beslissing RECHTBANK AMSTERDAM Afdeling Publiekrecht Teams Strafrecht Parketnummer: 13/254921-24 (tussentijdse toetsing) Uitspraakdatum: 24 september 2025 De rechtbank Amsterdam heeft op 27 november 2024 de maatregel tot plaatsing in een instelling voor stelselmatige daders (hierna: ISD-maatregel) voor de duur van twee jaren opgelegd aan: [veroordeelde] , geboren te [geboorteplaats] ( [geboorteland] ) op [geboortedag] 1999, ingeschreven in de Basisregistratie Personen op het adres: [adres] in [P.I.] , en daar gedetineerd in de penitentiaire inrichting (hierna: P.I.) [P.I.] , hierna: veroordeelde. 1Procesgang De rechtbank heeft kennisgenomen van de stukken in de zaak met bovenvermeld parketnummer, waaronder: het vonnis van de rechtbank Amsterdam van 27 november 2024, waarbij de ISD-maatregel voor de duur van twee jaren aan veroordeelde is opgelegd; een Uittreksel Justitiële Documentatie (het strafblad) betreffende veroordeelde van 6 september2025; het verzoek op grond van artikel 6:6:14 lid 1 van het Wetboek van Strafvordering (hierna: Sv) van de veroordeelde en zijn raadsvrouw om een tussentijdse toetsing van de ISD-maatregel van 17 juni 2025; het adviesrapport van [P.I.] van 10 september
- De rechtbank heeft op 24 september 2025 de officier van justitie, mr. M.L. Firet, veroordeelde, de raadsvrouw van veroordeelde, mr. H.S.J. Pleiter, advocaat te Amsterdam, en de deskundige [persoon] , als senior-casemanager verbonden aan [P.I.] , op de openbare terechtzitting gehoord. 2Beoordeling Verloop van het ISD-traject Uit het toetsingsverslag van de [P.I.] van 10 september 2025 blijkt dat de ISD-maatregel op 12 december 2024 is gestart. Het afdelingspersoneel heeft aangegeven dat veroordeelde doorgaans positief aanwezig is. Ten aanzien van de veroordeelde zijn verschillende interventies opgestart. Tijdens het traject met de organisatie [naam organisatie 1] heeft veroordeelde betrouwbaarheid laten zien, heeft hij zich ontwikkeld door meer zijn gevoelens bespreekbaar te maken, meer naar zichzelf te kijken en is hij running therapie gestart. Samen met de interculturele organisatie [naam organisatie 2] is veroordeelde bezig om een perspectiefplan op te stellen. Ook neemt de veroordeelde deel aan het hondenproject. Veroordeelde heeft na binnenkomst in de P.I. te kennen gegeven zo snel mogelijk terug te willen keren naar Roemenië. Op dit moment is veroordeelde teruggezet in vrijheden na vermoedelijke handel in medicatie. Daarnaast is hij onder invloed aangetroffen in zijn cel. Op het moment van rapportage zijn deze incidenten nog in onderzoek. Naar het oordeel van [P.I.] is de ISD-maatregel op dit moment nog steeds noodzakelijk met het oog op het primaire doel, te weten beveiliging van de maatschappij. Op dit moment zijn er op verschillende leefgebieden nog onduidelijkheden en blijft het recidiverisico onverminderd hoog. Het is aan veroordeelde om zich van zijn positieve kant te laten zien en de reeds gestarte interventies af te ronden. Hierna kan, na verificatie van het perspectiefplan, een vertrekprocedure worden ingezet. Op grond daarvan adviseert de [P.I.] voortzetting van de ISD-maatregel. De deskundige [persoon] heeft het advies om de ISD-maatregel voort te zetten ter terechtzitting bevestigd. Daarbij heeft hij toegelicht dat het staand beleid is dat na één jaar DT&V een aanvraag tot opheffing van de ISD-maatregel kan doen omdat de vreemdeling kan terugkeren naar zijn land van herkomst. Het standpunt van en namens veroordeelde De raadsvrouw heeft namens veroordeelde verzocht om de ISD-maatregel per heden te beëindigen. Er worden geen zinvolle interventies meer ingezet. Veroordeelde wil graag terugkeren naar Roemenië en heeft geregeld dat hij daar bij zijn oma kan verblijven. Om die reden heeft veroordeelde ook niet het besluit tot zijn ongewenstverklaring aangevochten. Het standpunt van de officier van justitie De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de ISD-maatregel dient te worden voortgezet. De interventies zijn relatief recent opgestart en zijn op dit moment nog noodzakelijk voor het bereiken van het doel van gedragsverandering bij veroordeelde. Om die reden is het nu nog te vroeg om de maatregel te beëindigen. Het oordeel van de rechtbank De rechtbank dient in het kader van de onderhavige procedure te beoordelen of voortzetting van de tenuitvoerlegging van de ISD-maatregel noodzakelijk is. In artikel 38m lid 2 van het Wetboek van Strafrecht is bepaald dat de ISD-maatregel strekt tot beveiliging van de maatschappij en de beëindiging van de recidive van verdachte. Op grond van artikel 6:6:14 van het Wetboek van Strafvordering moet in dat kader worden vastgesteld of opheffing van de maatregel zal leiden tot te verwachten onveiligheid, overlast of verloedering van het publieke domein. Daarna moet worden bezien of verdere voortzetting van de maatregel niet zinvol is door een omstandigheid die buiten de macht van veroordeelde ligt. Op grond van de hierboven genoemde stukken en het verhandelde op de openbare terechtzitting stelt de rechtbank vast dat veroordeelde goed heeft meegewerkt aan de trajecten die hem binnen de maatregel zijn geboden. Er is sprake van een positieve gedragsverandering. Omdat veroordeelde gedurende de maatregel ongewenst is verklaard, kan er geen invulling worden gegeven aan een extramuraal traject, gericht op terugkeer in de Nederlandse samenleving. Veroordeelde heeft vanaf de aanvang van de maatregel te kennen gegeven dat hij zo snel mogelijk terug wil keren naar Roemenië en stelt zich bij de gesprekken met DT&V meewerkend op. De rechtbank acht het van belang dat de interventies die nog bezig zijn, worden afgerond en en dat de terugkeer naar Roemenië goed wordt geregeld, zodat veroordeelde daar een zachte landing heeft. Zodra aan die twee voorwaarden is voldaan, is er geen noodzaak meer voor de verdere tenuitvoerlegging van de ISD-maatregel. Om die reden zal de rechtbank de ISD-maatregel beëindigen per 1 januari
- Daarom wordt als volgt beslist. Gezien artikel 6:6:14 van het Wetboek van Strafvordering. 3Beslissing De rechtbank beëindigt de ISD-maatregel van [veroordeelde] met ingang van 1 januari
- Deze beslissing is gegeven door mr. I. Timmermans, voorzitter, mr. G. Beunk en mr. J.C.E. Krikke, rechters, in tegenwoordigheid van mr. F.E. Leopold, griffier, en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank van 24 september 2025.