RECHTBANK AMSTERDAM Bestuursrecht zaaknummer: AMS 25/2850 uitspraak van de enkelvoudige kamer van 3 december 2025 in de zaak tussen [eiser] , uit [plaats] (Turkije), eiser (gemachtigde: [gemachtigde eiser] ), en de raad van bestuur van de sociale verzekeringsbank, verweerder (de Svb) (gemachtigde: [gemachtigde verweerder] ). Procesverloop
- In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiser tegen de vaststelling van de hoogte van zijn AOW-pensioen. 1.1 Eiser heeft de pensioengerechtigde AOW-leeftijd bereikt en heeft bij verweerder een AOW-pensioen aangevraagd. Met haar besluit van 5 februari 2024 heeft verweerder aan eiser een AOW-pensioen toegekend van 30 procent van het maximale AOW-bedrag voor gehuwden, omdat eiser 35 jaar niet verzekerd is geweest voor de AOW. 1.2 Eiser heeft op 15 maart 2024 bezwaar ingesteld tegen deze beslissing. 1.3 Met het bestreden besluit van 26 maart 2025 heeft verweerder het bezwaar van eiser ongegrond verklaard. 1.4 Eiser heeft tegen de beslissing op bezwaar op 29 april 2025 beroep ingesteld. 1.5 De rechtbank heeft het beroep op 27 oktober 2025 op zitting behandeld. Hieraan heeft de gemachtigde van eiser deelgenomen. Verweerder was niet aanwezig. 1.4 Verweerder heeft op 10 november 2025 om 10:39 uur een aanvullend verweerschrift ingediend. Aangezien de rechtbank het onderzoek aan het einde van de zitting op 27 oktober 2025 heeft gesloten, laat zij dit aanvullend verweerschrift bij haar beoordeling buiten beschouwing. Beoordeling door de rechtbank
- De rechtbank beoordeelt aan de hand van de beroepsgronden van eiser of verweerder terecht een korting van 70% heeft toegepast op het maximale AOW-pensioenbedrag. Zij komt tot de conclusie dat dit het geval is en dat eisers beroep niet slaagt.
- Op grond van artikel 7 van de AOW heeft iemand recht op ouderdomspensioen indien die persoon de pensioengerechtigde leeftijd heeft bereikt en minimaal één kalenderjaar verzekerd is geweest in het tijdvak, beginnend op de dag waarop de aanvangsleeftijd is bereikt en eindigend op de dag voordat de pensioengerechtigde leeftijd is bereikt.
- De rechtbank is van oordeel dat uit het bestreden besluit duidelijk blijkt voor welke tijdvakken eiser verzekerd is geweest voor de AOW. Per tijdvak is uitgelegd op welke grond eiser voor dat tijdvak verzekerd is geacht en waarom. Het is vervolgens aan eiser om voldoende aannemelijk te maken dat hij in méér tijdvakken dan verweerder stelt verzekerd is geweest voor de AOW. De rechtbank licht hieronder per beroepsgrond toe waarom eiser hierin niet slaagt. Schending zorgvuldigheidsbeginsel?
- Eiser voert aan dat verweerder het zorgvuldigheidsbeginsel heeft geschonden, omdat verweerder haar besluitvorming heeft gebaseerd op onvolledig en onjuist onderzoek. Verweerder heeft volgens eiser onvoldoende onderzoek gedaan naar de WAO-uitkering die hij ontving en de langdurige inschrijving in Nederland tot
- Verder heeft verweerder premiebetalingen aan de Turkse SGK over 1997-2023 niet betrokken bij de beoordeling en de toepasselijkheid van bilaterale verdragen en EU-regelgeving onvoldoende onderzocht.
- Verweerder stelt dat het besluit zorgvuldig tot stand is gekomen, het zorgvuldigheidsbeginsel niet is geschonden en eiser niet aannemelijk heeft gemaakt dat verweerder onvoldoende onderzoek zou hebben gedaan naar de WAO-uitkering van eiser.
- De rechtbank overweegt dat partijen het erover eens zijn dat de WAO-uitkering per 1 mei 1997 tot en met 5 september 2023 onder de grens van 35% van het minimumloon is gedaald. Eiser was in die periode daarom niet verzekerd voor de AOW. De rechtbank ziet niet, en eiser onderbouwt niet, welk onderzoek verweerder in dit kader nog meer had moeten doen. Ook de stelling van eiser dat hij tot 2014 langdurig ingeschreven was in Nederland volgt de rechtbank niet. Eiser is in 1989 uit Nederland vertrokken en zijn WAO-uitkering is in 1997 als gezegd onder de grens van 35% van het minimumloon gedaald. Dat eiser in 2014 naar Nederland is verhuisd kan hem niet baten. Op de zitting heeft de gemachtigde van eiser immers toegelicht dat eiser in 2014 voor minder dan een jaar naar Nederland is verhuisd, en eiser in die periode geen verblijfsstatus had. Ten aanzien van de premiebetalingen aan de Turkse SGK overweegt de rechtbank dat de gemachtigde van eiser ter zitting heeft aangegeven dat eiser überhaupt geen SGK premies heeft afgedragen, hetgeen wordt bevestigd door de brief van Bureau Sociale Zaken Ankara (gedingstuk 87). Ook deze beroepsgrond kan eiser daarom niet baten. Verweerder kan verder het bilateraal verdrag tussen Turkije en Nederland niet hebben geschonden dat gaat over de erkenning van betaalde premies, als eiser geen premies heeft voldaan. Ook deze beroepsgrond slaagt niet. Verder overweegt de rechtbank dat eiser, ook desgevraagd ter zitting, niet heeft onderbouwd waarom verweerder de toepasselijkheid van verdragen en EU-regelgeving onvoldoende zou hebben onderzocht. Eiser verwijst naar verdragen en jurisprudentie onder vermelding van de algemene rechtsregel die daaruit voortvloeit, maar maakt niet aannemelijk waarom deze in het geval van eiser tot een andere conclusie zouden moeten leiden. Ook deze beroepsgrond slaagt daarom niet. Schending motiveringsbeginsel?
- Verder voert eiser aan dat verweerder het motiveringsbeginsel schendt, omdat zij de korting van 70% niet met een berekening onderbouwt, de niet-erkenning van SGK-jaren niet toetst aan internationale verdragen, het WAO-drempelinkomen niet op objectieve en controleerbare gegevens beoordeelt en onvoldoende rekening houdt met de feitelijke binding met Nederland.
- Verweerder voert aan zich niet te herkennen in de beroepsgrond en stelt voldoende rekening te hebben gehouden met deze omstandigheden.
- De rechtbank volgt eisers standpunten niet, omdat verweerder helder motiveert in welke tijdvakken eiser verzekerd is geweest en op welke wijze zij rekening houdt met de feitelijke binding met Nederland. Verder heeft de gemachtigde van eiser, zoals onder rechtsoverweging 7 hierboven reeds aangehaald, op de zitting erkend dat er geen sprake is geweest van het afdragen van premies in Turkije, hetgeen ook blijkt uit de brief van Bureau Sociale Zaken Ankara (gedingstuk 87). Tot slot onderbouwt eiser niet waarom verweerder het WAO-drempelinkomen niet op objectieve gegevens baseert. Ook deze beroepsgrond slaagt daarom niet. Schending besluit 3/80 van de Associatieraad EEG-Turkije?
- Eiser voert aan dat verweerder artikel 6, eerste lid, van Besluit 3/80 van de Associatieraad EEG-Turkije schendt. Volgens eiser mag verweerder op grond van dit verdrag geen korting toepassen wegens wonen buiten Nederland.
- Verweerder herkent zich niet in deze beroepsgrond.
- De rechtbank overweegt dat eiser miskent dat uit het arrest van de Hoge Raad van 10 juli 2009 volgt dat het door eiser aangehaalde artikel niet ziet op woonplaatseisen die binnen de volksverzekeringen worden gesteld aan het bestaan van verplichte verzekering. Ook deze beroepsgrond kan eiser daarom niet baten. Algemene beginselen van behoorlijk bestuur en hervestigingsintentie
- Tot slot voert eiser aan dat er meerdere algemene beginselen van behoorlijk bestuur zijn geschonden en eiser bovendien overweegt om zich weer duurzaam in Nederland te vestigen. Een onderbouwing van deze beroepsgronden laat eiser achterwege.
- Verweerder herkent zich niet in deze beroepsgrond.
- De rechtbank constateert dat eiser de vermeende schending van de algemene beginselen van behoorlijk bestuur niet onderbouwt en niet aannemelijk maakt dat deze zijn geschonden. De rechtbank gaat daarom ook aan deze beroepsgrond voorbij. Het feit dat eiser overweegt om zich weer duurzaam in Nederland te vestigen, kan hem naar het oordeel van de rechtbank ook niet baten. Het geschil ziet immers op de opbouw van zijn AOW-pensioen en eiser heeft de pensioenleeftijd al bereikt. Zijn AOW-pensioen kan derhalve niet hoger worden door zich nu weer in Nederland te vestigen. Heeft verweerder terecht een korting toegepast van 70%?
- Op grond van het bovenstaande komt de rechtbank tot het oordeel dat verweerder terecht een korting van 70% heeft toegepast op het maximale AOW-pensioenbedrag voor eiser. Eiser heeft geen gronden aangedragen die een ander oordeel rechtvaardigen.
- Het beroep van eiser slaagt niet. Conclusie en gevolgen
- Het beroep is ongegrond. Eiser krijgt het door hem betaalde griffierecht daarom niet terug en ontvangt ook geen vergoeding van zijn proceskosten. Beslissing De rechtbank verklaart het beroep ongegrond. Deze uitspraak is gedaan door mr. B.J. Mulder, rechter, in aanwezigheid van mr. S.S. Soylu, griffier. Uitgesproken in het openbaar op 3 december
- de griffier is buiten staat de uitspraak te ondertekenen rechter Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op: Informatie over hoger beroep Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Centrale Raad van Beroep waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Digitaal hoger beroep instellen kan via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan de Centrale Raad van Beroep, Postbus 16002, 3500 DA Utrecht. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Centrale Raad van Beroep vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen. Hoge Raad 10 juli 2009, LJN BJ1980, r.o. 3.4.