vonnis RECHTBANK AMSTERDAM Afdeling Publiekrecht Teams Strafrecht Parketnummer: 13/191691-23 Parketnummer vordering tenuitvoerlegging: 10/005476-24 Datum uitspraak: 22 januari 2025 Vonnis van de rechtbank Amsterdam, meervoudige kamer voor de behandeling van strafzaken, in de zaak tegen: [verdachte] , geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag 1] 1998, postadres zoals door verdachte opgegeven ter terechtzitting: [adres 1] , gedetineerd in het [detentieadres] . 1Het onderzoek ter terechtzitting Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van 8 januari
- De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie, mr. M.L. Vermeulen, en van wat verdachte en zijn raadsman, mr. B. Hartman, naar voren hebben gebracht. 2Tenlastelegging Aan verdachte is – kort gezegd en na wijziging op de zitting – ten laste gelegd dat hij zich heeft schuldig gemaakt aan: Feit 1: de handel als bedoeld in artikel 9 van de Wet wapens en munitie in vuurwapens en/of munitie van categorie II en/of III samen met een ander en van welk feit verdachte een beroep of gewoonte heeft gemaakt, in de periode van 10 mei 2022 tot en met 9 juli 2024, althans in de periode van 10 mei 2022 tot en met 5 augustus 2022 en/of van 29 januari 2023 tot en met 22 februari 2023 in Amsterdam/Rotterdam/Capelle aan den IJssel, althans in Nederland; Feit 2: het samen met een ander voorhanden hebben van drie vuurwapens en een hoeveelheid munitie van categorie II en drie vuurwapens en een hoeveelheid munitie van categorie III, in de periode van 29 december 2022 tot en met 22 februari 2023 in Amsterdam/Rotterdam/Capelle aan den IJssel/Almere, althans in Nederland; Feit 3: het voorhanden hebben van patroonmagazijnen van het merk UTG, type/model 33-schots polymeer patroonmagazijn, zijnde onderdelen die specifiek bestemd zijn voor pistolen van het merk Glock, kaliber 9mm x 19 op 9 juli 2024 in Capelle aan den IJssel. De volledige tenlastelegging is opgenomen in bijlage I, die aan dit vonnis is gehecht en geldt als hier ingevoegd. 3Waardering van het bewijs 3.1 Inleiding Op 11 augustus 2022 vindt omstreeks 22:00 uur een schietincident plaats in een woning in Amsterdam-Zuidoost, waarbij meerdere personen betrokken zijn. In de woning wordt een telefoon aangetroffen van medeverdachte [medeverdachte] . Bij zijn aanhouding worden nog meer telefoons in beslag genomen. Op deze telefoons worden verschillende foto’s en filmpjes van voorwerpen die op vuurwapens en munitie lijken, aangetroffen. Ook vindt de politie daarop verschillende chatgesprekken die over vuurwapenhandel lijken te gaan. Naar aanleiding van deze bevindingen ontstaat het vermoeden dat een aantal van de chatgesprekken over vuurwapenhandel op deze telefoons gevoerd is met verdachte. De vraag die de rechtbank moet beantwoorden, is of verdachte zich samen met een ander in de tenlastegelegde periode heeft schuldig gemaakt aan vuurwapenhandel. Daarnaast is de vraag of verdachte (al dan niet in vereniging) verschillende soorten wapens, munitie en onderdelen van wapens voorhanden heeft gehad. 3.2 Het standpunt van het Openbaar Ministerie Feit 1 De officier van justitie vindt dat bewezen kan worden dat verdachte in de perioden van 10 mei 2022 tot en met 5 augustus 2022 en van 29 januari 2023 tot en met 22 februari 2023 heeft gehandeld in vuurwapens en munitie met medeverdachte [medeverdachte] . De rol van verdachte bestond uit het maken van afspraken voor de transacties met betrekking tot deze wapens en munitie. Verdachte heeft daar ook een beroep of gewoonte van gemaakt, gelet op de rechtspraak van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden van 26 oktober 2017 (ECLI:NL:GHARL:2017:9295). Op 9 juli 2024 zijn in de woning van de vriendin van verdachte tien patroonmagazijnen aangetroffen. Nu uit de chatgesprekken niet is gebleken dat verdachte in de tenlastegelegde periode deze patroonmagazijnen heeft verhandeld, dient voor dit deel van de tenlastegelegde periode gedeeltelijke vrijspraak te volgen. Feit 2 Daarnaast vindt de officier van justitie dat bewezen kan worden dat verdachte in de tenlastegelegde periode meerdere wapens van categorie II en categorie III voorhanden heeft gehad. Het gaat daarbij om de Micro Uzi, de High Power (of afgeleide daarvan), de Makarov en de Blow TR914
- Deze heeft verdachte samen met medeverdachte [medeverdachte] voorhanden gehad. Verder is er een screenshot waarop verdachte te zien is met een revolver in zijn handen. Gelet op een chatbericht van 3 februari 2023 van [medeverdachte] aan verdachte, waarin hij hem vraagt of ‘die 38’ nog weg moet, meent de officier van justitie dat verdachte deze revolver rond die datum (en dus in de tenlastegelegde periode) voorhanden moet hebben gehad. Ten aanzien van de Zastava M70 en de munitie, heeft de officier van justitie verzocht om verdachte gedeeltelijk vrij te spreken nu uit het dossier niet is gebleken wanneer verdachte deze goederen voorhanden heeft gehad. Feit 3 Tot slot vindt de officier van justitie dat het onder feit 3 ten laste gelegde kan worden bewezen. 3.3 Het standpunt van de verdediging Feit 1 De raadsman heeft gesteld dat het dossier geen bewijs bevat dat verdachte zich samen met [medeverdachte] schuldig heeft gemaakt aan vuurwapenhandel, nu de chatberichten in het dossier niet worden ondersteund door een ander bewijsmiddel. Er zijn weliswaar foto’s aangetroffen waarop verdachte te zien is, terwijl hij diverse vuurwapens vasthoudt, maar dat deze door hem zouden zijn aangekocht of verhandeld volgt onvoldoende uit het dossier. Om dezelfde reden kan niet worden vastgesteld dat er sprake was van een nauwe en bewuste samenwerking tussen verdachte en medeverdachte [medeverdachte] , laat staan dat er sprake was van het maken van een beroep of gewoonte van een dergelijke handel. Voor zover er wel wapens zouden zijn verhandeld, kan niet worden bewezen dat dit in de tenlastegelegde periode is gebeurd. Verdachte moet dan ook van dit feit worden vrijgesproken. Feit 2 Ook ten aanzien van feit 2, moet verdachte worden vrijgesproken. Het dossier bevat foto’s waarop verdachte te zien is die ogenschijnlijk vuurwapens in zijn hand heeft. Op basis van enkel deze foto’s kunnen de wapens echter niet worden gecategoriseerd als vuurwapens in de zin van de Wet wapens en munitie. Daar komt bij dat ook niet bewezen kan worden dat verdachte deze wapens in de tenlastegelegde periode voorhanden heeft gehad. Tot slot kan niet worden vastgesteld dat sprake is van medeplegen, nu verdachte geen opzet heeft gehad op het voorhanden hebben van de wapens die medeverdachte [medeverdachte] bij zich droeg. Feit 3 De verdediging heeft zich ten aanzien van dit feit gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank. 3.4 Het oordeel van de rechtbank Feit 1 De rechtbank acht bewezen dat verdachte in de periode van 10 mei 2022 tot en met 9 juli 2024 in Nederland samen met een ander heeft onderhandeld over transacties met betrekking tot vuurwapens en munitie. De rechtbank overweegt daartoe als volgt. In de telefoons van [medeverdachte] (goednummers: 6222221 en 6305302) zijn chatgesprekken op Snapchat met het account [accountnaam 1] en op Signal met het account [accountnaam 2] aangetroffen. Uit het opsporingsonderzoek en uit de verklaring van verdachte ter terechtzitting volgt dat verdachte de gebruiker van deze accounts is. In een chatgesprek van 10 mei 2022 tot 5 augustus 2022 wordt op Snapchat tussen het account [accountnaam 3] (medeverdachte [medeverdachte] ) en [accountnaam 1] (verdachte) gesproken over wapens en mogelijke aan- of verkoop daarvan. In een chatgesprek van 29 januari 2023 tot 22 februari 2023 wordt op Signal tussen het account [accountnaam 4] (medeverdachte [medeverdachte] ) en [accountnaam 2] (verdachte) gesproken over de vermoedelijke aankoop van zes vuurwapens, een revolver, verschillende wapens en prijzen en g-tjes. Ook worden in dit gesprek verschillende foto’s en filmpjes verstuurd door [medeverdachte] naar verdachte waarop wapens te zien zijn. Verdachte heeft verklaard dat de chatberichten over vuurwapens slechts ‘stoerdoenerij’ zouden zijn geweest en dat hij niet daadwerkelijk heeft gehandeld in vuurwapens. De rechtbank acht deze verklaring niet aannemelijk. De chatberichten beslaan in totaal een periode van vier maanden. Binnen deze periode hebben verdachte en medeverdachte [medeverdachte] elkaar een groot aantal berichten gestuurd over verschillende soorten en hoeveelheden (zware) wapens en munitie. Er wordt gesproken over verschillende kopers, inkoop- en verkoopprijzen en welke wapens op voorraad zijn. Het taalgebruik in- en de aard en de hoeveelheid van deze berichten wijzen er in geen enkel opzicht op dat het hier slechts om stoerdoenerij zou gaan. Daarvoor zijn de berichten te concreet. Daarbij komt dat op 9 juli 2024 tien nieuw verpakte patroonmagazijnen zijn aangetroffen in de woning van de vriendin van verdachte. Daaruit leidt de rechtbank af dat niet slechts sprake was stoerdoenerij; er is ook daadwerkelijk een handelsvoorraad aangetroffen. Dit alles maakt de verklaring van de verdachte onaannemelijk. Dat uit het dossier niet blijkt van een daadwerkelijke koop van wapens , zoals de raadsman heeft betoogd, doet aan het voorgaande niet af. Uit de chatberichten blijkt dat de rol van verdachte bestond uit het vinden van kopers voor de wapens en munitie en het regelen van de transacties ervan. Verdachte heeft met medeverdachte [medeverdachte] berichten uitgewisseld over de aankoop, verkoop en levering van deze goederen. Voor een bewezenverklaring is een daadwerkelijke transactie niet vereist. Het verweer van de raadsman slaagt niet. Gelet op het aantreffen van die handelsvoorraad komt de rechtbank dan ook – anders dan de officier van justitie en de raadsman – tot een bewezenverklaring van de gehele tenlastegelegde periode. Niet kan worden vastgesteld dat sprake is geweest van het maken van een beroep of gewoonte van deze handel nu de periode van vier maanden waarin verdachte deze berichten heeft uitgewisseld te kort is om daarvan te kunnen spreken. Verdachte zal dan ook van dit deel van de tenlastelegging worden vrijgesproken. Feit 2 De rechtbank is ook van oordeel dat bewezen kan worden dat verdachte samen met een ander op 30 december 2022 in Nederland twee wapens van categorie II en twee wapens van categorie III voorhanden heeft gehad. Op de telefoon met goednummer 6305300 is een filmpje aangetroffen met bestandsnaam IMG_
- Dit bestand is aangemaakt op 30 december
- Hierop zijn twee personen te zien die elk twee vuurwapens vasthebben en die door verbalisanten zijn herkend als [medeverdachte] en verdachte,. De wapens zijn door een deskundige herkend als een Micro Uzi, een High Power (of afgeleide daarvan), een Makarov en een Blow TR914
- Dat een betrouwbare herkenning door een wapendeskundige van deze wapens op beeldmateriaal niet mogelijk zou zijn, is door de raadsman niet onderbouwd. De rechtbank ziet dan ook geen reden om te twijfelen aan de conclusies van de deskundige in de wapenrapporten en neemt deze conclusies over. Op het filmpje is te zien dat verdachte samen met medeverdachte [medeverdachte] met de vuurwapens in hun handen staan. Daarmee is zowel de wetenschap als de beschikkingsmacht van verdachte over alle vier de wapens gegeven. Dit is anders met betrekking tot de Zastava M70, de revolver en de munitie, omdat niet kan worden vastgesteld dat verdachte daarover beschikkingsmacht had in de tenlastegelegde periode. Op één van de telefoons is een screenshot van een foto gevonden waarop een persoon te zien is met een wapen dat is herkend als een Zastava M70 kaliber 7.62 x 39 millimeter. Deze persoon is door een verbalisant herkend als verdachte. De aanmaakdatum van dit screenshot is 18 januari
- Uit het dossier blijkt echter niet wanneer de foto zelf is gemaakt. Hetzelfde geldt voor de beelden van de munitie en de revolver. Binnen een ander opsporingsonderzoek is een screenshot van één van deze foto’s met de revolver aangetroffen, waarvan de aanmaakdatum 18 januari 2023 is. Ook hier geldt dat uit het dossier niet blijkt wanneer de foto zelf is gemaakt. Het door de officier van justitie genoemde chatbericht van 3 februari 2023 maakt dat niet anders, nu de foto met de revolver niet datzelfde chatgesprek is verstuurd. Ook ten aanzien van dit onderdeel zal verdachte daarom worden vrijgesproken. Feit 3 Met de officier van justitie is de rechtbank van oordeel dat het onder feit 3 tenlastegelegde kan worden bewezen. Bij de aanhouding van verdachte in de woning van zijn vriendin in [plaatsnaam] is diezelfde woning doorzocht. Daarbij zijn in de berging tien nieuwe patroonmagazijnen aangetroffen. De vriendin van verdachte heeft verklaard dat zij geen sleutels van de berging heeft, dat verdachte die in zijn bezit had en dat alleen de spullen van verdachte in de berging staan. De aangetroffen patroonmagazijnen zijn gekwalificeerd als onderdeel van een vuurwapen van categorie III en zijn specifiek bestemd voor en van wezenlijke aard voor een pistool van het merk Glock van het kaliber 9mm x
- 4Bewezenverklaring De rechtbank acht op grond van de in bijlage II opgenomen bewijsmiddelen bewezen dat verdachte: Feit 1: op meerdere tijdstippen in de periode van 10 mei 2022 tot en met 9 juli 2024 in Nederland, meermalen tezamen en in vereniging met een of meer anderen telkens zonder erkenning wapens van categorie II en categorie III en munitie van categorie II en/of III, heeft onderhandeld over transacties en/of transacties heeft geregeld voor de aankoop en verkoop en levering van wapens en onderdelen van wapens en munitie, immers heeft verdachte onderhandeld over de aankoop, verkoop of levering van wapens en munitie van categorie II en III door: - afbeeldingen en/of filmmateriaal van vuurwapens en/of onderdelen en/of munitie naar een persoon te verzenden en - afspraken te maken over de aankoop en/of verkoop en/of vraagprijs en/of beschikbaarheid van deze wapens en/of onderdelen van deze wapens en/of munitie en - wapens van voornoemde categorieën beschikbaar te hebben en/of onder zich te hebben; Feit 2: op 30 december 2022 in Nederland tezamen en in vereniging met een ander , wapens van categorie II onder 2 van de Wet wapens en munitie, te weten: - een Micro Uzi en - een Blow TR 914 02 en wapens van categorie III onder 1 van de Wet wapens en munitie, te weten - een Highpower (of afgeleide ervan) en - een Makarov voorhanden heeft gehad; Feit 3: op 9 juli 2024 te Capelle aan den IJssel onderdelen van een vuurwapen in de zin van artikel 1 onder 3 jo. artikel 3 lid 1, als bedoeld in artikel 2, lid 1 van categorie III, onder 1 van de Wet wapens en munitie, te weten meerdere patroonmagazijnen van het merk UTG, type/model 33-schots polymeer patroonmagazijn, zijnde onderdelen die specifiek bestemd zijn voor pistolen van het merk Glock, kaliber 9mm x 19 (synoniem 9mm Luger), zijnde een vuurwapen, voorhanden heeft gehad. Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten staan, zijn deze verbeterd. Verdachte is hierdoor niet in de verdediging geschaad. 5De strafbaarheid van de feiten De bewezen geachte feiten zijn volgens de wet strafbaar. Het bestaan van een rechtvaardigingsgrond is niet aannemelijk geworden. 6De strafbaarheid van verdachte Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit. Verdachte is dan ook strafbaar. 7Motivering van de straf 7.1 Het standpunt van het Openbaar Ministerie De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte voor de door haar onder 1, 2 en 3 bewezen geachte feiten zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf van vier jaren met aftrek van voorarrest, waarvan twee jaren voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaren. Aan de proeftijd dienen de bijzondere voorwaarden te worden gekoppeld, zoals geadviseerd door de reclassering. 7.2 Het strafmaatverweer van de verdediging De raadsman heeft de rechtbank verzocht om, bij een eventuele bewezenverklaring, de eis van de officier van justitie te matigen. Deze eis komt overeen met de straf die aan medeverdachte [medeverdachte] is opgelegd door deze rechtbank, terwijl de medeverdachte voor meer en ernstigere feiten is veroordeeld. Daar komt bij dat verdachte openstaat voor hulp van de reclassering en gemotiveerd is om na zijn vrijlating weer een opleiding te gaan volgen. Om die reden heeft de raadsman de rechtbank verzocht een straf op te leggen waarvan het onvoorwaardelijke deel gelijk is aan het voorarrest. 7.3 Het oordeel van de rechtbank De hierna te noemen strafoplegging is in overeenstemming met de ernst van het bewezen geachte, de omstandigheden waaronder dit is begaan en de persoon van verdachte, zoals daarvan ter terechtzitting is gebleken. De rechtbank heeft bij de keuze tot het opleggen van een vrijheidsbenemende straf en bij de vaststelling van de duur daarvan in het bijzonder het volgende laten meewegen. Ernst van de feiten Verdachte heeft gedurende ongeveer acht maanden gehandeld in vuurwapens en heeft een deel van deze wapens in zijn bezit gehad. Daarnaast heeft hij een handelsvoorraad aan patroonhouders voorhanden gehad. Het ongecontroleerde bezit van en handelen in (onderdelen van) vuurwapens vormt een onaanvaardbaar risico voor de veiligheid van personen en heeft een enorme maatschappelijke impact. Verdachte heeft wapens in het maatschappelijke verkeer gebracht, waarbij hij slechts heeft gedacht aan zijn eigen financieel gewin. Wapens worden vaak ingezet bij criminele activiteiten, waarbij de kans op slachtoffers zeer groot is. Dat blijkt ook uit het feit dat het opsporingsonderzoek naar verdachte is ingesteld naar aanleiding van een schietpartij in 2022 in Amsterdam-Zuidoost. Daarbij komt dat juist in Amsterdam sprake is van een zorgwekkende toename van vuurwapengeweld, dat de laatste jaren tot veel slachtoffers heeft geleid. De rechtbank rekent dit verdachte aan. Persoon van verdachte De rechtbank heeft acht geslagen op het Uittreksel Justitiële Documentatie (het strafblad) van verdachte van 3 december
- Hieruit blijkt dat verdachte in de afgelopen vijf jaren eerder is veroordeeld voor overtreding van de Wet wapens en munitie. Daarnaast heeft de rechtbank gekeken naar het reclasseringsadvies van 24 december 2024 van Reclassering Inforsa. Hieruit blijkt, kort samengevat, het volgende. Verdachte is langdurig bekend bij de (jeugd)reclassering en hulpverlening en heeft verschillende trajecten inclusief behandelingen gevolgd. Verdachte heeft de afgelopen jaren stappen gemaakt en lijkt enerzijds gemotiveerd zijn leven op de rit te krijgen en te werken aan zijn toekomst, anderzijds blijft hij recidiveren. Het eerdere en huidige delictgedrag is gerelateerd aan een negatief sociaal netwerk, het verkrijgen van financieel gewin, gebrekkige impulscontrole en gebrekkige oplossingsgerichte vaardigheden. Het negatieve sociale netwerk legt een grote druk op verdachte; hij heeft een bepaalde image en voelt veel druk om aan dit image te voldoen. Verdachte is wisselend woonachtig bij zijn partner en familie. Verdachte beschikt niet over startkwalificaties; hij was voorafgaand aan zijn aanhouding bezig met een opleiding. Er is weinig zicht op zijn financiële situatie. Onduidelijk is of verdachte hierover openheid van zaken geeft. De band met zijn familie is een beschermende factor. De reclassering acht een plaatsing in een beschermd dan wel begeleid wonen-instelling buiten de sociale omgeving van verdachte wenselijk, alsmede behandeling gericht op delictanalyse, het versterken van zijn vaardigheden, het leren weren van zijn negatieve sociale omgeving, waarbij aandacht is voor zijn ADHD-problematiek. Verdachte staat hiervoor open. De risico’s op recidive, letsel en onttrekking aan voorwaarden worden respectievelijk ingeschat als hoog, gemiddeld tot hoog en laag. De reclassering adviseert een (deels) voorwaardelijke straf met de volgende bijzondere voorwaarden: een meldplicht, ambulante behandeling, begeleid wonen of maatschappelijke opvang, een contactverbod met medeverdachte [medeverdachte] , meewerken aan dagbesteding en meewerken aan schuldhulpverlening. Er zijn geen contra-indicaties voor het opleggen van een onvoorwaardelijke gevangenisstraf, taakstraf of een financiële sanctie. Strafoplegging Alles afwegende komt de rechtbank tot de volgende straf. De rechtbank zal aan verdachte een gevangenisstraf voor de duur van 36 maanden met aftrek van het voorarrest opleggen, waarvan 18 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaren. Daaraan zullen de door de reclassering geadviseerde bijzondere voorwaarden worden gekoppeld, met uitzondering van de voorwaarde die ziet op het verplicht innemen van medicatie. Uit het reclasseringsadvies van 24 december 2024 volgt niet dat het opleggen van deze voorwaarde noodzakelijk is. De rechtbank ziet aanleiding om van de eis van de officier van justitie in strafverlagende zin af te wijken, omdat aan medeverdachte [medeverdachte] een met deze eis overeenkomende straf is opgelegd voor meer strafbare feiten dan waarvoor verdachte wordt veroordeeld. Ook komt de rechtbank tot een andere bewezenverklaring van het tenlastegelegde feit
- 8Beslag Onder verdachte zijn de volgende voorwerpen in beslag genomen: Eén telefoontoestel (zwart, iPhone, goednummer: 6525303); Eén telefoontoestel (blauw, Apple, goednummer: 6525414); Eén telefoontoestel (grijs, Apple, goednummer: 6525432); Eén telefoontoestel (Motorola, goednummer: 6525436); Eén rugzak (zwart, Battleton, goednummer: 6525466); Eén computer (zwart, Rog Strix, goednummer: 6525482); Eén computer (grijs, HP, goednummer: 6525659); Eén computer (grijs, HP, goednummer: 6525665); Tien patroonhouders (goednummer: 6525438). Zowel de officier van justitie als de raadsman hebben zich op het standpunt gesteld dat de goederen onder nummers 1 tot en met 8 moeten worden geretourneerd aan verdachte en dat het goed onder nummer 9 moet worden onttrokken aan het verkeer. Verbeurdverklaring Het voorwerp onder nummer 9 behoort aan verdachte toe. Nu met betrekking tot dit voorwerp het onder feit 1 en 3 bewezen geachte is begaan, wordt dit voorwerp verbeurdverklaard. Teruggave De rechtbank is van oordeel dat de inbeslaggenomen en niet teruggegeven voorwerpen onder nummers 1 tot en met 8 moeten worden teruggegeven aan verdachte. Een relatie met de door verdachte gepleegde strafbare feiten kan naar het oordeel van de rechtbank niet worden vastgesteld. 9Tenuitvoerlegging voorwaardelijke veroordeling Bij de stukken bevindt zich de op 2 september 2024 ter griffie van deze rechtbank ontvangen vordering van de officier van justitie in het arrondissement Amsterdam, in de zaak met parketnummer 10/005476-24, betreffende het onherroepelijk geworden vonnis van 10 januari 2024 van de politierechter in Rotterdam, waarbij verdachte onder meer is veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van twee maanden, met bevel dat deze straf niet zal worden ten uitvoer gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten op grond dat veroordeelde zich voor het einde van een op 23 januari 2026 bepaalde proeftijd aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt. Tevens bevindt zich bij de stukken een geschrift waaruit blijkt dat de mededeling als bedoeld in artikel 366a van het Wetboek van Strafvordering aan verdachte per post is toegezonden. Gebleken is dat verdachte zich voor het einde van voornoemde proeftijd aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt, zoals naar voren komt uit de verdere inhoud van dit vonnis. De rechtbank ziet hierin aanleiding de gehele tenuitvoerlegging van die voorwaardelijke straf te gelasten. 10Toepasselijke wettelijke voorschriften De op te leggen straffen zijn gegrond op de artikelen 14a, 14b, 14c, 33, 33a, 47, 55 en 57 van het Wetboek van Strafrecht en op de artikelen 3, 9, 26 en 55 van de Wet wapens en munitie. 11Beslissing De rechtbank komt op grond van het voorgaande tot de volgende beslissing. Verklaart bewezen dat verdachte het ten laste gelegde heeft begaan zoals hiervoor in rubriek 4 is vermeld. Verklaart niet bewezen wat aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor is bewezen verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij. Het bewezen verklaarde levert op: Ten aanzien van feit 1: het medeplegen van het handelen in strijd met artikel 9, eerste lid, van de Wet wapens en munitie en het feit begaan met betrekking tot een wapen van categorie II en een vuurwapen van categorie III, strafbaar gesteld bij artikel 55, derde lid, onderdeel a van de Wet wapens en munitie. Ten aanzien van feit 2: het medeplegen van het handelen in strijd met artikel 26, eerste lid, van de Wet wapens en munitie en het feit begaan met betrekking tot een wapen van categorie II en een vuurwapen van categorie III; Ten aanzien van feit 3: handelen in strijd met artikel 26, eerste lid, van de Wet wapens en munitie en het feit begaan met betrekking tot een vuurwapen van categorie III. Verklaart het bewezene strafbaar. Verklaart verdachte, [verdachte], daarvoor strafbaar. Veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 36 (zesendertig) maanden. Beveelt dat de tijd die door veroordeelde voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en in voorlopige hechtenis is doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van die straf in mindering gebracht zal worden. Bepaalt dat een gedeelte, groot 18 (achttien) maanden, van deze gevangenisstraf niet ten uitvoer gelegd zal worden, tenzij later anders wordt bevolen. Stelt daarbij een proeftijd van 2 (twee) jaren vast. De tenuitvoerlegging kan worden bevolen als de veroordeelde zich voor het einde van de proeftijd schuldig maakt aan een strafbaar feit. De tenuitvoerlegging kan ook worden bevolen als de veroordeelde gedurende de proeftijd niet aan de hierna vermelde bijzondere voorwaarden voldoet. Stelt als bijzondere voorwaarden dat: Meldplicht bij reclassering veroordeelde zich binnen drie dagen na het ingaan van de proeftijd meldt bij Reclassering op het adres [adres 2] . Veroordeelde blijft zich melden op afspraken met de reclassering, zo vaak en zolang de reclassering dat nodig vindt; Ambulante behandeling veroordeelde zich laat behandelen door De Waag of een soortgelijke zorgverlener, te bepalen door de reclassering. De behandeling duurt de gehele proeftijd of zoveel korter als de reclassering nodig vindt. Veroordeelde houdt zich aan de huisregels en de aanwijzingen die de zorgverlener geeft voor de behandeling; Begeleid wonen of maatschappelijke opvang veroordeelde verblijft in Exodus of een andere instelling voor beschermd wonen of maatschappelijke opvang, te bepalen door de reclassering. Het verblijf duurt de gehele proeftijd of zoveel korter als de reclassering nodig vindt. Veroordeelde houdt zich aan de huisregels en het dagprogramma dat de instelling in overleg met de reclassering voor hem heeft opgesteld. Contactverbod veroordeelde op geen enkele wijze – direct of indirect – contact heeft of zoekt met medeverdachte [medeverdachte] , geboren op [geboortedag 2] 1999, zolang het Openbaar Ministerie dit verbod nodig vindt; Dagbesteding veroordeelde zich inspant voor het vinden en behouden van betaald werk, onbetaald werk en/of vrijetijdsbesteding, met een vaste structuur; Meewerken aan schuldhulpverlening veroordeelde meewerkt aan het aflossen van zijn schulden en het treffen van afbetalingsregelingen, ook als dit inhoudt meewerken aan schuldhulpverlening in het kader van de Wet Schuldsanering Natuurlijke Personen. Veroordeelde geeft de reclassering inzicht in zijn financiën en schulden. Geeft aan de reclassering de opdracht als bedoeld in artikel 14c, zesde lid, van het Wetboek van Strafrecht toezicht te houden op de naleving van de voorwaarden en de veroordeelde ten behoeve daarvan te begeleiden. Voorwaarden daarbij zijn dat de veroordeelde gedurende de proeftijd ten behoeve van het vaststellen van zijn identiteit medewerking zal verlenen aan het nemen van een of meer vingerafdrukken of een identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht ter inzage aanbiedt; medewerking verleent aan het reclasseringstoezicht, bedoeld in artikel 14c, zesde lid, van het Wetboek van Strafrecht, daaronder begrepen de medewerking aan huisbezoeken en het zich melden bij de reclassering zo vaak en zolang als de reclassering dit noodzakelijk acht. Verklaart verbeurd: - Tien patroonhouders (goednummer: 6525438). Gelast de teruggave aan [verdachte] van: Eén telefoontoestel (zwart, iPhone, goednummer: 6525303); Eén telefoontoestel (blauw, Apple, goednummer: 6525414); Eén telefoontoestel (grijs, Apple, goednummer: 6525432); Eén telefoontoestel (Motorola, goednummer: 6525436); Eén rugzak (zwart, Battleton, goednummer: 6525466); Eén computer (zwart, Rog Strix, goednummer: 6525482); Eén computer (grijs, HP, goednummer: 6525659); Eén computer (grijs, HP, goednummer: 6525665). Gelast de tenuitvoerlegging van de bij genoemd vonnis 10 januari 2024 opgelegde voorwaardelijke straf, namelijk een gevangenisstraf voor de duur van 2 (twee) maanden. Dit vonnis is gewezen door mr. R.A. Overbosch, voorzitter, mr. M.C.H. Broesterhuizen en mr. M. Bakhuis, rechters, in tegenwoordigheid van mr. Ç.H. Dede, griffier, en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank van 22 januari
- […] […]