← Nederland

ECLI:NL:RBAMS:2025:11348

vonnis RECHTBANK AMSTERDAM Team Familie & Jeugd Parketnummer: 13/132915-24 Parketnummers vorderingen TUL: 05/336203-21; 05/336203-21 Datum uitspraak: 10 november 2025 (mondeling) Verkort vonnis van de rechtbank Amsterdam, meervoudige strafkamer, in de zaak tegen [verdachte] , geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 2005, wonende op het adres [woonadres] , hierna te noemen verdachte. 1Onderzoek ter terechtzitting De rechtbank heeft beraadslaagd naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting achter gesloten deuren van 10 november 2025. Verdachte heeft schriftelijk afstand gedaan van het recht bij de terechtzitting aanwezig te zijn. De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie mr. C.R. Zetsma en van wat de raadsman van verdachte, mr. J. Liauw, naar voren heeft gebracht. Ook heeft de rechtbank kennisgenomen van wat door [naam] namens de Raad voor de Kinderbescherming (hierna: de Raad) en door de moeder van verdachte naar voren is gebracht. 2Tenlastelegging Aan verdachte is ten laste gelegd dat hij op of omstreeks 13 mei 2023 te Amsterdam, in elk geval in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening heeft weggenomen - een telefoon, in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan [ benadeelde partij 1] en/of [alias benadeelde partij 1] , in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte en/of zijn mededader(s), welke diefstal werd voorafgegaan, vergezeld en/of gevolgd van geweld en/of bedreiging met geweld tegen voornoemde [ benadeelde partij 1] , gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden en/of gemakkelijk te maken en/of om bij betrapping op heterdaad aan zichzelf en/of aan (een) andere deelnemer(

  1. s)aan voormeld misdrijf de vlucht mogelijk te maken en/of het bezit van het gestolene te verzekeren, welk geweld en/of welke bedreiging met geweld hierin bestond(
  2. en)dat hij, verdachte en/of zijn mededader(s), opzettelijk gewelddadig en/of dreigend, die [ benadeelde partij 1] heeft/hebben vastgepakt en/of vast heeft/hebben gehouden en/of die [ benadeelde partij 1] op de grond heeft/hebben geduwd, althans naar de grond heeft/hebben gebracht en/of die [ benadeelde partij 1] in het gezicht heeft/hebben geslagen. 3Voorvragen De dagvaarding is geldig, deze rechtbank is bevoegd tot kennisneming van het ten laste gelegde feit en de officier van justitie is ontvankelijk. Er zijn geen redenen voor schorsing van de vervolging. 4Waardering van het bewijs 4.1. Het standpunt van de officier van justitie De officier van justitie heeft gerekwireerd tot een bewezenverklaring van de ten laste gelegde diefstal met geweld in vereniging. 4.2. Het standpunt van de verdediging De raadsman heeft zich ten aanzien van een bewezenverklaring van het ten laste gelegde gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank. 4.3. Het oordeel van de rechtbank De rechtbank is van oordeel dat op basis van de feiten en omstandigheden zoals vervat in de bewijsmiddelen wettig en overtuigend is bewezen dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan de hem ten laste gelegde diefstal met geweld in vereniging. Indien tegen dit vonnis hoger beroep wordt ingesteld, worden de door de rechtbank gebruikte bewijsmiddelen opgenomen in een aanvulling op dit vonnis, welke aanvulling zal aan het vonnis zal worden gehecht. 5Bewezenverklaring De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte op 13 mei 2023 te Amsterdam, tezamen en in vereniging, met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening heeft weggenomen - een telefoon, toebehorende aan [ benadeelde partij 1] , welke diefstal werd vergezeld van geweld tegen voornoemde [ benadeelde partij 1] , welk geweld hierin bestond dat hij, verdachte, en zijn mededader, opzettelijk gewelddadig die [ benadeelde partij 1] hebben vastgepakt en vast hebben gehouden en die [ benadeelde partij 1] op de grond hebben gebracht en die [ benadeelde partij 1] in het gezicht hebben geslagen. Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten staan, zijn deze verbeterd. Verdachte is hierdoor niet in de verdediging geschaad. 6Strafbaarheid van het feit en de verdachte Het bewezen geachte feit is volgens de wet strafbaar en verdachte is daarvoor ook strafbaar. Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het feit of van de verdachte uitsluit. 7Motivering van de straf 7.1. Het standpunt van de officier van justitie De officier van justitie heeft bij requisitoir gevorderd dat aan verdachte ter zake van het door hem bewezen geachte feit geen straf zal worden opgelegd. Verdachte is op 23 oktober 2024 veroordeeld tot een jeugddetentie voor de duur van 450 dagen en een maatregel tot plaatsing in een inrichting voor jeugdigen (hierna: PIJ-maatregel). Weliswaar is verdachte tegen dit vonnis in hoger beroep, maar de officier van justitie verwacht hiervan geen andere uitkomst. Een straf in de onderhavige zaak zou dan ook geen toegevoegde waarde hebben. 7.2. Het standpunt van de verdediging De raadsman van de verdachte heeft de rechtbank verzocht aan verdachte geen straf op te leggen. 7.3. Het oordeel van de rechtbank De hierna te noemen strafoplegging is in overeenstemming met de ernst van het bewezen geachte, de omstandigheden waaronder dit is begaan en de persoon van verdachte, zoals van een en ander ter terechtzitting is gebleken. De rechtbank heeft bij de keuze tot het opleggen van een vrijheidsbenemende straf en bij de vaststelling van de duur daarvan in het bijzonder het volgende laten meewegen. De ernst van het feit Verdachte heeft samen met zijn medeverdachten op klaarlichte dag een massagesalon overvallen, waarbij verdachte en medeverdachte het slachtoffer, een werkneemster van de salon, naar de grond hebben gewerkt en hebben vastgehouden. Vervolgens is haar telefoon uit haar handen getrokken en heeft verdachte het slachtoffer in het gezicht geslagen. Ondertussen sloot de eigenaresse van de salon zich op in één van de kamers. Verdachten hebben nog geprobeerd die deur open te trekken, waarna de eigenaresse vanuit die kamer heeft geroepen ‘politie’. Vervolgens hebben de verdachten de salon verlaten. De rechtbank vindt het ernstig wat verdachte heeft gedaan. Een dergelijke overval heeft enorme impact op slachtoffers; zij kunnen nog geruime tijd last hebben van de psychische gevolgen van een dergelijk delict. Het door verdachte toegepaste geweld neemt de rechtbank hem in het bijzonder kwalijk. Terwijl het slachtoffer weerloos op de grond lag en haar telefoon was afgepakt, heeft zij van verdachte ook nog een flinke klap gekregen. De rechtbank acht in beginsel een forse straf dan ook passend. De rechtbank houdt rekening met de afspraken die ten aanzien van een aantal delictsgroepen zijn vastgelegd in de Landelijke Oriëntatiepunten voor Straftoemeting Jeugd, die dienen ter bevordering van de rechtseenheid in de strafoplegging. De rechtbank heeft kennisgenomen van een Uittreksel Justitiële Documentatied.d. 17 oktober 2025 waaruit blijkt dat verdachte meerdere keren is veroordeeld voor strafbare feiten waaronder gewelds- en vermogensdelicten. De rechtbank weegt dit in het nadeel van verdachte mee. Uit het uittreksel blijkt voorts dat verdachte op 23 oktober 2024 door de meervoudige kamer van de rechtbank Rotterdam is veroordeeld tot onder meer een jeugddetentie van 450 dagen voor de eendaadse samenloop van poging tot moord, meermalen gepleegd en vernieling op 31 juli 2025. Gelet op artikel 63 van het Wetboek van Strafrecht (hierna: Sr) houdt de rechtbank rekening met die straf bij de strafoplegging in de onderhavige zaak. Persoonlijke omstandigheden en tijdsverloop Verder betrekt de rechtbank bij het bepalen van de hoogte van de straf dat de bewezenverklaarde feiten inmiddels bijna tweeëneenhalf jaar geleden hebben plaatsgevonden. Daarmee is de redelijke termijn overschreden. Het Openbaar Ministerie heeft geen bijzondere redenen kunnen geven die dat tijdsverloop kunnen verklaren. De rechtbank slaat hier in strafmatigende zin acht op. De rechtbank overweegt dat de ernst van het feit en het strafblad van verdachte zich verzetten tegen een schuldigverklaring zonder oplegging van straf zoals bedoeld in art. 9a Sr. De rechtbank is van oordeel dat niet kan worden volstaan met een andere straf dan een onvoorwaardelijke jeugddetentie. Alles overwegende acht de rechtbank een jeugddetentie voor de duur van 2 maanden passend en geboden. 8Tenuitvoerlegging voorwaardelijke veroordeling 8.1. De vordering met parketnummer 05-336203-21 Op 8 oktober 2025 is ter griffie van deze rechtbank ontvangen een vordering van de officier van justitie in het arrondissement Amsterdam in de zaak met parketnummer 05-336203-21, betreffende het onherroepelijk geworden vonnis van 15 maart 2022 van de kinderrechter te Rotterdam, waarbij verdachte onder meer is veroordeeld tot een werkstraf voor de duur van 20 uren subsidiair 10 dagen jeugddetentie, met bevel dat deze straf niet zal worden ten uitvoer gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten op grond dat verdachte zich voor het einde van een op 2 jaren bepaalde proeftijd aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt. De officier van justitie en de raadsman hebben zich beiden op het standpunt gesteld dat de vordering afgewezen dient te worden. Gelet op de op 23 oktober 2024 aan verdachte opgelegde jeugddetentie en maatregel van plaatsing in een inrichting voor jeugdigen is de rechtbank van oordeel dat het op dit moment niet aangewezen is om de tenuitvoerlegging van een werkstraf te bevelen. De rechtbank wijst de vordering af. 8.2. De vordering met parketnummer 10-276386-22​​​​​​​ Op 8 oktober 2025 is ter griffie van deze rechtbank ontvangen een vordering van de officier van justitie in het arrondissement Amsterdam in de zaak met parketnummer 10-276386-22, betreffende het onherroepelijk geworden vonnis van 2 november 2022 van de kinderrechter te Rotterdam. Verdachte is bij dit vonnis niet veroordeeld tot een voorwaardelijke straf. De rechtbank is daarom van oordeel dat de officier van justitie niet-ontvankelijk is in de vordering. 9Ten aanzien van de benadeelde partij en de schadevergoedingsmaatregel De benadeelde partij [ benadeelde partij 1] vordert € 1.100,- aan materiële schadevergoeding, te vermeerderen met de wettelijke rente. De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de vordering onvoldoende onderbouwd is en daarom niet-ontvankelijk dient te worden verklaard. De raadsman heeft verzocht de vordering af te wijzen omdat deze onvoldoende onderbouwd is. Subsidiair heeft de raadsman verzocht om de benadeelde partij niet-ontvankelijk te verklaren in de vordering. De rechtbank overweegt als volgt. Uit het dossier blijkt dat de telefoon, een Iphone 12, van de benadeelde partij als gevolg van het bewezenverklaarde is weggenomen, zodat voldoende is komen vast te staan dat de benadeelde partij op dat punt rechtstreeks schade heeft geleden. De benadeelde partij heeft geen aankoopbewijs of andere stukken overgelegd waarmee de waarde van de telefoon kan worden vastgesteld. De rechtbank zal onder de gegeven omstandigheden het schadebedrag schatten en vaststellen op € 300,00. Voor het overige is de rechtbank van oordeel dat behandeling van de vordering nadere bewijslevering zou vergen, hetgeen een onevenredige belasting van het strafgeding oplevert. In zoverre kan de benadeelde partij daarom thans in de vordering niet worden ontvangen. Ten aanzien van de materiële schade zal de rechtbank de vordering tot een bedrag van € 300,00 hoofdelijk toewijzen, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf het moment waarop de strafbare feiten zijn gepleegd. In het belang van de benadeelde [ benadeelde partij 1] voornoemd wordt de maatregel van artikel 36f van Sr aan verdachte opgelegd. Vanwege het uitgangspunt dat geen gijzeling wordt opgelegd aan verdachten die volgens het jeugdstrafrecht worden berecht, zal de rechtbank de maximale duur van de gijzeling bepalen op 0 dagen.‬‬‬‬‬‬ 10Toepasselijke wettelijke voorschriften De op te leggen straf is gegrond op de artikelen 36f, 63, 77a, 77g, 77i en 312 van het Wetboek van Strafrecht. 11Beslissing De rechtbank komt op grond van het voorgaande tot de volgende beslissing. Verklaart bewezen dat verdachte het ten laste gelegde heeft begaan zoals hiervoor in rubriek 5 is aangegeven. Verklaart niet bewezen hetgeen aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor is bewezen verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij. Het bewezen verklaarde levert op: diefstal, vergezeld van geweld tegen personen, gepleegd met het oogmerk om die diefstal gemakkelijk te maken, terwijl het feit wordt gepleegd door twee of meer verenigde personen Verklaart het bewezene strafbaar. Verklaart verdachte, [verdachte] , daarvoor strafbaar. Veroordeelt verdachte tot een jeugddetentie van 2 (twee) maanden. Wijst de vordering tenuitvoerlegging met parketnummer 05-336203-21 af. Verklaart de officier van justitie ten aanzien van de vordering tenuitvoerlegging met parketnummer 10-276386-22​​​​​​​ niet-ontvankelijk in de vordering. Wijst de vordering van de benadeelde partij [ benadeelde partij 1] gedeeltelijk toe tot een bedrag van € 300,- (driehonderd euro) bestaande uit materiële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf het moment van het ontstaan van de schade (13 mei 2023) tot aan de dag van de algehele voldoening. Veroordeelt verdachte aan [ benadeelde partij 1] voornoemd, het toegewezen bedrag te betalen, behoudens voor zover deze vordering reeds door of namens een ander of anderen is betaald. Veroordeelt verdachte voorts in de kosten door de benadeelde partij gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog te maken, tot op heden begroot op nihil. Legt aan verdachte de verplichting op, aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer [ benadeelde partij 1] , te betalen de som van € 300,- (driehonderd euro), te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf het moment van het ontstaan van de schade (13 mei 2023) tot aan de dag van de algehele voldoening, behoudens voor zover dit bedrag reeds door of namens een ander of anderen is betaald. Bepaalt daarbij de maximale duur van de gijzeling op 0 dagen. Bepaalt dat, indien en voor zover verdachte heeft voldaan aan een van voornoemde betalingsverplichtingen, daarmee de andere is vervallen. Bepaalt dat de benadeelde partij [ benadeelde partij 1] voor het overige niet-ontvankelijk in haar vordering is. Dit vonnis is gewezen door mr. A. van Luijck, voorzitter tevens kinderrechter, mrs. C.P. Bleeker en M.J. van Aalderen, rechters, in tegenwoordigheid van T. Bongenaar, griffier, en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank van 10 november 2025.

🔗 Naar officiële bron

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.