot € 10.000,00; subsidiair: dat de verklaring van toestemming van de man tot het aanvragen van een Indiaas paspoort ten behoeve van het minderjarige kind van partijen wordt vervangen door de toestemming van uw rechtbank. 3.6.
  55. De man heeft verzocht: vervangende toestemming te verlenen om alle benodigde handelingen te verrichten die nodig zijn om voor [minderjarige] een beroep te doen op art. 6 lid 1 onder a RWN en daartoe de benodigde formulieren te ondertekenen, dan wel benodigde procedure te voeren; (zodra de procedure tot verkrijging van het Nederlandschap is afgerond) vervangende toestemming te verlenen om alle benodigde handelingen te verrichten ter verkrijging c.q. afgifte van een Nederlands paspoort voor [minderjarige] en te bepalen dat de man het paspoort van [minderjarige] in zijn beheer houdt, waarbij hij het paspoort indien nodig op verzoek aan de vrouw zal afgeven, waarna de vrouw het paspoort na haar vakantie c.q. reis met [minderjarige] weer dient terug te geven aan de man. 3.6.
  56. Ter onderbouwing van haar verzoek voert de vrouw aan dat [minderjarige] een Indiase jongen is, het kind is van twee Indiase mensen en hij de Indiase identiteit heeft. De vrouw stelt dat [minderjarige] met zijn ouders de Hindoestaanse feestdagen viert, hij al meerdere keren bij de familieleden van beide partijen in India geweest, hij dat land kent als onderdeel van zijn afstamming en op die manier wordt opgevoed. De vrouw acht het in het belang van [minderjarige] dat zijn identiteit ongewijzigd blijft totdat hij daar zelf een bewuste keuze over kan maken. [minderjarige] groeit wel in Nederland op, maar dat betekent niet dat hij Nederlands is, aldus de vrouw. 3.6.
  57. De man heeft verweer gevoerd. De geeft aan dat het niet mogelijk is om voor [minderjarige] een nieuw Indiaas paspoort aan te vragen omdat hij volgens de Indiase regelgeving het Indiase staatsburgerschap is verloren. De reden hiervoor is dat de man alleen nog de Nederlandse nationaliteit heeft. Omdat het niet meer mogelijk is een nieuw Indiaas paspoort aan te vragen is volgens de man de enige resterende optie dat [minderjarige] het Nederlanderschap verkrijgt en dat er een Nederlands paspoort voor hem wordt aangevraagd, hetgeen volgens de man in het belang van [minderjarige] is. De man zou graag willen dat er voor [minderjarige] een Nederlands paspoort wordt aangevraagd, nu hij in Nederland is geboren, vloeiend Nederlands spreekt, hier geworteld is en zijn toekomst in Nederland ligt. 3.6.
  58. De rechtbank overweegt als volgt. De rechtbank stelt voorop dat beide partijen als uitgangspunt nemen dat deze verzoeken kunnen worden gekwalificeerd als “een andere voorziening” als bedoeld in artikel 827 sub g van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (hierna Rv), zodat de rechtbank aanleiding ziet te beslissen op deze verzoeken. Het Indiaase paspoort van [minderjarige] valt niet onder de Paspoortwet. De rechtbank zal het verzoek van de moeder ten aanzien van dit paspoort beoordelen in het licht van artikel 1:253a BW voornoemd (Vgl. Rechtbank Den Haag, 11 november 2022, ECLI:NL:RBDHA:2022:13335). Ook de door de vader gedane verzoeken beschouwt de rechtbank als een inmenging in de uitoefening van het ouderlijk gezag met betrekking tot [minderjarige] en merkt de rechtbank aan als een verzoek tot het treffen van een regeling van ouderlijk gezag bij geschillen tussen de ouders, zoals bedoe in artikel 1:253a BW. 3.6.
  59. Tussen partijen staat vast dat [minderjarige] enkel de Nederlandse of de Indiase nationaliteit kan hebben, zodat de rechtbank daarvan uit gaat. Tussen partijen staat voorts vast dat [minderjarige] voorheen de Indiase nationaliteit had. In geschil tussen partijen is of [minderjarige] nog steeds de Indiase nationaliteit heeft; volgens de man is dat niet het geval en volgens de vrouw wel. Ter onderbouwing van zijn standpunt heeft de man e-mailcorrespondentie overgelegd tussen hem en het Indiase Consulaat in Nederland waaruit zou blijken dat het niet mogelijk is om voor [minderjarige] een nieuwe paspoort aan te vragen omdat hij volgens Indiase regelgeving het Indiase staatsburgerschap is verloren. De reden daarvoor zou zijn dat de man alleen nog de Nederlandse nationaliteit heeft. De vrouw heeft de inhoud van de e-mailcorrespondentie betwist en voert aan dat zij case law heeft gevonden waaruit blijkt dat [minderjarige] zijn identiteit heeft behouden en niet teniet is gegaan door de keuze van de man om Nederlander te worden. Gelet op deze gemotiveerde betwisting door de vrouw, kan de rechtbank niet vaststellen dat [minderjarige] zijn Indiase nationaliteit is verloren zodat de rechtbank ervan uitgaat dat [minderjarige] nog altijd de Indiase nationaliteit heeft. Het is de rechtbank onvoldoende gebleken dat het in het belang van de [minderjarige] is dat zijn nationaliteit moet worden gewijzigd naar de Nederlandse nationaliteit en dat van de vrouw in dat kader kan worden verlangd dat zij hieraan haar medewerking verleend, zodat de verzoeken van de man worden afgewezen. 3.6.
  60. Aangezien aan de vrouw vervangende toestemming wordt verleend om met [minderjarige] naar India te reizen, is het in het belang van [minderjarige] dat hij over een geldig paspoort beschikt. Omdat het de ouders vooralsnog niet is gelukt om dit in onderling overleg te regelen, zal de rechtbank aan de vrouw vervangende toestemming verlenen voor het aanvragen van een Indiaas paspoort ten behoeve van [minderjarige] . Vervangende toestemming inschrijving zwemles 3.6.
  61. De vrouw heeft verzocht om aan haar vervangende toestemming te verlenen om [minderjarige] in te schrijven bij de zwemlessen bij zwemschool [naam zwemschool 1] op de woensdagen. De vrouw stelt dat de man niet wil meewerken aan de inschrijving van de minderjarige bij deze zwemschool. De vrouw kan instemmen met de aanwezigheid van de man bij de eerste twee lessen en uiteraard bij het diplomazwemmen, waarbij de vrouw opmerkt dat de man kan komen kijken maar er geen interactie noodzakelijk is. 3.6.
  62. De man heeft hiertegen verweer gevoerd. De man erkent dat zwemlessen voor [minderjarige] belangrijk zijn, maar het bezwaar van de man is erin gelegen dat de door de vrouw gekozen zwemschool alleen lessen beschikbaar heeft op woensdagmiddag. Omdat dit de zorgdag van de vrouw is, kan de man als gevolg daarvan niet betrokken zijn bij zwemles en wenst hij zijn medewerking hier niet aan te verlenen. De man is van mening dat de keuze voor de zwemschool inclusief de afstemming op welke dag [minderjarige] zwemles krijgt een keuze betreft die partijen samen moeten maken. De man heeft de voorkeur voor zwemschool [naam zwemschool 2] ; voor beide partijen goed bereikbaar en waar [minderjarige] op zaterdagochtend zwemles kan krijgen en als gevolg daarvan beide ouders 50% van de tijd met hem naar zwemles kunnen. 3.6.
  63. De rechtbank overweegt als volgt. Aangezien er alleen een verzoek van de vrouw voorligt (en geen verzoek van de man; hij heeft enkel een voorstel gedaan in zijn pleitnota), zal de rechtbank het verzoek van de vrouw toewijzen. De rechtbank is het met partijen eens dat het belangrijk is dat [minderjarige] naar zwemles gaat en gebleken is dat partijen er kennelijk in onderling overleg niet uit komen. Om te voorkomen dat [minderjarige] niet zal kunnen starten met zwemlessen, zal de rechtbank het verzoek van de vrouw toewijzen. Dit neemt niet weg dat de rechtbank de wens van de man begrijpt om af en toe bij de zwemles van [minderjarige] aanwezig te kunnen zijn. De rechtbank gaat ervan uit dat partijen afspraken zullen maken over de (incidentele) aanwezigheid van de man bij de zwemlessen, waarbij minimaal te gelden heeft het aanbod van de vrouw dat de man in ieder geval de eerste twee lessen en bij het diplomazwemmen aanwezig kan zijn. Vervangende toestemming wijziging tenaamstelling BSO contract en bankrekening 3.6.
  64. De vrouw heeft verzocht om vervangende toestemming te verlenen om het BSO contract op haar naam te laten zetten en te bepalen dat de rekeningen van de BSO van haar bankrekening worden afgeschreven. De reden hiervoor is dat zij als onderhoudsgerechtigde de kosten van de BSO dient te dragen uit de bijdrage van de man en de tegemoetkomingen van de overheid. 3.6.
  65. De man stelt dat partijen in augustus 2024 gezamenlijk het contract met de BSO zijn aangegaan en de man betaalt tot op heden 50% van de netto BSO kosten. De man kan zich erin vinden dat zodra duidelijk is welke partij gehouden is om de verblijfsoverstijgende kosten voor [minderjarige] te betalen, het rekeningnummer naar die partij wordt overgezet. De man verzet zich tegen het wijzigen van de tenaamstelling van het contract omdat dit juist maakt dat beide ouders in het ouderportaal kunnen en indien nodig, extra BSO dagen kunnen aanvragen. 3.6.
  66. De rechtbank overweegt als volgt. Tussen partijen is niet in geschil dat de bankrekening kan worden gewijzigd indien duidelijk is wie de verblijfsoverstijgende kosten gaat voldoen. Gelet op de hoofdverblijfplaats van [minderjarige] bij de vrouw en het dus de vrouw zal zijn die de verblijfsoverstijgende kosten zal betalen, wijst de rechtbank dit verzoek toe. 3.6.
  67. Ten aanzien van de wijziging van de tenaamstelling van het BSO contract kan de rechtbank niet beoordelen wat de gevolgen van de toewijzing van dit verzoek zijn en of een wijziging in het belang van de minderjarige is, zodat de rechtbank dit verzoek afwijst. 3.
  68. Kinderbijdrage 3.7.
  69. De man heeft verzocht een door de vrouw te betalen bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van [minderjarige] (hierna ook: kinderbijdrage) van € 227,- per maand (in het geval [minderjarige] bij hem ingeschreven staat) en een door hem te betalen kinderbijdrage van € 49,- per maand (in het geval [minderjarige] bij de vrouw ingeschreven staat). 3.7.
  70. De vrouw heeft verzocht een door de man te betalen bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van [minderjarige] (hierna ook: kinderbijdrage) van € 282,00 per maand met ingang van 7 november 2024 en vanaf het moment dat [minderjarige] naar school gaat met € 326,- per maand. Rechtsmacht en toepasselijk recht 3.7.
  71. Nu de Nederlandse rechter rechtsmacht heeft met betrekking tot het verzoek tot echtscheiding, heeft hij op grond van artikel 3 sub c van de Alimentatieverordening (nr. 4/2009 Raad van 18 december 2008) tevens rechtsmacht met betrekking tot het verzoek tot vaststelling van een bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van [minderjarige] . 3.7.
  72. De rechtbank zal op grond van artikel 3 van het Protocol van 23 november 2007 het recht van Nederland op het verzoek tot vaststelling van een bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van [minderjarige] toepassen, nu de onderhoudsgerechtigde gewone verblijfplaats in Nederland heeft. Inhoudelijke beoordeling 3.7.
  73. De rechtbank beslist dat de man een voorlopig bedrag van € 146,- per maand aan kinderalimentatie aan de vrouw moet betalen, vanaf de datum van deze beschikking (te weten 11 december 2025). 3.7.
  74. De rechtbank legt hierna uit waarom zij deze beslissing neemt. De berekeningen die de rechtbank heeft gemaakt, zijn als bijlagen aan deze beschikking toegevoegd. Bij de berekeningen rondt de rechtbank af op hele euro’s. De ingangsdatum 3.7.
  75. Voordat de rechtbank kan gaan rekenen, moet zij weten welke gegevens en belastingtarieven zij moet gebruiken bij die berekening. Daarom moet de rechtbank eerst beslissen vanaf welk moment de kinderalimentatie gaat gelden. 3.7.
  76. De wet geeft de rechtbank grote vrijheid bij het vaststellen van de ingangsdatum van de alimentatieverplichting of wijziging van de alimentatie. Drie data liggen als ingangsdatum het meest voor de hand: de datum waarop de omstandigheden zijn gewijzigd, de datum van het verzoekschrift en de datum waarop de rechtbank beslist. De rechtbank kan dus een bijdrage wijzigen over een periode in het verleden, maar moet daar terughoudend mee omgaan omdat dit grote gevolgen voor de ouders kan hebben. 3.7.
  77. De man verzoekt een bijdrage vast te stellen per de datum van de beschikking. De vrouw verzoekt een bijdrage vast te stellen met ingang van de datum van haar verzoek (7 november 2024), nu de man vanaf dat moment rekening heeft kunnen houden met een te betalen bijdrage. 3.7.
  78. De rechtbank hanteert als ingangsdatum de datum van deze beschikking. Gelet op de gewijzigde omstandigheden sinds het verzoek van de vrouw, acht de rechtbank het wegens proceseconomische redenen aangewezen om niet van een eerdere datum uit te gaan. De behoefte van [minderjarige] 3.7.
  79. Bij de berekening van de kinderalimentatie wordt eerst gekeken naar wat de kosten van een kind zijn. Dat wordt de ‘behoefte’ van het kind genoemd. De rechtbank stelt de behoefte van [minderjarige] vast op een bedrag van € 1.289,- per maand. Zij heeft dat als volgt berekend. 3.7.
  80. De hoogte van de behoefte hangt af van de hoogte van het netto besteedbaar gezinsinkomen (NBGI). Hoe meer ouders te besteden hebben, hoe meer zij kunnen uitgeven aan hun kind. Daarbij wordt gekeken naar wat partijen te besteden hadden toen zij nog bij elkaar waren en gebruik gemaakt van de tabellen die het Nederlands Instituut voor Budgetvoorlichting (Nibud) heeft ontwikkeld. 3.7.
  81. Tussen partijen staat vast dat voor de behoefte van [minderjarige] uit dient te worden gegaan van het maximale tabelbedrag in 2024, te weten € 880,- per maand, zodat de rechtbank daarvan uit zal gaan. Gecorrigeerd in verband met de inflatie (geïndexeerd) is dat in 2025 € 937,- per maand. 3.7.
  82. Tussen partijen is wel in geschil of de netto kinderopvangkosten de behoefte van [minderjarige] vermeerderen, zoals door de vrouw gesteld en door de man betwist. Daarbij stelt de vrouw dat de netto kosten van kinderopvang € 352,- per maand bedragen, terwijl de man stelt dat dit om een bedrag gaat van € 242,- per maand. Het verschil is erin gelegen dat de vrouw de teruggave heeft berekend op basis van de voorschotbeschikking 2025 en de man op basis van de berekening in het alimentatierekenprogramma op basis van het door hem gehanteerde inkomen van de vrouw. 3.7.
  83. Voor wat betreft de kosten van de kinderopvang geldt dat deze behoefteverhogend kunnen werken als deze zo hoog zijn dat ze niet gecompenseerd kunnen worden door lagere uitgaven op andere posten. In dit geval is de rechtbank van oordeel dat de netto kinderopvangkosten dusdanig hoog zijn in verhouding tot de hoogte van de behoefte dat deze kosten niet kunnen worden gecompenseerd door lagere uitgaven op andere posten. De rechtbank zal daarom rekening houden met de netto kosten van de kinderopvang. De rechtbank volgt het door de vrouw gestelde bedrag. De reden daarvoor is dat de vrouw inzage heeft gegeven in het door haar te ontvangen bedrag aan kinderopvangtoeslag. Dit betreft weliswaar een voorschotbeschikking, maar de definitieve beschikking laat nog op zich wachten en dit is wat de vrouw op dit moment ontvangt, zodat de rechtbank hier op dit moment vanuit zal gaan. Dat bij de voorschotbeschikking van onjuiste inkomensgegevens is uitgegaan is bovendien niet gebleken. Gelet op het voorgaande houdt de rechtbank rekening met een totale behoefte van [minderjarige] van (937 + 352 =) € 1.289,- per maand in
  84. De draagkracht van de ouders 3.7.
  85. Bij de berekening van de kinderalimentatie moet vervolgens worden vastgesteld wat ieder van de ouders kan betalen. Dat wordt de ‘draagkracht’ van de ouders genoemd. Volgens de wet moeten de ouders namelijk naar draagkracht in de behoefte van het kind voorzien. 3.7.
  86. Daarvoor maakt de rechtbank gebruik van de methode die de Expertgroep Alimentatie van de Rechtspraak heeft ontwikkeld. Het netto besteedbaar inkomen van een ouder is daarbij het uitgangspunt. Vervolgens bekijkt de rechtbank welk deel van dat inkomen kan worden gebruikt om bij te dragen in de kosten van het kind. 3.7.
  87. Daarvoor maakt de rechtbank bij een netto besteedbaar inkomen dat hoger is dan € 2.125,- per maand in 2025 gebruik van de zogenoemde ‘draagkrachtformule’. In die formule wordt uitgegaan van een woonbudget van 30% van het netto besteedbaar inkomen per maand. De ouders worden geacht vanuit het woonbudget alle redelijke lasten voor een woning passend bij hun inkomen te kunnen voldoen. Daarnaast wordt rekening gehouden met een vast bedrag aan lasten, dat ieder jaar wordt bijgesteld. In 2025 is dat een bedrag van € 1.310,- per maand. Deze twee posten vormen samen het ‘draagkrachtloos inkomen’. Na aftrek van die posten van het netto besteedbaar inkomen blijft dan de ‘draagkrachtruimte’ over. Daarvan is 70% beschikbaar voor kinderalimentatie. De berekening van de draagkracht ziet er dan als volgt uit: 70% [NBI – (0,3 x NBI + 1.310)]. De draagkracht van de man 3.7.
  88. De draagkracht van de man berekent de rechtbank op € 848,- per maand. De rechtbank legt hierna uit hoe zij aan dat bedrag is gekomen. 3.7.
  89. Partijen zijn het eens dat voor het inkomen uit dient te worden gegaan van de jaaropgaaf over 2024, zodat de rechtbank daarvan uit zal gaan. Op de jaaropgaaf 2024 staat een belastbaar loon van € 59.001,- vermeld. Het netto besteedbaar inkomen is dan € 3.602,- per maand. 3.7.
  90. Volgens de hiervoor vermelde draagkrachtformule geldend in 2025 heeft de man een draagkracht van € 848,- per maand. De draagkracht van de vrouw 3.7.
  91. De draagkracht van de vrouw berekent de rechtbank op € 1.460,- per maand. De rechtbank legt hierna uit hoe zij aan dat bedrag is gekomen. 3.7.
  92. Voor het inkomen gaat de rechtbank uit van de salarisspecificaties over augustus, september en oktober 2025, waarop een inkomen van € 6.773,15 bruto per maand is vermeld. Voorts houdt de rechtbank rekening met het Individueel keuzebudget van € 161,20 per maand. 3.7.
  93. Anders dan de man houdt de rechtbank geen rekening met de thuiswerkvergoeding van € 14,- per maand en de belaste reiskostenvergoeding van € 64,- per maand, nu de rechtbank ervan uitgaat dat hier kosten tegenover staan die de vrouw moet voldoen. 3.7.
  94. Verder wordt rekening gehouden met een kindgebonden budget en de inkomensafhankelijke combinatiekorting. Het netto besteedbaar inkomen is dan € 4.850,- per maand. 3.7.
  95. Volgens de hiervoor vermelde draagkrachtformule geldend in 2025 heeft de vrouw een draagkracht van € 1.460,- per maand. De verdeling van de kosten 3.7.
  96. Als de ouders samen genoeg draagkracht hebben voor alle kosten van hun kind, dan moet de rechtbank berekenen wie welk deel van de kosten voor zijn rekening moet nemen. Dat wordt de ‘draagkrachtvergelijking’ genoemd. 3.7.
  97. De ouders hebben samen een draagkracht van € 2.308,- per maand. Dit is genoeg om alle kosten van het kind te betalen, want die zijn € 1.289,- per maand. Dit betekent dat de man een deel van (848 / 2308 x 1289 =) € 474,- per maand moet dragen en de vrouw een deel van (1460 / 2308 x 1289 =) € 815,- per maand. De zorgkorting 3.7.
  98. De man maakt op de dagen dat het kind bij hem verblijft kosten voor eten en drinken, energielasten et cetera: de verblijfskosten. Daarmee voldoet de man – deels – de kosten van het kind (de ‘behoefte’). De rechtbank houdt daar rekening mee door de bijdrage van de man te verlagen met een percentage van de behoefte van het kind of een deel daarvan: de ‘zorgkorting’. 3.7.
  99. [minderjarige] verblijft (inclusief de vakantie- en feestdagenregeling) gemiddeld drie dagen per week bij de man. Daarbij past een zorgkorting van 35% van de (tabel)behoefte, dus € 328,- per maand. Dat betekent dat de man een bedrag van (474 -/- 328 =) € 146,- per maand, moet betalen. Alimentatie vooruitbetalen 3.7.
  100. De rechtbank beslist dat de man de kinderalimentatie vanaf nu steeds vóór de eerste dag van de maand moet betalen. Het gaat namelijk om een bijdrage in de kosten die in die maand gemaakt zullen worden en dan zou het te laat zijn als de alimentatie pas later in die maand wordt betaald. 3.
  101. Nader te bepalen mondelinge behandeling (partneralimentatie en afwikkeling huwelijksvermogen) 3.8.
  102. Zoals reeds voorafgaand van de mondelinge behandeling met partijen besproken zijn de verzoeken ten aanzien van de partneralimentatie en de afwikkeling van het huwelijksvermogen niet tijdens de mondelinge behandeling van 13 november 2025 behandeld. Gelet op nieuwe verzoeken en zeer omvangrijke stukken die rond de tiendagen termijn zijn ingediend zijn partijen in de gelegenheid gesteld om tot 4 weken na de mondelinge behandeling schriftelijk op elkaars stukken te reageren. Vervolgens zal de rechtbank deze verzoeken alsnog op een nader te bepalen mondelinge behandeling behandelen. Tijdens die mondelinge behandeling zal de zorgregeling uitdrukkelijk niet worden behandeld, nu deze verzoeken afhankelijk zijn van de uitkomst van voornoemd hulpverleningstraject dat partijen zullen gaan volgen. 3.8.
  103. De rechtbank geeft partijen nogmaals mee dat gelet op het financiële belang van alle voorliggende verzoeken en de hoge kosten van onderhavige procedure waarbij zeer uitgebreide verzoeken over en weer zijn gedaan het aanbeveling verdient om met elkaar in gesprek te gaan over het treffen van een onderlinge regeling. 4De beslissing De rechtbank: In de zaak met zaaknummer C/13/744725 FA RK 24-109 4.
  104. spreekt de echtscheiding uit tussen partijen, gehuwd te Modinagar, India op 28 november 2014; 4.
  105. bepaalt dat [minderjarige] zijn hoofdverblijfplaats bij de vrouw zal hebben; 4.
  106. bepaalt dat de voorlopige regeling inzake de verdeling van de zorg- en opvoedingstaken tussen de ouders aldus dat met ingang van heden: de man [minderjarige] eenmaal per 14 dagen van vrijdagochtend 9.00 uur tot maandagochtend 9.00 uur alsmede iedere dinsdag van 9.00 uur tot woensdagochtend 9.00 uur bij zich heeft; de feestdagen en vakanties als volgt bij helfte gedeeld worden: a. zomervakantie: ieder drie weken in een 3-3 ritme, oneven jaren de man eerste keus, even jaren de vrouw eerste keus; b. herfstvakantie: oneven jaren bij de man, even jaren bij de vrouw; c. kerstvakantie: de eerste week van de kerstvakantie (gelegen vóór de daadwerkelijke kerstdagen) conform de reguliere zorgregeling te verdelen en voor het overige iedere ouder één week in overleg te bepalen rekening houdend met 1e en 2 kerstdag de even jaren bij de vrouw en de oneven jaren bij de man en Oudejaarsdag/Nieuwjaarsdag de oneven jaren bij de vrouw en even jaren bij de man; d. voorjaarsvakantie: even jaren bij de man, oneven jaren bij de vrouw; e. meivakantie: iedere ouder één week, oneven jaren de man eerste keus, even jaren de vrouw eerste keus; f. Pasen: even jaren bij de vrouw, oneven jaren bij de man; g. voor Koningsdag, Sinterklaas, Sint-Maarten, Pinksteren en Hemelvaart geldt de reguliere zorgregeling h. te bepalen dat in geval van een studiedag (van school dan wel bso) de reguliere zorgregeling geldt; 4.
  107. bepaalt dat de vrouw is gehouden de man eenmaal per week op dinsdag schriftelijk op de hoogte te stellen omtrent gewichtige aangelegenheden met betrekking tot de persoon en het vermogen van [minderjarige] ; 4.
  108. verleent toestemming aan de vrouw – welke toestemming die van de man vervangt – om [minderjarige] in te schrijven voor zwemlessen bij zwemschool [naam zwemschool 1] (op de woensdagen); 4.
  109. stelt vast dat partijen zijn overeengekomen dat de rekeningen van de BSO van de bankrekening van de vrouw worden afgeschreven; 4.
  110. verleent toestemming aan de vrouw – welke toestemming die van de man vervangt – voor de aanvraag van een Indiaas paspoort ten behoeve van de minderjarige [minderjarige] , geboren op [geboortedag] 2021 te [geboorteplaats] ; 4.
  111. verleent toestemming aan de vrouw – welke toestemming die van de man vervangt – voor een reis naar India met [minderjarige] uiterlijk vier weken vóór 2 maart 2026 (te weten uiterlijk 2 februari 2026), gedurende twee aaneengesloten weken, waarbij de vrouw veroordeeld wordt om [minderjarige] aan de man over te dragen aan het einde van haar 14 dagen vakantie, op een nader tussen partijen af te stemmen locatie, waarbij de vrouw het geldige reisdocument van [minderjarige] aan de man dient over te dragen; 4.
  112. verleent toestemming aan de man – welke toestemming die van de vrouw vervangt – om met [minderjarige] naar India af te reizen c.q. 14 dagen met hem in India te besteden in de periode direct volgend op de 14 dagen vakantie van de vrouw in India, waarna de man samen met [minderjarige] naar Nederland zal terugreizen; 4.
  113. bepaalt dat: de vrouw verplicht is om minimaal 48 uur voorafgaand aan haar reis met [minderjarige] de vluchtgegevens en verblijfslocaties met de man te delen; de vrouw verplicht is om gedurende de tijd dat zij met [minderjarige] in India verblijft, de man in staat te stellen om één keer per week, buiten aanwezigheid van de vrouw een Facetime moment met [minderjarige] te hebben; de reguliere zorgregeling weer wordt hervat na de 2 x 14 dagen vakantie van beide partijen; 4.
  114. beslist dat de man vanaf heden (11 december 2025) een bedrag van € 146,- per maand moet betalen aan de vrouw, als bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van [minderjarige] ; 4.
  115. beslist dat de man vanaf vandaag deze alimentatie steeds vóór de eerste van de maand moet betalen; 4.
  116. verklaart deze beschikking tot zover uitvoerbaar bij voorraad, behalve de beslissing over de echtscheiding; 4.
  117. verklaart de man niet-ontvankelijk in zijn verzoek te bepalen dat [minderjarige] wordt ingeschreven op het adres van de man; 4.14.
  118. wijst af het verzoek van de vrouw de tenaamstelling van het BSO contract te wijzigen; 4.
  119. wijst af het verzoek van de man met betrekking tot het aanvragen van de Nederlandse nationaliteit en een Nederlands paspoort; 4.
  120. wijst af het verzoek van de vrouw haar een doorlopende vakantietoestemming voor reizen naar het buitenland te verlenen; 4.
  121. houdt de beslissing omtrent de zorgregeling en de proceskosten – in afwachting van het hulpverleningstraject – aan tot de pro forma datum van 28 september 2026; 4.
  122. verzoekt de hulpverlenende instantie uiterlijk op 14 september 2026, of zoveel eerder als mogelijk, de eindrapportage over het verloop van het traject aan de rechtbank over te leggen; 4.
  123. stelt partijen in de gelegenheid om uiterlijk twee weken later, te weten 28 september 2026, te reageren op deze eindrapportage, alsmede de rechtbank te berichten over de door hen gewenste voortgang van de procedure; 4.
  124. bepaalt dat de behandeling met betrekking tot de partneralimentatie zal worden voortgezet op een nader te bepalen datum en tijdstip; in de zaak met zaaknummer C/13/774052 / FA RK 25-6123: 4.
  125. bepaalt dat de behandeling met betrekking tot de afwikkeling van het huwelijksvermogen zal worden voortgezet op een ander te bepalen datum en tijdstip; Deze beschikking is gegeven door mr. C.M. Mellema, rechter, tevens kinderrechter, en in het openbaar uitgesproken in tegenwoordigheid van de griffier mr. C.K. Soeters op 11 december
  126. Tegen deze beschikking kan - voor zover er definitief is beslist - door tussenkomst van een advocaat hoger beroep worden ingesteld bij het gerechtshof te Amsterdam. De verzoekende partij en verschenen belanghebbenden dienen het hoger beroep binnen de termijn van drie maanden na de dag van de uitspraak in te stellen. Andere belanghebbenden dienen het beroep in te stellen binnen drie maanden na de betekening van deze beschikking of nadat deze hun op andere wijze bekend is geworden en overeenkomstig artikel 820 lid 2 Rv openlijk bekend is gemaakt. Artikel 1:402 van het Burgerlijk Wetboek.

🔗 Naar officiële bron

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.