RECHTBANK Amsterdam Civiel recht Zaaknummer / rekestnummer: C/13/769236 / HA RK 25-162 en Zaaknummer / rekestnummer: C/13/771379 / HA RK 25-206 en Zaaknummer / rekestnummer: C/13/772025 / HA RK 25-216 Beschikking van 18 december 2025 in de zaken van [verzoeker] , wonende te [woonplaats] , verzoekende partij, hierna te noemen: [verzoeker] , in persoon procederend, tegen (zaak HA RK 25-162) ABN AMRO BANK N.V., gevestigd te Amsterdam, verwerende partij, hierna te noemen: ABN Amro, advocaat: mr. C.M. Jakimowicz, en tegen (zaak HA RK 25-206) INTRUM NEDERLAND B.V. gevestigd te Amsterdam, verwerende partij, hierna te noemen: Intrum, advocaat: mr. W.A.M. Steenbruggen, en tegen (zaak HA RK 25-216) [verweerder] B.V. h.o.d.n. [verweerder (HA RK 25-216)] GERECHTSDEURWAARDERS & JURISTEN gevestigd te [vestigingsplaats] , verwerende partij, hierna te noemen: [verweerder (HA RK 25-216)] , advocaat: mr. R. Dijkema. 1De procedure 1.
- Het verloop van de procedure blijkt uit: 1.1.
- In de zaak met rolnummer HA RK 25-162 het verzoekschrift ex artikel 35 UAVG (inzagerecht – artikel 15 AVG) van 14 mei 2025, met producties, het verweerschrift, met producties, de beschikking van 3 juli 2025 waarin een mondelinge behandeling is gelast, de e-mail van 6 augustus 2025 van de rechtbank waarin partijen zijn geïnformeerd dat deze zaak verder gelijktijdig met de andere twee zaken zal worden behandeld, e-mail van 26 oktober 2025 van [verzoeker] met een schriftelijke reactie op aanvullende informatie van ABN Amro, 1.1.
- In de zaak met rolnummer HA RK 25-206 het verzoekschrift ex artikel 35 UAVG (inzagerecht – artikel 15 AVG) van 10 juni 2025, met producties, het verweerschrift, met producties, de e-mail van 6 augustus 2025 van de rechtbank waarin partijen zijn geïnformeerd dat deze zaak verder gelijktijdig met de andere twee zaken zal worden behandeld, de beschikking van 21 augustus 2025 waarin een mondelinge behandeling is gelast, e-mail van 21 oktober 2025 van [verzoeker] met een schriftelijke reactie op aanvullende informatie van Intrum, 1.1.
- In de zaak met rolnummer HA RK 25-216 het verzoekschrift ex artikel 35 UAVG (inzagerecht – artikel 15 AVG) van 2 juli 2025, met producties, het verweerschrift, met producties, de e-mail van 6 augustus 2025 van de rechtbank waarin partijen zijn geïnformeerd dat deze zaak verder gelijktijdig met de andere twee zaken zal worden behandeld, de beschikking van 21 augustus 2025 waarin een mondelinge behandeling is gelast. 1.1.
- De mondelinge behandeling in de drie verzoekprocedures is gehouden op 5 november 2025, waarvan door de griffier aantekeningen zijn gemaakt. 1.
- De beschikking in de drie zaken is bepaald op vandaag. 2De feiten 2.
- [verzoeker] is bestuurder en grootaandeelhouder geweest van [bedrijf] B.V. (verder: [bedrijf] ). ABN Amro heeft in 2007 een krediet verleend aan [bedrijf] . [verzoeker] heeft zich voor de terugbetaling van dit krediet als hoofdelijk schuldenaar (zakelijke borg) verbonden. 2.
- ABN Amro heeft op 28 januari 2014 een volmacht versterkt aan Intrum, althans haar rechtsvoorgangster Lindorff Credit Management B.V., om namens haar in en buiten rechte tot incasso en afwikkeling van alle door ABN Amro aangeboden vorderingen over te gaan. Daarbij is ook overeengekomen dat Intrum (toen nog Lindorff) ABN Amro in rechte zal vertegenwoordigen en “(…) alle processuele handelingen of executiemaatregelen ten uitvoer te leggen, te vorderen of te doen opheffen (…)”. 2.
- [bedrijf] is in juli 2014 failliet verklaard en had op dat moment een schuld aan ABN Amro. 2.
- ABN Amro is die schuld van [bedrijf] ook gaan verhalen op [verzoeker] . Bij het incasseren van de vordering van ABN Amro op [bedrijf] en [verzoeker] is Intrum ingeschakeld. 2.
- Intrum heeft ter zake de vordering van ABN Amro op [verzoeker] tot eind oktober 2018 brieven aan [verzoeker] verstuurd naar een oud woonadres, waar hij ten tijde van de verzending van die brieven niet meer woonachtig was. Vanaf eind oktober 2018 heeft Intrum de correspondentie met [verzoeker] verstuurd naar zijn (huidige) woonadres. 2.
- In juni 2020 heeft ABN Amro besloten haar vordering op [verzoeker] in rechte af te dwingen. Intrum heeft namens ABN Amro daartoe opdracht gegeven aan mr. Dijkema (in deze procedure advocaat van [verweerder (HA RK 25-216)] ). 2.
- Mr. Dijkema heeft [verweerder (HA RK 25-216)] ingeschakeld voor het betekenen van exploten aan [verzoeker] , zoals de dagvaarding van 16 juni 2020 waarbij [verzoeker] door ABN Amro is gedagvaard te verschijnen voor de rechtbank Noord-Holland, locatie Haarlem. 2.
- Bij vonnis van 26 mei 2021 heeft de rechtbank Noord-Holland, locatie Haarlem, [verzoeker] veroordeeld tot betaling aan ABN Amro van € 74.621,05, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 27 oktober 2014 tot de dag van voldoening. 2.
- Mr. Dijkema heeft [verweerder (HA RK 25-216)] ingeschakeld voor de tenuitvoerlegging van het vonnis. Nadat [verzoeker] hoger beroep heeft ingesteld, is die tenuitvoerlegging gestaakt. 2.
- Het gerechtshof Amsterdam heeft bij arrest van 23 juli 2024 het hierboven vermeld vonnis bekrachtigd. 2.
- Daarop heeft mr. Dijkema de verdere tenuitvoerlegging van het vonnis van 26 mei 2021 opgedragen aan [verweerder (HA RK 25-216)] . 2.
- In november 2024 heeft [verzoeker] volledig voldaan aan het vonnis van 26 mei
- 2.
- Na het arrest van 23 juli 2024 van het gerechtshof Amsterdam heeft [verzoeker] nadere vragen gesteld aan ABN Amro, zoals blijkt uit zijn e-mail van 10 september 2024 gericht aan de toenmalige CEO van ABN Amro: “(…) Vanuit het faillissement van [bedrijf] B.V. in augustus 2014 ben ik (…), destijds DGA(…) en borg, aansprakelijk gehouden voor de vordering die ABN AMRO in 2014 op die BV had. Omdat (…) destijds alle brieven naar een verkeerd adres waren gestuurd en mij dus niet hadden bereikt, is dit in 2020 uitgelopen op een rechtszaak. Gedurende de procedure is de indruk ontstaan dat ABN AMRO al niet meer de eigenaar was van de vordering die is ingediend, dus die vordering heeft verkocht, terwijl wel uit naam van ABN AMRO is geprocedeerd. Er waren ook alleen maar werknemers van een incassobureau bij de zittingen aanwezig, nooit iemand van ABN AMRO. Die indruk wordt door de meest recente ontwikkelingen versterkt. Inmiddels heb ik op bovenstaande van uw bank een reactie ontvangen, namelijk dat: - bij uw afdelingen Legal én Bijzonder Beheer de gehele zaak niet bekend is. - er geen bevestiging is dat de advocaat in deze optreedt namens ABN AMRO. Op de vraag of er iets over deze zaak in het dossier staat of dat er überhaupt nog een dossier is, is door uw collega’s bevestigd dat ABN AMRO Legal én Bijzonder Beheer helemaal geen informatie hebben kunnen vinden. Er kan alleen maar helemaal niets zijn wanneer het dossier vernietigd is en dat is in deze een logische verklaring. Immers, de wettelijke bewaartermijn van een gesloten dossier is zoals u weet voor banken 7 jaar. (…) Die procedure is gestart in 2020 en dat is korter dan 7 jaar. Het kan daarom niet anders zijn dan dat ABN AMRO al enige tijd niet meer de rechthebbende is - op basis van de 7 jaars termijn in ieder geval niet meer sinds 2017 - maar de vordering heeft verkocht, anders had er hoe dan ook nu nog een dossier moeten zijn en dan had óf uw afdeling Legal, óf uw afdeling Bijzonder Beheer wat moeten vinden. Mijn overtuiging, ook gezien de informatie die ik op internet hierover lees, is dat ABN AMRO - naar alle waarschijnlijkheid in oktober 2014 - de vordering heeft verkocht aan Lindorff. (…) Als het mogelijk is zou ik graag een bewijs ontvangen van de verkoop, zoals bijvoorbeeld een akte of een afschrift met batchnummer als het met meerdere vorderingen tegelijk is verkocht. Als er een andere conclusie is, verneem ik dat uiteraard ook graag onderbouwd met documentatie. (…)” 2.
- ABN Amro heeft naar aanleiding van deze e-mail van [verzoeker] intern een nader onderzoek laten verrichten. [verzoeker] is bij e-mails van (onder meer) 17 september 2024 en 16 oktober 2024 nader geïnformeerd. Vervolgens hebben [verzoeker] en ABN Amro verder contact gehad waarbij ABN Amro bij e-mails van 21 oktober 2024, 23 oktober 2024 en 24 oktober 2025 nadere stukken heeft gezonden aan [verzoeker] , waaronder overeenkomsten tussen ABN Amro en Lindorff (en later Intrum), de brieven die aan het verkeerde adres zijn gestuurd, en informatie over de doelen van de verwerking, de ontvangers van de gegevens en de herkomst van de persoonsgegevens van [verzoeker] . 2.
- Bij e-mail van 30 oktober 2024 heeft [verzoeker] zijn dossier opgevraagd bij Intrum. Bij e-mails van 12 mei 2025 en 15 oktober 2025 heeft Intrum (op verzoek van en namens ABN Amro als verwerkingsverantwoordelijke) nadere stukken gezonden aan [verzoeker] , waaronder het logboek van Intrum ter zake het dossier [verzoeker] . 2.
- [verzoeker] heeft bij e-mail van 10 juni 2025 [verweerder (HA RK 25-216)] gevraagd om inzage in de over hem verwerkte persoonsgegevens. (De advocaat van) [verweerder (HA RK 25-216)] heeft bij e-mails van 3 juli 2025 de vragen van [verzoeker] beantwoord met onderbouwing door nadere stukken met een overzicht van de tijdlijn van de uitgebrachte exploten (met kopieën) en een overzicht van alle communicatie met opdrachtgever (waaronder de opdrachtbrieven) voor haar werkzaamheden. 3Het verzoek en het verweer 3.
- [verzoeker] verzoekt in de drie procedures: I. te bepalen dat verwerkingsverantwoordelijke hem inzage dient te verlenen in de over hem verwerkte persoonsgegevens zoals nader omschreven in het verzoekschrift, II. verwerkingsverantwoordelijke te bevelen om binnen vier weken na betekening van deze beschikking alsnog volledige inzage te verschaffen, III. een en ander op straffe van een dwangsom van € 10.000 per week of gedeelte van een week dat hieraan niet is voldaan, met een maximum van € 400.000, dan wel een in goede justitie te bepalen bedrag, IV. te bepalen dat verwerkingsverantwoordelijke de proceskosten draagt, V. althans een beslissing te nemen die de rechtbank in goede justitie geraden geacht. 3.
- Aan het verzoek heeft [verzoeker] het volgende ten grondslag gelegd. ABN Amro, Intrum en [verweerder (HA RK 25-216)] hebben geen volledige inzage gegeven in de wijze waarop zij de persoonsgegevens van [verzoeker] hebben verwerkt. Er zijn brieven gestuurd naar een adres waar [verzoeker] niet langer woonde. ABN Amro en Intrum geven geen duidelijkheid hoe zij aan dat onjuiste adres zijn gekomen. Volgens [verzoeker] was Intrum niet gevolmachtigd om namens ABN Amro de vordering te incasseren. Hij stelt dat ABN Amro de vordering op hem in 2014 heeft verkocht aan Intrum en dat de gerechtelijke procedure bij de rechtbank Noord-Holland, locatie Haarlem, door de verkeerde partij is ingesteld. Het vonnis van 26 mei 2021 is dus volgens hem gewezen ten gunste van een verkeerde partij. [verweerder (HA RK 25-216)] had dit moeten onderzoeken en dient het resultaat van dat onderzoek te delen met [verzoeker] . Verder dient duidelijk te worden gemaakt waar de geldsommen die [verzoeker] naar aanleiding van het vonnis heeft betaald terecht zijn gekomen. Dat ABN Amro haar vordering op [verzoeker] in 2014 heeft verkocht aan Intrum, blijkt volgens [verzoeker] uit de e-mail van 17 september 2024 van een medewerker van ABN Amro die dit heeft onderzocht in opdracht van de toenmalige CEO van ABN Amro. De waarheid over deze fouten van ABN Amro, Intrum en [verweerder (HA RK 25-216)] moet boven tafel komen. Dit kan slechts door volledige inzage te geven in de wijze waarop zijn persoonsgegevens zijn verwerkt, aldus steeds [verzoeker] . 3.
- ABN Amro, Intrum en [verweerder (HA RK 25-216)] voeren ieder verweer. 3.
- Op de standpunten van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.
- De beoordeling in de drie zaken 4.
- Deze procedures gaan over het recht van inzage in verwerkte persoonsgegevens (artikel 15 AVG). [verzoeker] heeft als betrokkene het recht om in te zien op welke wijze zijn persoonsgegevens zijn verwerkt. Het doel van dit inzagerecht is de betrokkene in staat te stellen zich ervan te vergewissen dat de hem betreffende persoonsgegevens juist zijn en rechtmatig worden verwerkt. Dit inzagerecht is noodzakelijk zodat de betrokkene een aantal rechten kan uitoefenen, zoals zijn recht op rectificatie van gegevens, op gegevenswissing en op beperking van de verwerking (zie de artikelen 16, 17 en 18 AVG). 4.
- Dit inzagerecht is niet onbeperkt. Het verzoek tot inzage moet worden gericht aan de verwerkingsverantwoordelijke (aanhef artikel 15 AVG). Ook behoeft geen inzage te worden gegeven in persoonsgegevens indien betrokkene reeds beschikt over stukken waarin die gegevens zijn verwerkt. Verder dienen bij het verlenen van inzage de rechten en vrijheden van anderen (waaronder de verwerkingsverantwoordelijke zelf) te worden gerespecteerd (artikel 15 lid 4 AVG). Daaronder valt de geheimhoudingsplicht van een advocaat (als vastgelegd in de artikelen 10a en 11a Advocatenwet) in relatie tot zijn communicatie met zijn cliënt, ook al gaat dat over de betrokkene. 4.
- Uit artikel 23 AVG jo artikel 41 lid 1 aanhef en onderdeel i UAVG volgt dat het inzagerecht kan worden beperkt indien dit in een individueel geval noodzakelijk en evenredig is ter waarborging van de bescherming van de rechten en vrijheden van anderen. Daartoe kunnen behoren de privacyrechten van medewerkers van de verwerkingsverantwoordelijke en het recht op vertrouwelijkheid en vrije gedachtevorming ter bepaling van een standpunt in een geschil. 4.
- Daarnaast gaat deze procedure niet over de juistheid van de informatie die reeds aan [verzoeker] is verstrekt naar aanleiding van zijn verzoek tot inzage. Een onjuistheid in een reeds (al dan niet verplicht) verstrekt stuk kan wel aanleiding geven aan te nemen dat de verwerkingsverantwoordelijke meer, dan wel op een andere wijze, persoonsgegevens verwerkt dan die blijkt uit de informatie waarin inzage is verschaft. Het is dan aan de verzoeker dit nader toe te lichten. in de zaak C/13/769236 / HA RK 25-162 (ABN Amro) voorts 4.
- [verzoeker] heeft aan ABN Amro verzocht om een volledig overzicht in het kader van de AVG van de over hem verwerkte persoonsgegevens door ABN Amro, specifiek: Een kopie van alle interne communicatie; Een kopie van alle communicatie tussen ABN Amro en Intrum (dan wel Lindorff); Een kopie van alle brieven die zijn verzonden aan zijn voormalige woonadres, en de bron waaruit ABN Amro dat foutieve adres heeft; Een kopie van alle communicatie van ABN Amro met andere derden (waaronder mr. Dijkema en [verweerder (HA RK 25-216)] ) in verband met de tenuitvoerlegging van het vonnis van 26 mei 202; Een kopie van de juridische grondslagen waarop ABN Amro telkens met Intrum en derden de persoonsgegevens van [verzoeker] heeft gedeeld; Afschrift van alle onderliggende documenten; De opdracht tot incasso van de vordering (in of rond augustus 2014); De verkoop van de vordering (in of rond oktober 2014); De volmacht die is verstrekt door ABN Amro aan Intrum ter zake het dossier [verzoeker] . 4.
- Het inzagerecht uit artikel 15 AVG is niet onbeperkt zoals hiervoor al opgemerkt. Het verzoek moet betrekking hebben op verwerkte persoonsgegevens van verzoeker. Een deel van de verzoeken van [verzoeker] ziet daar ook op, zoals bijvoorbeeld de aan hem gerichte brieven met zijn gegevens die zijn verstuurd aan zijn voormalige woonadres. Een deel van zijn verzoeken ziet echter op het vinden van ondersteuning voor zijn mening dat ABN Amro haar vordering op hem in 2014 heeft verkocht aan Intrum en dat het vonnis van 26 mei 2021 en het arrest van 23 juli 2024 zijn gewezen ten gunste van een onjuiste partij. Deze twee invalshoeken van [verzoeker] kleuren zijn belang bij zijn verzoeken. 4.
- Uit de standpunten van [verzoeker] volgt dat zijn verzoek om een kopie van alle interne communicatie tussen medewerkers van ABN Amro over zijn dossier en de correspondentie tussen ABN Amro en mr. Dijkema (die als advocaat in 2020 rechtsbijstand heeft verleend aan ABN Amro in de gerechtelijke procedure jegens [verzoeker] – die heeft geleid tot het vonnis van 26 mei 2021 van de rechtbank Noord-Holland, locatie Haarlem), vooral is bedoeld om informatie te verkrijgen over de vraag of de vordering van ABN Amro op hem in 2014 is verkocht aan Intrum. Dit valt buiten de reikwijdte van artikel 15 AVG, dat tot doel heeft de betrokkene in de gelegenheid te stellen te controleren op welke wijze zijn persoonsgegevens zijn verwerkt en of de verwerkte persoonsgegevens juist zijn. 4.
- Onder deze omstandigheden weegt het belang van ABN Amro bij vertrouwelijkheid en vrije gedachtevorming tussen haar medewerkers over een geschil met betrokkene dan ook zwaarder dan het belang van [verzoeker] bij zijn verzoek. ABN Amro is daarom niet gehouden nadere inzage aan [verzoeker] te geven in de interne correspondentie van haar medewerkers over zijn dossier (artikel 15 lid 4 AVG). 4.
- Hetzelfde geldt voor de correspondentie tussen ABN Amro en mr. Dijkema die heeft opgetreden als advocaat van ABN Amro ter zake het incasseren van de vordering van ABN Amro op [verzoeker] . De correspondentie tussen hen valt onder de geheimhoudingsplicht van een advocaat. Dit belang van mr. Dijkema weegt zwaarder dan het belang van [verzoeker] bij zijn verzoeken – dat naar zijn zeggen is gelegen in het vinden van de waarheid over de ‘overdracht’ van de vordering van ABN Amro aan Intrum. ABN Amro hoeft daarom geen nadere inzage in de correspondentie met mr. Dijkema te verschaffen (artikel 15 lid 4 AVG). 4.
- ABN Amro heeft aangevoerd dat zij de persoonsgegevens van [verzoeker] heeft gedeeld met Intrum, het Bureau Krediet Registratie en mr. Dijkema en niet met anderen. Uit niets is gebleken dat ABN Amro met anderen (dan de drie genoemde partijen) heeft gecorrespondeerd over (haar vordering op) [verzoeker] . Daarom is ook het verzoek om een kopie van alle communicatie van ABN Amro met andere derden (dan Intrum en mr. Dijkema) in verband met de tenuitvoerlegging van het vonnis van 26 mei 2021 niet toewijsbaar. 4.
- Het verder niet onderbouwde verzoek van [verzoeker] om een kopie van de juridische grondslagen waarop ABN Amro gegevens van [verzoeker] heeft uitgewisseld met Intrum en andere derden, kan niet worden toegewezen. Voor zover [verzoeker] met de juridische grondslag de rechtsverhouding tussen ABN Amro en Intrum dan wel anderen bedoelt, geldt dat dit geen onderwerp is van de AVG. Voor zover [verzoeker] doelt op de grondslag als bedoeld in artikel 6 AVG heeft ABN Amro bovendien onweersproken gesteld dat de verwerking noodzakelijk is voor de behartiging van de gerechtvaardigde belangen van de verwerkingsverantwoordelijke (artikel 6 lid 1 onder f AVG). 4.
- Het verzoek tot inzage in alle onderliggende documenten is dusdanig onbepaald (zelfs als dit wordt begrepen als documenten waarin de persoonsgegevens van [verzoeker] zijn verwerkt) dat dit verzoek niet kan worden toegewezen. 4.
- ABN Amro (en ook Intrum) hebben aangevoerd dat zij alle brieven die aan het voormalige woonadres van [verzoeker] zijn verstuurd, inmiddels aan [verzoeker] hebben verstrekt. Dit zijn de brieven van 5 augustus 2014, 17 september 2014, 1 oktober 2014 en 25 oktober
- ABN Amro heeft betoogd dat daarna alle correspondentie is verstuurd, dan wel is betekend, op het huidige woonadres van [verzoeker] . 4.
- [verzoeker] heeft ter zitting verklaard dat hij voor zijn verhuizing naar zijn huidige woonadres als gevolmachtigde heeft opgetreden voor de bankrekening van zijn moeder bij ABN Amro. Op dat moment woonde hij op het adres waar bovenvermelde brieven naar zijn gezonden. Daarmee heeft [verzoeker] verklaard zelf de bron te zijn van dit door ABN Amro tot oktober 2018 gebruikte adres. 4.
- Uit het bovenstaande volgt dat ABN Amro heeft voldaan aan het verzoek van [verzoeker] betreffende de brieven verstuurd aan zijn voormalige woonadres. 4.
- In de procedure tegen Intrum (zie hierna) wordt nader ingegaan op de stelling van [verzoeker] dat er meer brieven aan hem moeten zijn verstuurd naar het verkeerde adres. 4.
- ABN Amro heeft gemotiveerd aangevoerd dat er geen stuk is waaruit blijkt dat haar vordering op [verzoeker] is verkocht aan Intrum. ABN Amro heeft uitvoerig uiteengezet hoe een vordering van haar op een klant wordt geïncasseerd. Zij heeft ter onderbouwing daarvan (onverplicht) bescheiden aan [verzoeker] overgelegd die geen betrekking hebben op zijn persoonsgegevens, zoals de overeenkomsten die ABN Amro heeft gesloten met (Lindorff, de rechtsvoorgangster van) Intrum. 4.
- Uit die overeenkomsten tussen ABN Amro en Lindorff, en later Intrum, blijkt dat ABN Amro Intrum heeft gevolmachtigd in en buiten rechte op te treden als incassobureau voor ABN Amro. ABN Amro heeft aangevoerd dat de specifieke incasso-opdracht ten aanzien van [verzoeker] vermoedelijk geautomatiseerd heeft plaatsgevonden en dat daarvoor geen specifiek document is opgemaakt. De incasso-opdracht volgt wel uit het logboek van Intrum (‘KO dd 9.2.2007 in EKD. Limiet EUR 75/m’) maar verdere informatie is hierover niet traceerbaar in de systemen van ABN Amro. Nu er geen specifieke incasso-opdracht is waarin persoonsgegevens van [verzoeker] zijn verwerkt, moet het verzoek tot inzage daarin worden afgewezen. 4.
- [verzoeker] meent op grond van de volgende e-mail van een medewerker van ABN Amro van 17 september 2024 dat de vordering van ABN Amro op hem in 2014 is verkocht aan Lindorff (thans: Intrum): “(…) Zoals wij telefonisch gesproken hebben heeft u bij ons een informatieverzoek neergelegd. Dit betrof een informatieverzoek met betrekking tot de vordering van ABN AMRO op u en of de vordering dan verkocht is aan Lindorff. (…) De overdracht van de vordering heeft als gevolg van het faillissement in de 2e helft van 2014 plaatsgevonden. (…)” 4.
- ABN Amro heeft gewezen op andere correspondentie met [verzoeker] waarin wordt vermeld dat er geen sprake is van verkoop van haar vordering op [verzoeker] aan Intrum. Bij e-mail van 16 oktober 2024 heeft een legal counsel van ABN Amro aan [verzoeker] bericht: “(…) De heer [medewerker van ABN Amro die de e-mail van 17 september 2024 heeft verstuurd, rb] heeft (…) u geadviseerd u tot Intrum te wenden om te bezien of zij nog documentatie hebben. Als ik het goed begrijp leidt u uit deze reactie af dat de bank geen vordering meer heeft op u en dat de bank haar vordering heeft verkocht. (…) Vanwege het faillissement van uw onderneming heeft de bank uw dossier in 2014 ter behandeling overgedragen aan Lindorff (de naam is vervolgens gewijzigd in Intrum). Intrum heeft van de bank een volmacht ontvangen om namens de bank vorderingen te incasseren. (…) Met “overdragen” bedoelen wij het overhandigen van uw dossier aan Intrum zodat Intrum namens de bank de vordering op u kan incasseren. Wij bedoelen daarmee niet een verkoop van de vordering van de bank op u. Een verkoop van onze vordering op u heeft niet plaatsgevonden. (…)” 4.
- [verzoeker] heeft ter zitting nadrukkelijk bovenstaande uitleg van het woord “overdragen” van de hand gewezen en heeft volhard in zijn standpunt dat de vordering op hem door ABN Amro is gecedeerd aan Intrum. 4.
- Deze overtuiging van [verzoeker] is onvoldoende om de uitleg van ABN Amro (en Intrum) over de wijze waarop de incasso van vorderingen van ABN Amro wordt uitgevoerd, ter zijde te schuiven. ABN Amro heeft dit immers onderbouwd met stukken zoals de incasso-volmacht van 28 januari 2014 (zie 2.2.), het logboek betreffende het incassotraject (dat loopt van 5 augustus 2014 tot november 2024) waaruit blijkt dat Intrum steeds contact heeft gehouden met ABN Amro over de voortgang van de incasso, hetgeen uiteraard niet het geval zou zijn geweest indien Intrum zelf sinds 2104 eigenaar van de vordering zou zijn geweest. Dat in de tweede incasso-volmacht tussen ABN Amro en Intrum uit 2019 een onjuiste datum is opgenomen, is verder niet relevant in deze procedure. Deze procedure gaat immers niet over de juistheid van een stuk maar over de inzage in de wijze waarop de persoonsgegevens van [verzoeker] zijn verwerkt. De onjuiste datum in de incasso-volmacht uit 2019 tussen ABN Amro en Intrum betreft niet een verwerking van persoonsgegevens van [verzoeker] en geeft dus geen aanleiding zijn verzoek aan ABN Amro toe te wijzen. 4.
- Het verzoek tot inzage in informatie waaruit de verkoop van de vordering van ABN Amro op [verzoeker] zou blijken is niet toewijsbaar. 4.
- [verzoeker] heeft verder gewezen op een bericht op de website van Intrum uit 2020 waarin uitleg wordt gegeven voor het geval de schuldenaar van ABN Amro een brief heeft ontvangen van een ander incassobureau dan Intrum. [verzoeker] heeft zelf ter zitting verklaard dat hij terzake de vordering geen brief heeft ontvangen van een ander incassobureau dan Intrum, zodat dit bericht voor hem niet relevant is. Verder is niet gebleken dat in dit bericht de persoonsgegevens van [verzoeker] zijn verwerkt. De verwijzing naar dit bericht – wat overigens niet strookt met de stelling van [verzoeker] dat ABN Amro haar vordering op hem heeft gecedeerd aan Intrum – kan daarom niet leiden tot toewijzing van de verzoeken van [verzoeker] in deze procedure. 4.
- Volgens ABN Amro (en Intrum) is de volledige correspondentie tussen hen over het dossier [verzoeker] inmiddels aan hem overgelegd. [verzoeker] heeft geen andere feiten en omstandigheden gesteld waaruit kan worden afgeleid dat er meer correspondentie tussen ABN Amro en Intrum moet zijn waarin zijn persoonsgegevens zijn verwerkt. 4.
- De slotsom is dat de verzoeken van [verzoeker] gericht aan ABN Amro worden afgewezen. 4.
- [verzoeker] zal als de in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten worden veroordeeld, aan de zijde van Intrum tot op heden begroot op: - griffierecht € 714 - salaris advocaat € 1.228 (2 punten van tarief II ad € 614,-) - nakosten € 178 (plus verhoging als vermeld in de beslissing) Totaal € 2.120,00 in de zaak C/13/771379 / HA RK 25-206 (Intrum) voorts 4.
- In het procesdossier is opgenomen een zogenaamde verwerkersovereenkomst tussen ABN Amro en Intrum. In de verwerkersovereenkomst is onder meer bepaald dat Intrum de persoonsgegevens die zij verkrijgt/verzamelt in het kader van de door haar voor ABN Amro verrichte werkzaamheden verwerkt voor ABN Amro. Deze overeenkomst is in december 2018 door ABN Amro en Intrum ondertekend. 4.
- Deze verwerkersovereenkomst is aan [verzoeker] overgelegd door ABN Amro met haar verweerschrift in de procedure HA RK 25-
- Intrum heeft dit verweerschrift, met producties, ook aan [verzoeker] overgelegd. 4.
- [verzoeker] heeft deze verwerkersovereenkomst en de uitleg die ABN Amro en Intrum daaraan hebben gegeven, niet – althans onvoldoende gemotiveerd – betwist. 4.
- De verwerkersovereenkomst tussen ABN Amro en Intrum houdt in dat ABN Amro de verantwoordelijke voor de verwerking van de persoonsgegevens is en dat Intrum die persoonsgegevens verwerkt als zij overgaat tot incasseren van een vordering van ABN Amro op een cliënt. Deze verwerkersovereenkomst is dus een overeenkomst als bedoeld in artikel 28 lid 3 AVG. 4.
- In artikel 15 AVG zijn de inzage-rechten van de betrokkene (de persoon van wie gegevens zijn verwerkt) geregeld. Daarin is nadrukkelijk bepaald dat die rechten van de betrokkene gelden jegens de verwerkingsverantwoordelijke. Intrum is in ieder geval sinds december 2018 geen verwerkingsverantwoordelijke van de persoonsgegevens van [verzoeker] in relatie tot zijn geschil met ABN Amro. Voor zover het verzoek van [verzoeker] aan Intrum ziet op de periode na december 2018 wordt dit verzoek dan ook afgewezen. 4.
- Voor zover het verzoek van [verzoeker] ziet op de periode voor 28 mei 2018 (de datum waarop de AVG van toepassing is geworden in de Europese Unie) kent de Wet bescherming persoonsgegevens (Wbp, de voorganger van AVG) vergelijkbare bepalingen (artikel 14 Wbp over de overeenkomst tussen verwerkingsverantwoordelijke en bewerker en artikel 35 Wbp over het recht op inzage wat moet worden gericht aan de verwerkingsverantwoordelijke). Of in die periode een bewerkersovereenkomst (zoals die is genoemd in de Wbp) tussen ABN Amro en Intrum van toepassing is geweest kan niet worden vastgesteld op basis van het procesdossier. 4.
- Intrum heeft aangevoerd dat zij – in overleg met ABN Amro – alle verwerkte persoonsgegevens van [verzoeker] over de gehele periode (tot en met 2024) aan hem heeft overgelegd, ook al had dat verzoek aan ABN Amro moeten worden gericht. 4.
- [verzoeker] heeft gewezen op het logboek van Intrum en dan met name de registraties van 27 oktober 2014 en 16 februari 2015 (beide aangeduid met ‘Briefnummer 998’). [verzoeker] heeft betoogd dat hij die brieven niet heeft ontvangen en dat die mogelijk ook naar zijn voormalige woonadres zijn verstuurd. Volgens [verzoeker] hebben deze entries in het logboek te maken met de aanpassing van zijn BKR-registratie door toevoeging van bijzonderheidscode
- Volgens [verzoeker] is het ondenkbaar dat geen brieven aan hem zijn verstuurd naar aanleiding van die logboekregistraties. 4.
- Intrum heeft ter zitting toegelicht dat deze logboek-entries administratieve acties van Intrum richting ABN Amro zijn en dat in ieder geval geen sprake is van brieven waarin persoonsgegevens van [verzoeker] zijn verwerkt. 4.
- De stellingen van [verzoeker] zijn onvoldoende om het betoog van Intrum ter zijde te schuiven. Daarbij neemt de rechtbank in aanmerking dat het logboek de aanpassing van de BKR-registratie (bijzonderheidscode 3) vermeld op 28 oktober
- Voorts volgt uit het procesdossier dat Intrum op 16 februari 2015 een brief van de curator van [bedrijf] B.V. heeft ontvangen dat het faillissement bij gebrek aan baten is opgeheven. Zonder nadere onderbouwing, die ontbreekt, valt niet in te zien dat de logboek-entries moeten zien op aan [verzoeker] gezonden brieven. Het verzoek tot inzage daarin wordt dan ook afgewezen. 4.
- Vast staat dat de vier brieven die in die tijd zijn verstuurd aan het voormalige woonadres van [verzoeker] aan hem zijn overgelegd. Daarnaast heeft Intrum alle andere verwerkingen van zijn persoonsgegevens tot en met 2024 aan [verzoeker] overgelegd. 4.
- [verzoeker] heeft geen verdere feiten en omstandigheden gesteld waaruit kan worden afgeleid dat Intrum meer informatie heeft betreffende zijn persoonsgegevens. 4.
- De verzoeken van [verzoeker] aan Intrum zijn dus niet toewijsbaar. 4.
- [verzoeker] zal als de in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten worden veroordeeld, aan de zijde van Intrum tot op heden begroot op: - griffierecht € 714 - salaris advocaat € 1.228 (2 punten van tarief II ad € 614,-) - nakosten € 178 (plus verhoging als vermeld in de beslissing) Totaal € 2.120,00 in de zaak C/13/772025 / HA RK 25-216 ( [verweerder (HA RK 25-216)] ) voorts 4.
- [verweerder (HA RK 25-216)] heeft ter zitting van 5 november 2025 haar bevoegdheidsexceptie ingetrokken en de bevoegdheid van deze rechtbank in dit geschil aanvaard. 4.
- [verzoeker] heeft aan [verweerder (HA RK 25-216)] verzocht om een volledig overzicht in het kader van de AVG van de over hem verwerkte persoonsgegevens, specifiek: De grondslag waarop [verweerder (HA RK 25-216)] executiemaatregelen jegens [verzoeker] heeft ingezet; De uitkomst van het onderzoek van [verweerder (HA RK 25-216)] naar de procespartijen in het vonnis van 26 mei 2021; De uitkomst van het onderzoek van [verweerder (HA RK 25-216)] aan wie de door [verzoeker] betaalde geldsommen zijn overgedragen; De communicatie tussen [verweerder (HA RK 25-216)] en Intrum; De communicatie tussen [verweerder (HA RK 25-216)] en ABN Amro; De communicatie tussen [verweerder (HA RK 25-216)] en advocaat mr. Dijkema (die als advocaat van ABN Amro heeft opgetreden in de procedure waarin vonnis is gewezen op 26 mei 2021 en arrest op 23 juli 2024). 4.
- [verweerder (HA RK 25-216)] heeft terecht betoogd dat het onder 1, 2 en 3 verzochte informatie geen onderwerp is van het inzagerecht uit artikel 15 AVG. [verweerder (HA RK 25-216)] heeft gehandeld op grond van wettelijke bevoegdheden (artikel 430 e.v. Rv en artikel 2 gerechtsdeurwaarderswet) en verwerkt dus persoonsgegevens op grond van die wettelijke verplichting. De verzoeken van [verzoeker] betreffende deze informatie (grondslagen voor genomen executiemaatregelen, uitkomst van onderzoeken naar procespartijen in het ten uitvoer te leggen vonnis en waar de door [verzoeker] aan [verweerder (HA RK 25-216)] betaalde geldsommen zijn terechtgekomen) worden daarom afgewezen. 4.
- [verweerder (HA RK 25-216)] heeft verder onweersproken aangevoerd dat zij geen contact heeft gehad met Intrum en ABN Amro over [verzoeker] . Dit heeft zij aan [verzoeker] medegedeeld bij e-mails van 3 juli
- [verzoeker] heeft geen feiten en omstandigheden gesteld waaruit kan worden afgeleid dat [verweerder (HA RK 25-216)] wel contact heeft gehad of heeft onderhouden met Intrum of ABN Amro. Dit blijkt ook niet uit het procesdossier. Onder deze omstandigheden zijn de verzoeken van [verzoeker] betreffende inzage in de correspondentie tussen [verweerder (HA RK 25-216)] en Intrum en tussen [verweerder (HA RK 25-216)] en ABN Amro niet toe te wijzen. 4.
- [verweerder (HA RK 25-216)] heeft haar communicatie met mr. Dijkema (als advocaat van ABN Amro in de procedure die heeft geleid tot het vonnis van 26 mei 2021 en het arrest van 23 juli 2024) aan [verzoeker] overgelegd. 4.
- Uit het bovenstaande volgt dat de verzoeken van [verzoeker] jegens [verweerder (HA RK 25-216)] niet worden toegewezen. Daarbij wordt opgemerkt dat deze procedure gaat over het recht van inzage in verwerkte persoonsgegevens (artikel 15 AVG) en dus niet over de vraag of [verweerder (HA RK 25-216)] als deurwaarder haar wettelijke verplichtingen volledig en juist heeft uitgevoerd. 4.
- [verzoeker] zal als de in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten worden veroordeeld, aan de zijde van Intrum tot op heden begroot op: - griffierecht € 714 - salaris advocaat 1.228 (2 punten van tarief II ad € 614,-) - nakosten 178 (plus verhoging als vermeld in de beslissing) Totaal € 2.120,00 5De beslissing De rechtbank in de zaak C/13/769236 / HA RK 25-162 (ABN Amro) 5.
- wijst de verzoeken af, 5.
- veroordeelt [verzoeker] in de proceskosten, aan de zijde van ABN Amro tot op heden begroot op € 2.120, 5.
- veroordeelt [verzoeker] in de verdere nakosten aan salaris advocaat (€ 92) en de betekeningskosten indien hij niet binnen 14 dagen na aanschrijving van deze beschikking voldoet aan bovenstaande kostenveroordeling en deze beschikking dient te worden betekend, 5.
- verklaart bovenstaande beslissingen uitvoerbaar bij voorraad, in de zaak C/13/771379 / HA RK 25-206 (Intrum) 5.
- wijst de verzoeken af, 5.
- veroordeelt [verzoeker] in de proceskosten, aan de zijde van Intrum tot op heden begroot op € 2.120, 5.
- veroordeelt [verzoeker] in de verdere nakosten aan salaris advocaat (€ 92) en de betekeningskosten indien hij niet binnen 14 dagen na aanschrijving van deze beschikking voldoet aan bovenstaande kostenveroordeling en deze beschikking dient te worden betekend, 5.
- verklaart bovenstaande beslissingen uitvoerbaar bij voorraad, zaak C/13/772025 / HA RK 25-216 ( [verweerder (HA RK 25-216)] ) 5.
- wijst de verzoeken af, 5.
- veroordeelt [verzoeker] in de proceskosten, aan de zijde van [verweerder (HA RK 25-216)] tot op heden begroot op € 2.120, 5.
- veroordeelt [verzoeker] in de verdere nakosten aan salaris advocaat (€ 92) en de betekeningskosten indien hij niet binnen 14 dagen na aanschrijving van deze beschikking voldoet aan bovenstaande kostenveroordeling en deze beschikking dient te worden betekend, 5.
- verklaart bovenstaande beslissingen uitvoerbaar bij voorraad. Deze beschikking is gegeven door mr. M.E.M. James-Pater, rechter, bijgestaan door mr. R.E.R. Verloo, griffier, en in het openbaar uitgesproken op 18 december
- Voor zover van belang per verwerende partij nader uiteengezet in de Beoordeling van die zaak. Verordening (EU) 2016/679 betreffende de bescherming van natuurlijke personen i.v.m. de verwerking van persoonsgegevens en betreffende het vrije verkeer van die gegevens en tot intrekking van Richtlijn 95/46/EG, in werking getreden op 25 mei 2018 (artikel 99 lid 2 AVG) Hof van Justitie van de Europese Unie (HVJ EU) 4 mei 2023, C-487/21, F.F./Österreichische Datenschutzbehörde en CRIF, ECLI:EU:C:2023:369, punt
- Zoals dit is genoemd in de Wbp Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering