vonnis RECHTBANK AMSTERDAM Team Familie & Jeugd Parketnummers: 13.094356.25 (zaak A) en 13.395781.24 (zaak B) Datum uitspraak: 13 november 2025 Verkort vonnis van de rechtbank Amsterdam, meervoudige strafkamer, in de zaken tegen [verdachte] , geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag 1] 2008, wonende op het [adres] . 1Onderzoek ter terechtzitting De rechtbank heeft beraadslaagd naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting achter gesloten deuren van 30 oktober 2025. De rechtbank heeft de zaken, die bij afzonderlijke dagvaardingen onder de bovenvermelde parketnummers zijn aangebracht, ter zitting gevoegd. Deze zaken worden hierna als respectievelijk zaak A en zaak B aangeduid. De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie mr. M. Braber en van wat verdachte en zijn raadsvrouw mr. E.M.C. van Nielen naar voren hebben gebracht. Daarnaast heeft de rechtbank kennisgenomen van wat onder meer door [persoon 1] , namens de Raad voor de Kinderbescherming (hierna: de Raad), [persoon 2] , namens Jeugdbescherming Regio Amsterdam (hierna: JBRA), [persoon 3] namens Levvel en [persoon 4] namens De Waag naar voren is gebracht. 2Tenlastelegging Aan verdachte is, kort gezegd, ten laste gelegd dat hij zich schuldig heeft gemaakt aan: Zaak A: ten aanzien van het onder 1 ten laste gelegde: poging tot afpersing van een telefoon van [slachtoffer 1] op 13 oktober 2024 te [plaats 1] ; ten aanzien van het onder 2 ten laste gelegde: diefstal van een schoen (merk New Balance) van [slachtoffer 1] op 13 oktober 2024 te [plaats 1] ; ten aanzien van het onder 3 ten laste gelegde: primair: afpersing in vereniging van een telefoon en/of een jas van [slachtoffer 2] op 30 november 2024 te [plaats 1] ; subsidiair: diefstal met geweld en/of bedreiging met geweld in vereniging van een telefoon en/of een jas van [slachtoffer 2] op 30 november 2024 te [plaats 1] ; meer subsidiair: poging tot afpersing in vereniging van een telefoon en/of een jas van [slachtoffer 2] op 30 november 2024 te [plaats 1] ; meest subsidiair: poging tot diefstal met geweld en/of bedreiging met geweld in vereniging van een telefoon en/of een jas van [slachtoffer 2] op 30 november 2024 te [plaats 1] ; ten aanzien van het onder 4 ten laste gelegde: primair: afpersing in vereniging van een of meer telefoons en/of airpods en/of een of meerdere jassen van [slachtoffer 3] op 15 februari 2025 en/of van [slachtoffer 4] op 23 maart 2025 en/of van [slachtoffer 5] op 25 maart 2025 te [plaats 1] ; subsidiair: diefstal met geweld en/of bedreiging met geweld in vereniging van een of meer telefoons en/of airpods en/of een of meerdere jassen van [slachtoffer 3] op 15 februari 2025 en/of van [slachtoffer 4] op 23 maart 2025 en/of van [slachtoffer 5] op 25 maart 2025 te [plaats 1] ; ten aanzien van het onder 5 ten laste gelegde: primair: diefstal van een fatbike (Ouxi V8) van [slachtoffer 6] op 26 maart 2025 te [plaats 1] ; subsidiair: verduistering van een fatbike (Ouxi V8) van [slachtoffer 6] op 26 maart 2025 te [plaats 1] ; ten aanzien van het onder 6 ten laste gelegde: het voorhanden hebben van een wapen van de categorie II onder 5 van de Wet wapens en munitie, te weten een stroomstootwapen, op 1 april 2025 te [plaats 1] ; Zaak B: mishandeling van [slachtoffer 7] door die [slachtoffer 7] tegen het gezicht, in elk geval tegen het lichaam, te slaan en/of te stompen op 21 september 2024 te [plaats 1] . De volledige tenlasteleggingen zijn opgenomen in bijlage I bij dit vonnis en gelden als hier ingevoegd. 3Voorvragen De dagvaardingen zijn geldig, deze rechtbank is bevoegd tot kennisneming van de ten laste gelegde feiten en de officier van justitie is ontvankelijk. Er zijn geen redenen voor schorsing van de vervolging. 4Waardering van het bewijs Zaak A 4.1. Feiten 1 tot en met 4 4.1.1. Het standpunt van de officier van justitie De officier van justitie heeft bij requisitoir naar voren gebracht dat er bij de verschillende feiten een specifieke modus operandi te zien is: de verschillende jonge slachtoffers zijn door de dader(
- s)op een agressieve manier aangesproken, hen werd veelal gevraagd wat voor soort telefoon ze hadden, er werd gedreigd met geweld en soms daadwerkelijk fysiek geweld toegepast, waarna de slachtoffers hun telefoon (en vaak ook nog een ander item zoals een jas of airpods) afgaven dan wel afgenomen werden, en vervolgens die telefoon teruggezet moest worden naar fabrieksinstellingen. Daarnaast is het signalement dat de slachtoffers geven veelal hetzelfde en ook erg specifiek, namelijk: een man, 15-18 jaar oud, 180-190 centimeter lang, met een Aziatische afkomst, donkere kleur ogen met opvallende smalle oogopeningen/ “spleetogen”, donkere wenkbrauwen en een aantal slachtoffers heeft het over New Balance 90/60 schoenen. Ten aanzien van het onder 1 en 2 ten laste gelegde: De officier van justitie heeft gerekwireerd tot een bewezenverklaring van de onder feit 1 ten laste gelegde poging tot afpersing van een telefoon en de onder feit 2 ten laste gelegde diefstal van de schoen van aangever [slachtoffer 1] . De aangever geeft in de aangifte en bij de rechter-commissaris een signalement, noemt de naam ‘ [slachtoffer 7] ’ en dat hij op het [naam college] gezeten heeft en laat een foto van verdachte zien. Bovendien heeft aangever benoemd dat de dader zwart/grijze New Balance 90-60 droeg. Dergelijke schoenen zijn in de hal van de woning van de vader van verdachte aangetroffen. Ten aanzien van het onder 3 ten laste gelegde: De officier van justitie heeft primair gerekwireerd tot een bewezenverklaring van de onder feit 3 ten laste gelegde afpersing van de jas en telefoon van aangever [slachtoffer 2] . De officier van justitie verwijst naar de specifieke modus operandi en het feit dat er bij verdachte thuis een grijze Louis Vuitton sjaal is aangetroffen. In zijn aangifte verklaart aangever dat de dader een dergelijke sjaal droeg. Ook is er bij verdachte thuis een Ouxi V8 fatbike aangetroffen, waar de dader volgens aangever op reed. Aangever heeft zijn tas en telefoon daadwerkelijk afgegeven, waardoor de verdachte(
- n)daar als heer en meester over zijn gaan beschikken. Omdat het terugzetten naar de fabrieksinstelling vervolgens te lang duurde, zijn de goederen toch teruggegeven. Mocht de rechtbank niet tot een bewezenverklaring van het primair ten laste gelegde komen, dan is de officier van justitie van oordeel dat de meer subsidiair ten laste gelegde poging tot afpersing bewezen moet worden verklaard. Ten aanzien van het onder 4 ten laste gelegde: [slachtoffer 3] op 15 februari 2025 De officier van justitie heeft gerekwireerd tot een bewezenverklaring van de afpersing in vereniging van [slachtoffer 3] , op basis van de aangifte, het gegeven signalement van de dader, de specifieke modus operandi, het feit dat de telefoon van verdachte aanstraalde in de buurt van de plaats delict, het feit dat de airpods vervolgens steeds uitpeilden in de buurt van het woonadres van verdachte en het feit dat de airpods bij verdachte in zijn fouillering zijn aangetroffen. [slachtoffer 4] op 23 maart 2025 De officier van justitie heeft gerekwireerd tot een bewezenverklaring van de afpersing in vereniging van [slachtoffer 4] op basis van de aangifte, de verklaring van getuige [getuige 1] die de aangifte ondersteunt, het signalement dat wordt gegeven, de specifieke modus operandi en het feit dat de telefoon van verdachte aanstraalde in de buurt van de plaats delict. [slachtoffer 5] op 25 maart 2025 De officier van justitie heeft gerekwireerd tot een bewezenverklaring van de afpersing in vereniging van [slachtoffer 5] , op basis van de aangifte, de verklaring van getuige [getuige 2] en de specifieke modus operandi. Daarnaast is er een Ouxi V8 fatbike bij verdachte aangetroffen, terwijl aangever heeft omschreven dat een van de daders op een dergelijke fatbike reed. Tot slot heeft de telefoon van verdachte dichtbij het plaats delict aangestraald. 4.1.2. Het standpunt van de verdediging Ten aanzien van het onder 1 en 2 ten laste gelegde: De raadsvrouw heeft bepleit dat verdachte moet worden vrijgesproken van het onder feit 1 en 2 ten laste gelegde. De raadsvrouw stelt zich op het standpunt dat de aangifte onbetrouwbaar is en daarom niet bruikbaar is voor het bewijs. Daarnaast staat de aangifte op zichzelf. Er zijn geen ondersteunende bewijsmiddelen in het dossier aanwezig, waardoor niet is voldaan aan het bewijsminimum van artikel 342 lid 1 Sv. Tot slot heeft de telefoon van verdachte niet aangestraald in de buurt van het plaats delict. Ten aanzien van het hanteren van schakelbewijs als bewijsmiddel bij de overige onder 3 en 4 ten laste gelegde: Er kan volgens de raadsvrouw geen gebruik worden gemaakt van schakelbewijs bij de onder 3 en 4 ten laste gelegde feiten. Er is geen sprake van een specifieke modus operandi. Er is sprake van een vrij algemeen signalement (Aziaat, jong, lang) dat op zichzelf niets betekent en de opgegeven signalementen verschillen. Er is sprake van wezenlijke verschillen in aantal daders, werkwijze, tijdstippen, en niet steeds is (hetzelfde) geweld gebruikt. De door de officier van justitie beschreven werkwijze verschilt bovendien niet wezenlijk van andere straatroven die gangbaar zijn in grote steden. Ten aanzien van het onder 3 ten laste gelegde: De raadsvrouw heeft verzocht verdachte van feit 3 vrij te spreken. Dat verdachte in het gegeven signalement past, is onvoldoende om te kunnen vaststellen dat verdachte daadwerkelijk één van de daders is. Het aantreffen van een sjaal zoals omschreven door aangever in het huis van verdachte vier maanden na het incident, is onvoldoende om het daderschap van verdachte aan te nemen. Er is niet voldaan aan de bewijsminimum zoals omschreven in artikel 342 lid 1 Sv. Ten aanzien van het onder 4 ten laste gelegde: [slachtoffer 3] op 15 februari 2025 De raadsvrouw heeft bepleit dat verdachte van het primair ten laste gelegde feit vrij moet worden gesproken. Het signalement en het aantreffen van de oortjes bij verdachte ongeveer anderhalve maand na het incident is onvoldoende om het daderschap van verdachte aan te kunnen nemen. Verdachte heeft verklaard dat hij de oortjes voor € 40,- heeft gekocht via een contact op Snapchat. Dit is geen ongeloofwaardige verklaring. [slachtoffer 4] op 23 maart 2025 De raadsvrouw heeft bepleit dat verdachte van het primair en subsidiair ten laste gelegde feit vrij moet worden gesproken. Het door aangever gegeven signalement van verdachte is nog algemener dan in andere zaken. Het dossier bevat onvoldoende aanwijzingen om aan te kunnen nemen dat verdachte betrokken is bij de beroving. Het feit dat de telefoon van verdachte een half uur voorafgaand aan het feit ongeveer een kilometer verderop een zendmast aanstraalt zegt niets over de betrokkenheid van verdachte bij het ten laste gelegde feit. [slachtoffer 5] op 25 maart 2025 De advocaat heeft bepleit dat verdachte moet worden vrijgesproken van het primair en subsidiair ten laste gelegde feit. Het ontbreekt aan onvoldoende wettig en overtuigend bewijs. Er is geen redengevend steunbewijs in het dossier aanwezig dat verdachte de straatroof heeft begaan. Het feit dat de telefoon van verdachte aanstraalt op een zendmast in de buurt van het plaats delict zegt niets over het daderschap van verdachte. 4.1.3. Het oordeel van de rechtbank In de periode van 13 oktober 2024 tot en met 25 maart 2025 zijn er bij de politie van verschillende, vaak zeer jonge, aangevers aangiften binnengekomen. Bij deze aangevers zijn verschillende spullen afhandig gemaakt, of is dat geprobeerd, waaronder telefoons, airpods of jassen. De rechtbank merkt voorafgaand aan onderstaande bewijsoverweging op dat zij niet twijfelt aan de (betrouwbaarheid van
- de)verklaringen van de aangevers. Modus operandi en schakelbewijs? De rechtbank is, met de raadsvrouw, van oordeel dat er ten aanzien van de onderhavige feiten geen gebruik kan worden gemaakt van een schakelbewijsconstructie. Volgens vaste jurisprudentie van de Hoge Raad kunnen aangiftes van slachtoffers als schakelbewijs worden gebruikt als sprake is van een specifieke modus operandi, die in de onderscheiden gevallen in overwegende mate overeenkomt. Er dient sprake te zijn van een specifiek patroon in het gedrag van verdachte, welk patroon herkenbaar aanwezig is in de voor de te bewijzen feiten voorhanden zijnde bewijsmiddelen. Hoewel de rechtbank overeenkomsten ziet tussen verschillende berovingen, zoals de constatering dat alle feiten zijn gepleegd in [plaats 1], dat veelal met geweld of onder dreiging daarvan gevraagd is om de telefoon terug te zetten naar de fabrieksinstellingen en er door verschillende aangevers wordt gesproken over een lange jongen met een Aziatisch uiterlijk, is dit volgens de rechtbank te weinig onderscheidend om te kunnen spreken van een herkenbaar en gelijksoortig patroon en dus van een specifieke modus operandi. Daarbij heeft de rechtbank betrokken dat in de aangiftes ook duidelijke verschillen zijn te ontwaren in de wijze waarop en de omstandigheden waaronder de tenlastegelegde gedragingen zich hebben voorgedaan. De rechtbank acht het gebruik van een schakelbewijsconstructie daarom in deze zaken, ten aanzien van de onder 1 tot en met 4 ten laste gelegde feiten, niet mogelijk. De rechtbank zal de verschillende ten laste gelegde feiten derhalve – zonder gebruik te maken van de schakelbewijsconstructie – afzonderlijk bespreken. Bewijsminimum In het algemeen overweegt de rechtbank ten aanzien van de feiten het volgende. Volgens artikel 342 lid 2 van het Wetboek van Strafvordering (Sv) kan het bewijs dat de verdachte een strafbaar feit heeft begaan niet uitsluitend worden aangenomen op de verklaring van één getuige. Deze bepaling beoogt de deugdelijkheid van de bewijsbeslissing te waarborgen, in die zin dat dit de rechter verbiedt om tot een bewezenverklaring te komen als door één getuige naar voren gebrachte feiten en omstandigheden op zichzelf staan en onvoldoende steun vinden in andere bewijsmiddelen Ten aanzien van het onder 1 en 2 ten laste gelegde: De rechtbank spreekt verdachte vrij van de onder feit 1 ten laste gelegde poging tot afpersing van een telefoon en de onder feit 2 ten laste gelegde diefstal van de schoen van aangever [slachtoffer 1] . Ten aanzien van de feiten 1 en 2 staat de aangifte van [slachtoffer 1] op zichzelf, zodat niet is voldaan aan het bewijsminimum. De herkenning van verdachte op een foto die aangever al dan niet via [persoon 5] heeft verkregen, kan niet dienen ter ondersteuning van de aangifte, omdat ook dan het uiteindelijk nog steeds om één bron gaat: de verklaring van aangever. Ten aanzien van het onder 3 ten laste gelegde: De rechtbank spreekt verdachte vrij van het onder 3 ten laste gelegde feit bij gebrek aan bewijs. Ook in dit geval is er namelijk slechts het verhaal van aangever [slachtoffer 2] . Het enkele feit dat verdachte binnen het signalement past en er maanden later een grijze Louis Vuitton sjaal en Ouxi V8 fatbike bij hem zijn aangetroffen, is onvoldoende om een bewezenverklaring te kunnen dragen. Het signalement is daarvoor te weinig specifiek. De rechtbank spreekt verdachte vrij van het onder feit 3 ten laste gelegde feit. Ten aanzien van het onder 4 ten laste gelegde: [slachtoffer 3] op 15 februari 2025 De rechtbank oordeelt dat er ten aanzien van de afpersing van [slachtoffer 3] wel voldoende wettig en overtuigend bewijs in het dossier aanwezig is. In het dossier zit een aangifte van [slachtoffer 3] , waarin te lezen is dat hij beroofd is van zijn iPhone en airpods. Aangever geeft een signalement dat overeenkomt met uiterlijke kenmerken van verdachte. Uit de aangifte blijkt verder dat de airpods kort na de beroving uitstraalden bij de [plaats 2] . De rechtbank stelt vast dat dit dicht bij het woonadres van verdachte is. Daarnaast worden de airpods bij verdachte in zijn fouillering aangetroffen. De rechtbank acht op grond van het voorgaande de afpersing in vereniging van [slachtoffer 3] wettig en overtuigend bewezen. De rechtbank schuift de verklaring van verdachte dat hij de airpods via een contact op Snapchat heeft gekocht als ongeloofwaardig ter zijde. [slachtoffer 4] op 23 maart 2025 De rechtbank spreekt verdachte vrij van het ten laste gelegde feit ten aanzien van [slachtoffer 4] . Hoewel er naast de aangifte ook nog een getuigenverklaring van [getuige 1] in het dossier zit, is de het signalement dat gegeven wordt gebrekkig en onvoldoende specifiek om daarmee het daderschap van verdachte vast te stellen. Het enkele feit dat de telefoon van verdachte daar rond het moment van het delict in de buurt aanstraalt, maakt dat oordeel niet anders. Zoals verdachte heeft verteld, bevindt hij zich vaak in deze buurt waar hij ook op school zat en veel van zijn vrienden wonen. De rechtbank spreekt verdachte partieel vrij van de afpersing in vereniging van [slachtoffer 4] . [slachtoffer 5] op 25 maart 2025 De rechtbank spreekt verdachte vrij van het ten laste gelegde feit dat betrekking heeft op aangever [slachtoffer 5] . Er wordt door de aangever gesproken over een jongen met een Aziatisch uiterlijk, die een bivakmuts droeg. Hoewel verdachte in het signalement past, is het voor de rechtbank onvoldoende specifiek om op grond daarvan het daderschap van verdachte vast te stellen. Daarvoor is het signalement te algemeen. Ook het feit dat de telefoon van verdachte daar rond het moment van het delict in de buurt is geweest, maakt dat oordeel niet anders. De rechtbank spreekt verdachte partieel vrij van de afpersing in vereniging van [slachtoffer 5] . 4.2. Feit 5 4.2.1. Het standpunt van de officier van justitie De officier van justitie heeft gerekwireerd tot een bewezenverklaring van de primair ten laste gelegde diefstal. [slachtoffer 6] heeft aan verdachte geen toestemming heeft gegeven om een rondje te fietsen op zijn fatbike. Verdachte heeft dit desondanks gedaan. Verdachte heeft de fiets vervolgens niet terug gegeven waardoor sprake is van diefstal. Mocht de rechtbank van oordeel zijn dat verdachte de fatbike te goeder trouw onder zich had, dan verzoekt de officier van justitie de subsidiair ten laste gelegde verduistering bewezen te verklaren. 4.2.2. Het standpunt van de verdediging De raadsvrouw heeft verzocht om verdachte vrij te spreken van de primair ten laste gelegde diefstal. Verdachte mocht immers van aangever op de fatbike rijden. Er is volgens de raadsvrouw hooguit sprake van verduistering. De raadsvrouw refereert zich ten aanzien van het subsidiair ten laste gelegde aan het oordeel van de rechtbank. 4.2.3. Het oordeel van de rechtbank De rechtbank acht het primair ten laste gelegde feit, de diefstal van de fatbike, wettig en overtuigend bewezen. De fatbike is bij verdachte aangetroffen. Uit de aangifte blijkt dat verdachte van de aangever geen toestemming had gekregen om op de fatbike te rijden. Daarmee is, nu verdachte de fatbike zonder toestemming heeft meegenomen en onder zich heeft gehouden, sprake van diefstal. De rechtbank ziet geen aanleiding om te twijfelen aan de juistheid van de verklaring van aangever. 4.3. Feit 6 De raadsvrouw heeft geen bewijsverweer gevoerd ten aanzien van het voorhanden hebben van het stroomstootwapen. De rechtbank is – met de officier van justitie – van oordeel dat het feit wettig en overtuigend is bewezen. Verdachte heeft het feit bekend en zijn verklaring vindt steun in de overige bewijsmiddelen. Zaak B De raadsvrouw heeft geen bewijsverweer gevoerd ten aanzien van de mishandeling van [slachtoffer 7] . De rechtbank is – met de officier van justitie – van oordeel dat het feit wettig en overtuigend is bewezen. Verdachte heeft het feit bekend en zijn verklaring vindt steun in de overige bewijsmiddelen. 5Bewezenverklaring De rechtbank acht op grond van de in vervatte bewijsmiddelen bewezen dat Zaak A ten aanzien van het onder 4 primair ten laste gelegde: hij op 15 februari 2025 te [plaats 1] , tezamen en in vereniging met een ander, met het oogmerk om zich en/of een ander wederrechtelijk te bevoordelen door bedreiging met geweld, [slachtoffer 3] heeft gedwongen tot de afgifte van - een telefoon en - airpods die aan die [slachtoffer 3] toebehoorden door - dreigend tegen die [slachtoffer 3] te zeggen dat hij zijn telefoon en airpods moet afgeven en - dreigend tegen die [slachtoffer 3] te zeggen dat hij zijn telefoon terug moet brengen naar fabrieksinstellingen en - dreigend naar het adres van die [slachtoffer 3] te vragen; ten aanzien van het onder 5 ten laste gelegde: hij op 26 maart 2025 te [plaats 1] een fatbike (Ouxi V8) die aan [slachtoffer 6] toebehoorde heeft weggenomen met het oogmerk om deze zich wederrechtelijk toe te eigenen; ten aanzien van het onder 6 ten laste gelegde: hij op 1 april 2025 te [plaats 1] een wapen van categorie II, onder 5 van de Wet wapens en munitie, te weten stroomstootwapen, zijnde een voorwerp waarmee door een elektrische stroomstoot personen weerloos konden worden gemaakt of pijn kon worden toegebracht, voorhanden heeft gehad; Zaak B hij op 21 september 2024 te [plaats 1] [slachtoffer 7] heeft mishandeld door die [slachtoffer 7] tegen het gezicht te slaan. Voor zover in de tenlasteleggingen taal- en/of schrijffouten staan, zijn deze verbeterd. Verdachte is hierdoor niet in de verdediging geschaad. 6Bewijs De rechtbank grondt haar beslissing dat verdachte het bewezen geachte heeft begaan op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat. Indien tegen dit verkort vonnis hoger beroep wordt ingesteld, worden de door de rechtbank gebruikte bewijsmiddelen die redengevend zijn voor de bewezenverklaring opgenomen in een aanvulling op het verkort vonnis. Deze aanvulling wordt dan aan het verkort vonnis gehecht. 7Strafbaarheid van de feiten De bewezen geachte feiten zijn volgens de wet strafbaar. Het bestaan van een rechtvaardigingsgrond is niet aannemelijk geworden. 8Strafbaarheid van verdachte Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit. Verdachte is dan ook strafbaar. 9Motivering van de straffen en maatregelen 9.1. De eis van de officier van justitie De officier van justitie eist dat verdachte zal worden veroordeeld tot een jeugddetentie voor de duur van 180 dagen, waarvan 100 dagen voorwaardelijk, met aftrek van het voorarrest en een proeftijd van 2 jaren. De officier van justitie heeft gevorderd dat aan de voorwaardelijke straf, naast de algemene voorwaarde, de bijzondere voorwaarden worden verbonden zoals geadviseerd door de Raad en JBRA. De officier van justitie vordert de dadelijke uitvoerbaarheid van de bijzondere voorwaarden. 9.2. Het standpunt van de verdediging De verdediging heeft verzocht om geen langere jeugddetentie op te leggen dan de periode die verdachte al in voorarrest heeft doorgebracht, ook niet in voorwaardelijke zin. De verdediging vraagt de rechtbank wél om naast een onvoorwaardelijke straf nog een korte voorwaardelijke taakstraf op te leggen. Verdachte is immers gebaat is bij een aantal geadviseerde voorwaarden, zoals het meewerken aan de hulpverlening die geboden wordt door De Waag en Levvel en het meewerken aan het traject van begeleid wonen. De raadsvrouw verzoekt om de geadviseerde voorwaarden die verdachte beperken in zijn vrijheid niet op te leggen, zoals de avondklok en enkelband. Verdachte heeft zich al lange tijd aan voorwaarden gehouden en aan hem moet het vertrouwen gegeven worden dat hij het zonder die voorwaarden kan. 9.3. Het oordeel van de rechtbank Bij de beslissing over de straf en het bepalen van de maatregel laat de rechtbank zich leiden door de persoon van de verdachte, zoals die onder meer naar voren komt in nagenoemde rapportages en hetgeen de deskundigen ter zitting hebben verklaard, alsmede de ernst van het bewezen geachte en de omstandigheden waaronder dit is begaan. De rechtbank acht daarbij in het bijzonder het volgende van belang. Ernst van de feiten Verdachte heeft zich op verschillende momenten schuldig gemaakt aan het plegen van strafbare feiten. Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan afpersing in vereniging, diefstal, het voorhanden hebben van een stroomstootwapen en aan mishandeling. Dit betreffen vervelende feiten, met nare gevolgen voor de slachtoffers. Ten aanzien van de afpersing in vereniging van [slachtoffer 3] en de mishandeling van [slachtoffer 7] heeft verdachte inbreuk gemaakt op de lichamelijke integriteit van de aangevers. Verdachte heeft door het plegen van deze feiten voor overlast en schade gezorgd. Dergelijke feiten zorgen voor angst en onveiligheid, in de eerste plaats natuurlijk voor de slachtoffers zelf, maar ook voor de samenleving als geheel. De verdachte heeft met die gevoelens kennelijk geen rekening gehouden. De rechtbank rekent dit de verdachte aan. Persoon en persoonlijke omstandigheden van verdachte De rechtbank heeft kennisgenomen van een Uittreksel Justitiële Documentatie van 12 september 2025, waaruit blijkt dat verdachte niet eerder veroordeeld is. De rechtbank heeft daarnaast kennis genomen van de rapportage van de JBRA van 22 oktober 2025 ten behoeve van de inhoudelijke behandeling. De Raad heeft voor de zitting te kennen gegeven geen capaciteit te hebben om een adviesrapport uit te brengen en heeft ter zitting geadviseerd. De JBRA adviseert de rechtbank om een werkstraf op te leggen, waarvan een gedeelte voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaren. Hoewel verdachte sinds kort positief gedrag laat zien, vindt JBRA het belangrijk dat het toezicht en de begeleiding door blijven lopen. Het is in het belang van verdachte om mee te werken aan de hulpverlening van de Waag en de IFA-coach. Daarnaast moet verdachte openheid van zaken geven over de situatie en op welke manier hij in de toekomst verantwoorde keuzes kan/zal maken. De avondklok en elektronische monitoring moeten ook worden voorgezet en er moet een contactverbod komen met de medeverdachten. Ook moet verdachte meewerken aan aanvullende veiligheidsafspraken en, indien aan de orde, meewerken aan een traject voor begeleid wonen. De JBRA adviseert tot slot de dadelijke uitvoerbaarheid van de bijzondere voorwaarden. De Raad heeft ter zitting naar voren gebracht zich aan te sluiten bij door de JBRA gegeven advies. Het is niet de bedoeling dat verdachte opnieuw in een justitiële jeugdinrichting terechtkomt. Het is wel belangrijk dat er nog een voorwaardelijk deel wordt opgelegd, want de Raad vindt het net als de JBRA erg belangrijk dat de ingezette hulpverlening wordt voortgezet. Ook moet de avondklok en elektronische monitoring blijven, aangezien verdachte heeft laten zien dat als hij ruimte krijgt het fout gaat. Straf Gelet op de aard en de ernst van de bewezenverklaarde feiten en de omstandigheden waaronder de verdachte deze feiten heeft gepleegd, zoals hiervoor beschreven, oordeelt de rechtbank dat een jeugddetentie voor de duur van 80 dagen passend en geboden is. De tijd die verdachte voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in voorlopige hechtenis heeft doorgebracht moeten bij de tenuitvoerlegging van die straf in mindering te worden gebracht. De rechtbank legt daarnaast nog een geheel voorwaardelijke werkstraf op van 40 uren. Aan het voorwaardelijke strafdeel zal de rechtbank een proeftijd van twee jaar verbinden en daarbij, naast de algemene voorwaarde, alle bijzondere voorwaarden opleggen die door de JBRA zijn geadviseerd. Verdachte is immers, zoals door de verdediging ook naar voren gebracht, gebaat bij de hulpverlening en het draagt bij aan verminderen van de kans op recidive. Anders dan de verdediging, is de rechtbank van oordeel dat verdachte ook strakke kaders nodig heeft, zoals door de JBRA en de Raad geadviseerd. De rechtbank legt derhalve ook de bijzondere voorwaarden op die verdachte beperken in zijn vrijheid, te weten een enkelband en een avondklok. De rechtbank komt op een lagere straf uit dan door de officier van justitie geëist, wat komt doordat de rechtbank verdachte heeft vrijgesproken van de in zaak A onder feit 1, 2, 3 en partieel van feit 4 ten laste gelegde feiten. De rechtbank ziet in de aard van het bewezenverklaarde en de persoon van verdachte onvoldoende aanleiding om de op te leggen voorwaarden en het uit te oefenen toezicht dadelijk uitvoerbaar te verklaren. 10De benadeelde partijen Zaak A [slachtoffer 8] vordert € 1.918,95 aan materiële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel. De rechtbank is van oordeel dat [slachtoffer 8] niet-ontvankelijk moet worden verklaard in de vordering. De zaak van [slachtoffer 8] is geseponeerd, wat betekent dat deze zaak niet aan verdachte ten laste is gelegd. [slachtoffer 2] vordert € 987,15, bestaande uit zowel immateriële als materiële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel. De rechtbank spreekt verdachte vrij van het onder feit 3 ten laste gelegde. De rechtbank is derhalve van oordeel dat de benadeelde partij niet-ontvankelijk moet worden verklaard ten aanzien van diens vordering. [slachtoffer 5] vordert € 250,- aan materiële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel. De rechtbank spreekt verdachte partieel vrij van de onder feit 4 ten laste gelegde afpersing dan wel diefstal met geweld en/of bedreiging met geweld ten aanzien van [slachtoffer 5] . De rechtbank is derhalve van oordeel dat de benadeelde partij niet-ontvankelijk moet worden verklaard ten aanzien van diens vordering. Zaak B [slachtoffer 7] vordert € 208,61, bestaande uit zowel immateriële schade als materiële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel. De officier van justitie heeft geconcludeerd dat de vordering strekkende tot vergoeding van materiële kosten niet-ontvankelijk dient te worden verklaard aangezien verdachte niet vervolgd is voor de afpersing. De officier van justitie stelt dat het bedrag van € 100,- aan immateriële schade moet worden toegewezen, te vermeerderen met de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel. De raadsvrouw heeft naar voren gebracht dat er geen verband is tussen de materiële schade en het strafbare feit waarvan verdachte wordt verdacht. De raadsvrouw heeft geen verweer gevoerd ten aanzien van het gevorderde bedrag aan immateriële schade. De rechtbank wijst het een bedrag van € 100,- (zegge: honderd euro) aan immateriële schade toe, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf de datum dat de schade is ontstaan, te weten op 21 september 2024, tot aan de dag van de algehele voldoening. Verdachte heeft [slachtoffer 7] mishandeld door hem een klap in zijn gezicht te geven. Vaststaat dat de benadeelde partij door het bewezenverklaarde rechtstreeks immateriële schade is toegebracht. Op grond van artikel 6:106 aanhef en onder b van het Burgerlijk Wetboek (hierna BW) heeft de benadeelde partij recht op een naar billijkheid vast te stellen vergoeding van de immateriële schade. De hoogte van de vordering ten aanzien van het immateriële gedeelte is niet betwist. De rechtbank acht de vordering ten aanzien van de immateriële schade derhalve toewijsbaar. De rechtbank is – met de officier van justitie – van oordeel dat [slachtoffer 7] niet-ontvankelijk moet worden verklaard in de vordering ten aanzien van de gevorderde materiële schade. De gevorderde schade is geen rechtstreeks gevolg van de ten laste gelegde en bewezenverklaarde mishandeling. De rechtbank verklaart het deel van de vordering tot vergoeding van materiële schade, te weten € 108,61, derhalve niet-ontvankelijk. In het belang van [slachtoffer 7] wordt als extra waarborg voor betaling aan laatstgenoemde de maatregel van artikel 36 [slachtoffer 6] van het Wetboek van Strafrecht aan verdachte opgelegd ter hoogte van € 100,- (zegge: honderd) vermeerderd met de wettelijke rente vanaf het moment waarop de schade is geleden, te weten 21 september 2024, welk bedrag bestaat uit immateriële schade. Gelet op de jeugdige leeftijd van verdachte zal de rechtbank de maximale duur van de gijzeling bepalen op 0 dagen. 11Beslag Onder de verdachte is het volgende goed in beslag genomen: Zaak A - 1 STK stroomstootwapen (omschrijving: PL1300-2025077666-BZAJ7308, zwart en rode knop). Nu met behulp van dit voorwerp het bewezen geachte is begaan en het ongecontroleerde bezit daarvan in strijd is met de wet of met het algemeen belang, is de rechtbank van oordeel dat dit voorwerp – zoals door de officier van justitie gevorderd – moet worden onttrokken aan het verkeer. 12Toepasselijke wettelijke voorschriften De op te leggen straffen zijn gegrond op de artikelen 36b, 36c, 36 f , 77a, 77g, 77i, 77m, 77n, 77x, 77y, 77z, 77aa, 77gg, 300, 310, 317 van het Wetboek van Strafrecht en artikelen 26 en 55 van de Wet wapens en munitie. 13Beslissing De rechtbank komt op grond van het voorgaande tot de volgende beslissing. Verklaart bewezen dat verdachte het in zaak A onder feit 4 primair, 5 primair en 6 en het in zaak B ten laste gelegde heeft begaan zoals hiervoor in rubriek 5 is vermeld. Verklaart niet bewezen hetgeen aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor is bewezen verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij. Het bewezenverklaarde levert op: Zaak A: ten aanzien van het onder 4 primair bewezen verklaarde: afpersing, terwijl het feit wordt gepleegd door twee of meer verenigde personen ten aanzien van het onder 5 bewezen verklaarde: diefstal ten aanzien van het onder 6 bewezen verklaarde: handelen in strijd met artikel 26 categorie II onder 5 van de Wet wapens en munitie Zaak B: mishandeling Verklaart het bewezene strafbaar. Verklaart verdachte, [verdachte] , daarvoor strafbaar. Veroordeelt verdachte tot een jeugddetentie voor de duur van 80 (tachtig) dagen. Beveelt dat de tijd die verdachte voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en in voorlopige hechtenis heeft doorgebracht bij de tenuitvoerlegging van die straf in mindering gebracht zal worden. Veroordeelt verdachte daarnaast tot een werkstraf voor de duur van 40 (veertig) uren. Beveelt dat deze werkstraf in zijn geheel niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten wegens niet nakoming van de voorwaarden. Stelt de proeftijd vast op 2 jaren onder de algemene voorwaarde dat de veroordeelde: - zich voor het einde van de proeftijd niet zal schuldig maken aan een strafbaar feit; en onder de bijzondere voorwaarden dat de veroordeelde: - naar school en/of stage gaat volgens rooster; - meewerkt aan de hulpverlening van De Waag; - meewerkt aan de hulpverlening van de IFA-coach; - openheid van zaken gaat geven over de situatie en op welke manier hij in de toekomst verantwoorde keuzes kan/zal maken; - meewerkt aan de aanvullende veiligheidsafspraken indien noodzakelijk; - indien aan de orde, meewerkt aan het traject van begeleid wonen; - zich houdt aan een avondklok die inhoudt dat hij zich dagelijks van 19:00 uur tot 07:00 uur in de ouderlijke woning bevindt. De avondklok loopt tot uiterlijk 13 februari 2026; - meewerkt aan de afspraken en/of het weekschema behorende bij elektronische monitoring. Het elektronisch toezicht loopt tot uiterlijk 13 februari 2026; - op geen enkele wijze – direct of indirect – contact opneemt met de slachtoffers: [slachtoffer 3] ( [slachtoffer 3] ) [slachtoffer 3] , geboren op [geboortedag 2] 2009; [slachtoffer 6] . ( [slachtoffer 6] ) [slachtoffer 6] , geboren op [geboortedag 3] 2012; [slachtoffer 7] ( [slachtoffer 7] , geboren op [geboortedag 4] 2010. Van rechtswege gelden tevens de voorwaarden dat veroordeelde: - ten behoeve van het vaststellen van zijn identiteit zijn medewerking zal verlenen aan het nemen van een of meer vingerafdrukken of een identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 Wet op de identificatieplicht ter inzage zal aanbieden; - zijn medewerking zal verlenen aan het door de jeugdreclassering te houden toezicht, bedoeld in 77a, eerste tot en met het vierde lid, van het Wetboek van Strafrecht, de medewerking aan huisbezoeken daaronder begrepen. Geeft opdracht aan Jeugdbescherming Regio Amsterdam tot het houden van toezicht op de naleving van voormelde voorwaarden en de veroordeelde daarvan te begeleiden. Onttrekt aan het verkeer: Zaak A 1. STK stroomstootwapen (omschrijving: PL1300-2025077666-BZAJ7308, zwart en rode knop). Benadeelde partij [slachtoffer 8] Bepaalt dat de benadeelde partij [slachtoffer 8] niet-ontvankelijk is in zijn vordering tot vergoeding van de materiële schade. Bepaalt dat de benadeelde partij en verdachte ieder de eigen kosten dragen. Benadeelde partij [slachtoffer 2] Bepaalt dat de benadeelde partij [slachtoffer 2] niet-ontvankelijk is in zijn vordering tot vergoeding van de materiële en immateriële schade. Bepaalt dat de benadeelde partij en verdachte ieder de eigen kosten dragen. Benadeelde partij [slachtoffer 5] Bepaalt dat de benadeelde partij [slachtoffer 5] niet-ontvankelijk is in zijn vordering tot vergoeding van de materiële schade. Bepaalt dat de benadeelde partij en verdachte ieder de eigen kosten dragen. Benadeelde partij [slachtoffer 7] Wijst de vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 7] gedeeltelijk toe en veroordeelt verdachte tot betaling van € 100,- (zegge honderd euro) voor immateriële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf het moment van het ontstaan van de schade, te weten op 21 september 2024, tot aan de dag van de algehele voldoening. Veroordeelt verdachte tot betaling van het toegewezen bedrag aan [slachtoffer 7] voornoemd. Veroordeelt verdachte voorts in de kosten door de benadeelde partij gemaakt ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog te maken, tot op heden begroot op nihil. Legt aan verdachte op de maatregel van schadevergoeding ten behoeve van [slachtoffer 7] ter hoogte van € 100,- (zegge honderd euro). Voormeld bedrag bestaat uit immateriële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf het moment van ontstaan, te weten op 21 september 2024, tot aan de dag van algehele voldoening. Bepaalt daarbij de maximale duur van de gijzeling op 0 dagen. Bepaalt dat, indien en voor zover verdachte heeft voldaan aan een van voornoemde betalingsverplichtingen, daarmee de andere is vervallen. Bepaalt dat de benadeelde partij [slachtoffer 7] voor het overige niet-ontvankelijk is in zijn vordering. Heft op het geschorste bevel tot voorlopige hechtenis. Dit vonnis is gewezen door mr. E. Diepraam, voorzitter tevens kinderrechter, mrs. K.M. van Hassel en J.W.B. Snijders Blok, rechters, in tegenwoordigheid van mr. A.M. Elsman, griffier, en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank van 13 november 2025. [...]