RECHTBANK AMSTERDAM Bestuursrecht zaaknummer: AMS 24/988 uitspraak van de enkelvoudige kamer van 18 februari 2025 in de zaak tussen [eiser] , uit Casablanca (Marokko), eiser (gemachtigde: mr. A.W.M. Mans), en de Raad van bestuur van de sociale verzekeringsbank (Svb), verweerder (gemachtigde: [gemachtigde] ). Inleiding
- In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiser inzake zijn recht op kinderbijslag vanaf het eerste kwartaal van 2022 tot en met het eerste kwartaal van
- 1.
- Verweerder heeft de aanvraag van eiser om kinderbijslag met een besluit van 16 oktober 2023 afgewezen omdat eiser geen duurzame band van persoonlijke aard heeft met Nederland. Met het bestreden besluit van 10 januari 2024 op het bezwaar van eiser is verweerder bij dit besluit gebleven. 1.
- Verweerder heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift. 1.
- De rechtbank heeft het beroep op 16 januari 2025 op zitting behandeld. Eiser heeft hier samen met zijn gemachtigde aan deelgenomen. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door bovenstaande gemachtigde. Wat aan deze procedure voorafging
- Eiser is vader van drie kinderen. Onderhavige zaak betreft enkel zijn zoon [zoon] . Eiser wil kinderbijslag voor [zoon] ontvangen over de periode vanaf het eerste kwartaal van 2022 tot en met het eerste kwartaal
- 2.
- [zoon] heeft op 11 januari 2023 de 18-jarige leeftijd bereikt, waarmee het recht op kinderbijslag is opgehouden. Standpunt eiser
- [zoon] woont sinds 21 juli 2022 onafgebroken in Nederland. Er is voor hem een aanvraag bij het CIZ gedaan omdat hij hulpbehoevend is. Eiser is volledig financieel verantwoordelijk voor [zoon] en heeft de kinderbijslag hard nodig om in zijn levensonderhoud te kunnen voorzien. Eiser stelt dat hij wel een duurzame band van persoonlijke aard heeft met Nederland. Daarnaast heeft hij wel degelijk de wil om in Nederland te wonen. Beoordeling door de rechtbank
- De rechtbank moet in deze zaak beoordelen of verweerder zich op het standpunt mocht stellen dat eiser geen duurzame band van persoonlijke aard heeft met Nederland. Zij doet dat aan de hand van de beroepsgronden van eiser.
- De rechtbank is van oordeel dat het beroep ongegrond is. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft. Het juridisch kader
- Om recht te hebben op kinderbijslag, moet iemand verzekerd zijn voor de AKW. Iemand is verzekerd als hij ingezetene is of in Nederland in loondienst werkt of een uitkering ontvangt die met werken wordt gelijkgesteld. Ingezetene is degene die in Nederland woont. Waar iemand woont, wordt naar de omstandigheden beoordeeld. De peildatum is de eerste dag van een kalenderkwartaal. 6.
- Volgens vaste rechtspraak komt het er bij de beoordeling van de omstandigheden van ingezetenschap op aan of deze van dien aard zijn, dat een duurzame band van persoonlijke aard bestaat tussen de betrokkene (eiser) en Nederland. 6.
- De Centrale Raad van Beroep (Raad) heeft eerder geoordeeld dat voor het aannemen van ingezetenschap onvoldoende is dat de betrokkene de intentie heeft om zich definitief in Nederland te vestigen. Verder heeft de Raad vaker geoordeeld dat het beschikken over duurzaam ter beschikking staande woonruimte één van de omstandigheden is die van belang zijn bij de weging of sprake is van een duurzame band van persoonlijke aard tussen de betrokkene en Nederland. Ook de duur en het verblijf in Nederland is een omstandigheid die van belang is bij die beoordeling. Duurzame band van persoonlijke aard?
- Verweerder stelt, onder verwijzing naar beleidsregel SB1027, dat het ingezetenschap van een betrokkene na het eerste jaar na vertrek uit Nederland als geëindigd wordt beschouwd, tenzij betrokkene zelf aantoont dat de feitelijke omstandigheden het (voorlopig) handhaven van het ingezetenschap rechtvaardigen. De vraag die de rechtbank in deze procedure moet beantwoorden is of eiser op de peildatum 1 januari 2022 een duurzame band van persoonlijke aard met Nederland had. De rechtbank is van oordeel dat dit niet het geval is, zij zal dit hieronder nader toelichten.
- Het is eiser niet gelukt om aannemelijk te maken dat hij zijn permanente verblijf in Nederland had. Niet in geschil is dat eiser sinds 10 september 2018 niet meer in Nederland ingeschreven staat in de Basisregistratie personen. Eiser had op de peildatum geen vast woon- of postadres in Nederland en hij heeft geen huurcontract overgelegd. De rechtbank begrijpt dat het in de huidige tijd lastig is om een huurwoning te vinden, tegelijkertijd is dit wel één de omstandigheden die zij moet meewegen. Daar staat tegenover dat eiser op de peildatum wel een huis in Marokko had, waar hij ook ingeschreven stond. In het verlengde hiervan heeft verweerder ook, anders dan eiser stelt, van belang mogen achten dat eiser aan het UWV heeft doorgegeven dat hij vanaf 11 september 2018 in het buitenland is gaan wonen. Het UWV heeft eiser vanaf 1 november 2018 als woonachtig in het buitenland opgenomen. Als gevolg hiervan betaalt eiser geen premies volksverzekeringen. Deze omstandigheden waren in de vorige procedure, die betrekking had op het recht op kinderbijslag vanaf het vierde kwartaal van 2021, niet bekend. 8.
- Verweerder heeft verder meermaals aan eiser heeft gevraagd om de in- en uitreisgegevens van zowel eiser als zijn zoon [zoon] . Verweerder heeft specifiek gevraagd om de volledige paspoorten van beiden en/of een ‘acte de passage’ vanaf 1 januari
- Uit deze acte zouden alle in- en uitreisbewegingen van Nederland naar Marokko en omgekeerd blijken, wat voor duidelijkheid zou kunnen zorgen over de verblijfplaats van eiser en zijn band met Nederland. Eiser heeft deze acte niet overgelegd. De rechtbank ziet in het dossier enkel twee kopieën van pagina’s uit paspoorten. Dit betreft in het geval van paspoort 1 pagina 24 en 25 en paspoort 2 de pagina’s 22 en
- Omdat niet vaststaat van wie deze paspoorten zijn en de rest van de pagina’s van de paspoorten ontbreken, kan zij niet vaststellen of en wanneer eiser en zijn zoon van Nederland naar Marokko zijn gereisd en andersom. Dat eiser geen ‘acte de passage’ heeft willen overleggen, omdat verweerder volgens hem alle informatie al heeft, komt voor zijn rekening en risico. Dat eiser op zitting heeft verklaard deze acte alsnog op te willen vragen en toe sturen, is naar het oordeel van de rechtbank te laat. 8.
- Ditzelfde gaat op voor het toesturen van pintransacties of andere documenten zoals de schoolinschrijving van [zoon] voor het jaar 2023 waaruit blijkt dat eiser op de peildatum in Nederland verbleef. Verweerder heeft hier om gevraagd om meer duidelijkheid te krijgen, nu eiser geen volledige paspoorten dan wel een ‘acte de passage’ wilde overleggen. Eiser heeft geweigerd deze stukken toe te sturen, omdat dit volgens hem een inbreuk is op zijn privacy en niet noodzakelijk zou zijn. Hoewel de rechtbank begrijpt dat het opvragen van al deze informatie voor hem bewerkelijk kan zijn, kan de rechtbank tegelijkertijd ook niet anders dan te concluderen dat er op dit moment te veel onduidelijkheden en contra-indicaties zijn, om vast te kunnen stellen dat eiser op de peildatum een duurzame band van persoonlijke aard met Nederland had. 8.
- De rechtbank begrijpt dat de hele situatie heel frustrerend is voor eiser, maar aangezien het eiser is die een aanvraag tot kinderbijslag doet, betekent dit ook dat eiser deze aanvraag moet onderbouwen. Dat heeft hij naar het oordeel van de rechtbank onvoldoende gedaan. Conclusie en gevolgen
- De beroepsgronden slagen niet. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat eiser geen gelijk krijgt. Eiser krijgt daarom het griffierecht niet terug. Hij krijgt ook geen vergoeding van zijn proceskosten. Beslissing De rechtbank verklaart het beroep ongegrond. Deze uitspraak is gedaan door mr. K.S. Man, rechter, in aanwezigheid van mr. F. van der Maas, griffier. De uitspraak is uitgesproken in het openbaar op 18 februari
- griffier rechter Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op: Informatie over hoger beroep Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Centrale Raad van Beroep waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Digitaal hoger beroep instellen kan via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan de Centrale Raad van Beroep, Postbus 16002, 3500 DA Utrecht. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Centrale Raad van Beroep vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen. Artikel 7 Algemene Kinderbijslagwet (AKW). Centrum Indicatiestelling Zorg (CIZ). Dit staat in artikel 7, eerste lid, van de AKW. Artikel 6, eerste lid, aanhef en onder a, van de AKW en artikel 67 Verordening EG nr. 883/
- Dit staat in artikel 2 van de AKW. Dit staat in artikel 3, eerste lid, van de AKW. Dit volgt uit artikel 11, eerste lid, van de AKW. Verwezen wordt naar de arresten van de Hoge Raad van 21 januari 2011, ECLI:NL:HR:2011:BP1466, 4 maart 2011, ECLI:NL:HR:2011:BP6285 en de uitspraak van de Raad van 17 augustus 2012, ECLI:NL:CRVB:2012:BX
- In onder meer de uitspraak van de Raad van 3 maart 2017, ECLI:NL:CRVB:2017:
- In onder meer de uitspraak van de Raad van 20 juni 2019, ECLI:NL:CRVB:2019:
- Zie ook de uitspraken van de Raad van 28 juni 2024, ECLI:NL:CRVB:2024:1325 en van 4 juli 2024, ECLI:NL:CRVB:2024:
- Uitvoeringsinstituut Werknemersverzekeringen. AMS 22/4474.