vonnis RECHTBANK AMSTERDAM Team Familie & Jeugd Parketnummers: 13.038979.25 (zaak A) en 13.091030.25 (zaak B) Datum uitspraak: 27 november 2025 Verkort vonnis van de rechtbank Amsterdam, meervoudige strafkamer, in de zaken tegen [verdachte] , geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 2011, wonende op het adres [adres 1] . 1Onderzoek ter terechtzitting De rechtbank heeft beraadslaagd naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting achter gesloten deuren van 13 november
- De rechtbank heeft de zaken, die bij afzonderlijke dagvaardingen onder de bovenvermelde parketnummers zijn aangebracht, ter zitting gevoegd. Deze zaken worden hierna als respectievelijk zaak A en zaak B aangeduid. De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie mr. J.J. Smilde en van wat verdachte en zijn raadsman mr. A. Çatbaş naar voren hebben gebracht. Daarnaast heeft de rechtbank kennisgenomen van wat onder meer door [naam] , namens de Raad voor de Kinderbescherming (hierna: de Raad) en door de vader en de moeder van verdachte naar voren is gebracht. 2Tenlastelegging Aan verdachte is, kort gezegd, ten laste gelegd dat hij zich schuldig heeft gemaakt aan: Zaak A medeplegen van het opzettelijk teweegbrengen van een ontploffing op 1 december 2024 te Amsterdam door tegen een pand (gelegen aan de [adres 2] ) vuurwerk (Cobra 6), bevestigd aan een fles inhoudende benzine te gooien en tot ontploffing te brengen, terwijl daarvan gemeen gevaar voor goederen en/of levensgevaar, dan wel lichamelijk letsel te duchten was; Zaak B het voorhanden hebben van een wapen als bedoeld in categorie I onder 7 van de Wet wapens en munitie op 24 maart 2025 te Amsterdam. De volledige tenlasteleggingen zijn opgenomen in bijlage I bij dit vonnis en geldt als hier ingevoegd. 3Voorvragen De dagvaardingen zijn geldig, deze rechtbank is bevoegd tot kennisneming van de ten laste gelegde feiten en de officier van justitie is ontvankelijk. Er zijn geen redenen voor schorsing van de vervolging. 4Waardering van het bewijs 4.
- Zaak A 4.1.
- Het standpunt van de officier van justitie De officier van justitie heeft gerekwireerd tot een bewezenverklaring van het samen met een ander opzettelijk teweegbrengen van een ontploffing, terwijl daar gemeen gevaar voor goederen en levensgevaar of zwaar lichamelijk letsel voor personen te duchten was. 4.1.
- Het standpunt van de verdediging De raadsman heeft zich op het standpunt gesteld dat niet bewezen kan worden dat er sprake is geweest van levensgevaar voor personen. Mocht de rechtbank hier anders over oordelen, dan had verdachte geen opzet op het levensgevaar. Voor het overige heeft de raadsman zich gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank. 4.1.
- Het oordeel van de rechtbank De rechtbank is van oordeel dat wettig en overtuigend bewezen is dat verdachte op 1 december 2024 samen met in ieder geval één ander persoon opzettelijk een ontploffing teweeg heeft gebracht. Verdachte heeft het feit bekend en zijn verklaring vindt steun in de overige bewijsmiddelen. Het dossier bevat ook voldoende aanknopingspunten voor het oordeel dat door de ontploffing levensgevaar en gevaar voor zwaar lichamelijk letsel te duchten was, aangezien deze gevaren door het handelen van de verdachte naar algemene ervaringsregels voorzienbaar waren. De rechtbank overweegt hiertoe als volgt. De bewoonster van het pand aan de [adres 2] was ten tijde van de ontploffing thuis. Dat zich personen in de woning zouden bevinden, was gelet op de dag en het tijdstip van de ontploffing voorzienbaar. Het ging om zwaar vuurwerk. Volgens de verklaring van verdachte ging het om drie cobra’s met daaraan vast een fles benzine getaped. Deze combinatie is bij de voordeur tot ontploffing gebracht. Uit het rapport van de forensische opsporing volgt dat een vuurwerkbom, zoals die met een Cobra, en de daardoor ontstane vlam, drukgolf en rondvliegende voorwerpen zeer gevaarlijk zijn en levensgevaar en/of zwaar lichamelijk letsel kan veroorzaken. Er heeft zich door de ontploffing veel rook ontwikkeld en er ontstonden vlammen van 2,5 meter hoog. De bewoonster moest daarbij door de brandweer uit haar woning worden gehaald en aan een zuurstofmasker worden verbonden. De brand die door de ontploffing is ontstaan, moest geblust worden. Dat verdachte geen opzet had op het veroorzaken van levensgevaar, ook niet in voorwaardelijke zin, is niet relevant. Het opzet hoeft alleen op de brandstichting te zijn gericht, niet op de gevolgen. 4.
- Zaak B De rechtbank is van oordeel dat wettig en overtuigend bewezen is dat verdachte op 24 maart 2025 een wapen van de categorie I onder 7 van de Wet wapens en munitie heeft gedragen. Verdachte heeft het feit bekend en zijn verklaring vindt steun in de overige bewijsmiddelen. 5Bewezenverklaring De rechtbank acht op grond van de in vervatte bewijsmiddelen bewezen dat Zaak A hij op 1 december 2024 te Amsterdam tezamen en in vereniging met een ander opzettelijk een ontploffing teweeg heeft gebracht door tegen de achterzijde van een pand gelegen aan de [adres 2] vuurwerk ( Cobra 6), vastgetaped aan een fles inhoudende benzine te gooien en tot ontploffing te brengen, terwijl daarvan - gemeen gevaar voor goederen, te weten voor dat pand en de in dat pand aanwezige goederen en - levensgevaar en gevaar voor zwaar lichamelijk letsel voor een ander, te weten voor de bewoner van voornoemde pand te duchten was; Zaak B hij op 24 maart 2025 te Amsterdam een wapen van categorie I, onder 7° van de Wet wapens en munitie, te weten een door de Minister van Justitie en Veiligheid aangewezen voorwerp dat een ernstige bedreiging van personen kon vormen en dat zodanig op een wapen geleek dat deze voor bedreiging of afdreiging geschikt was, namelijk een voorwerp die voor wat betreft de vorm en afmeting een sprekende gelijkenis vertoont met een vuurwapen heeft gedragen. 6Bewijs De rechtbank grondt haar beslissing dat de verdachte het bewezen geachte heeft begaan op feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat. Indien tegen dit verkort vonnis hoger beroep wordt ingesteld, worden de door de rechtbank gebruikte bewijsmiddelen die redengevend zijn voor de bewezenverklaring opgenomen in een aanvulling op het verkort vonnis. Deze aanvulling wordt dan aan het verkort vonnis gehecht. 7Strafbaarheid van de feiten De bewezen geachte feiten zijn volgens de wet strafbaar. Het bestaan van een rechtvaardigingsgrond is niet aannemelijk geworden. 8Strafbaarheid van verdachte Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit. Verdachte is dan ook strafbaar. 9Motivering van de straffen en maatregelen 9.
- De eis van de officier van justitie De officier van justitie eist een werkstraf van 200 uren, waarvan 80 uren voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaren. De officier van justitie verzoekt om, naast de algemene voorwaarde, als bijzondere voorwaarde op te leggen dat verdachte de benadeelde partij [benadeelde partij] in totaal € 4.000,- moet betalen. 9.
- Het standpunt van de verdediging De raadsman heeft bepleit dat strafvermindering moet volgen, omdat sprake is van twee onherstelbare vormverzuimen in de zin van artikel 359a Sv. De raadsman heeft hierover volgende naar voren gebracht. Allereerst heeft volgens de raadsman het onderzoek aan de telefoon van de verdachte onrechtmatig plaatsgevonden, omdat hiervoor toestemming is vereist van de rechter-commissaris en deze toestemming in onderhavige zaak ontbreekt. De raadsman heeft zich op het standpunt gesteld dat de verdachte nadeel heeft ondervonden van dit vormverzuim, omdat zijn privacy is aangetast door de doorzoeking in zijn telefoon, temeer nu verdachte nog erg jong is. Daarom zou strafvermindering moeten volgen. Daarnaast hebben de verbalisanten volgens de raadsman in strijd met artikel 22 van de Ambtsinstructie voor de politie, de Koninklijke marechaussee en andere opsporingsambtenaren, bij beide aanhoudingen transportboeien bij de verdachte aangelegd. In het dossier is vastgelegd dat de transportboeien zijn omgelegd wegens vluchtgevaar, maar niet is vastgelegd of er concrete feiten of omstandigheden aanwezig waren die het gebruik van handboeien redelijkerwijs noodzakelijk maakten. Dit blijkt ook niet uit andere omstandigheden uit het dossier. Er kan daarom niet worden vastgesteld of het aanleggen van de transportboeien noodzakelijk of proportioneel was. Het gebruik van de transportboeien is volgens de raadsman onrechtmatig geweest en levert een onherstelbaar vormverzuim op. Verdachte was nog maar 13 jaar en de aanhoudingen waren voor hem heftig. De raadsman heeft bepleit dat ook dit vormverzuim zal moeten leiden tot strafvermindering. De raadsman heeft zich op het standpunt gesteld dat er conform het advies van de deskundigen geen jeugddetentie moet volgen, ook niet in voorwaardelijke zin. De raadsman heeft zich ten aanzien van de werkstraf gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank. Het voorstel van de officier van justitie om als bijzondere voorwaarde op te leggen dat verdachte een geldbedrag moet betalen aan de benadeelde partij is volgens de raadsman in strijd met de wet. 9.
- Het oordeel van de rechtbank Bij de beslissing over de straf en het bepalen van de maatregel heeft de rechtbank zich laten leiden door de persoon van de verdachte zoals die naar voren komt in nagenoemde rapportages en hetgeen de deskundige ter zitting heeft verklaard, alsmede de ernst van het bewezen geachte en de omstandigheden waaronder dit is begaan. De rechtbank acht daarbij in het bijzonder het volgende van belang. Ernst van de feiten Verdachte heeft zich samen met een ander schuldig gemaakt aan het veroorzaken van een ontploffing door drie Cobra’s 6, vastgetaped aan een 1,5 liter fles met daarin benzine, aan te steken. Deze ontploffing heeft geleid tot een brand met vlammen tot 2,5 meter hoog en moest door de brandweer geblust worden. Op het moment dat deze ontploffing plaatsvond, was de bewoonster thuis. Dit moet voor haar enorm beangstigend zijn geweest. Dat de impact van deze gebeurtenis op haar leven groot is, blijkt ook uit haar slachtofferverklaring, terwijl de aanleiding iets futiels lijkt te zijn geweest. De verdachte heeft hiermee het gevoel van veiligheid dat zij in en rondom zijn huis zou moeten hebben, ernstig geschaad. Hij heeft dit als klus gedaan voor een ander, om geld mee te verdienen. De rechtbank rekent dit verdachte zwaar aan. Het handelen van verdachte heeft niet alleen gevolgen gehad voor het slachtoffer, maar ook voor de samenleving in het algemeen. Dit soort daden veroorzaken gevoelens van angst en onveiligheid. Daarnaast is verdachte aangehouden met een nabootsing van een vuurwapen op zak. Hoewel het dus geen echt vuurwapen betrof, lijkt dit voorwerp wel sprekend op een echt vuurwapen. Ook met ‘nepwapens’ kan de veiligheid van personen in gevaar worden gebracht, aangezien deze in de praktijk blijken te worden ingezet om criminele activiteiten te plegen en deze geschikt zijn voor bedreiging. Persoon en persoonlijke omstandigheden van verdachte De rechtbank heeft kennisgenomen van een Uittreksel Justitiële documentatie (strafblad) van 14 oktober 2025 waaruit blijkt dat verdachte niet eerder is veroordeeld voor strafbare feiten. De rechtbank heeft daarnaast kennisgenomen van de rapportages die over de verdachte zijn opgesteld, waaronder de rapportage van de Raad van 29 oktober 2025 ten behoeve van de inhoudelijke behandeling. De Raad adviseert de rechtbank om een taakstraf in de vorm van een werkstraf op te leggen. Er is sprake van een zeer ernstig feit. Voor dergelijke feiten worden verdachten normaliter in voorarrest geplaatst, waardoor ook vaak direct hulpverlening wordt ingezet. Dit is bij verdachte niet gebeurd. Hoewel de Raad een (voorwaardelijke) jeugddetentie heeft overwogen, acht zij een dergelijke straf, gelet op de jeugdige leeftijd van verdachte en het feit dat hij first offender is, niet passend. Verdachte heeft sinds deze verdenking geen politiecontacten meer gehad. Er zijn bij verdachte beschermende factoren aanwezig en hij doet het over het algemeen goed op school. Het algemene recidiverisico is gemiddeld. Vormverzuimen Landeck-verweer De rechtbank stelt vast dat de telefoon van de verdachte in beslag is genomen na zijn aanhouding op 1 december 2024 en dat een onderzoek is verricht aan de telefoon op 2 januari
- Uit het dossier blijkt niet dat het onderzoek aan de telefoon van de verdachte met voorafgaande toestemming van een rechter heeft plaatsgevonden. Met de verdediging is de rechtbank van oordeel dat die toestemming gelet op de Landeck-jurisprudentie wel was vereist en dat door het ontbreken daarvan het recht op privacy van de verdachte is geschonden. Dat betekent dat sprake is van een vormverzuim in het voorbereidend onderzoek in de zin van artikel 359a Sv. Anders dan de verdediging is de rechtbank niet van oordeel dat uit de schending van de privacy van de verdachte per definitie tot strafvermindering moet leiden. In deze zaak is sprake van een verdenking van een ernstige strafbaar feit. Als de rechter-commissaris om toestemming was gevraagd voor onderzoek aan de telefoon zoals dat heeft plaatsgevonden, dan was die toestemming naar alle waarschijnlijkheid gegeven. Er kan dus niet gezegd worden dat de verdachte door het vormverzuim in een nadeligere positie is geraakt. Vanwege het ontbreken van enig daadwerkelijk nadeel volstaat de rechtbank dan ook met de constatering van het vormverzuim. Handboeien De rechtbank kan niet vaststellen dat er bij verdachte handboeien zijn aangelegd na zijn aanhouding op 18 december 2024, nu in het proces-verbaal van aanhouding opgenomen staat dat verdachte zonder handboeien vervoerd is naar het cellencomplex. De rechtbank stelt wel vast dat bij verdachte na zijn aanhouding op 24 maart 2025 handboeien zijn aangelegd. Uit het dossier blijkt dat de politie verdachte heeft aangehouden op verdenking van overtreding van artikel 27 van de Wet Wapens en Munitie en dat als reden voor het gebruik van handboeien ‘vluchtgevaar’ is geverbaliseerd. Elke politieambtenaar moet bij het boeien afwegen of dit een door de wet toegelaten doel dient en of het eigenlijk wel nodig is. De redenen voor deze afweging moet de politieambtenaar duidelijk opschrijven, zodat zij controleerbaar zijn. In het geval van het aanleggen van handboeien op grond van vluchtgevaar (onderdeel a), moet redelijkerwijs het concrete risico bestaan dat de verdachte, wegens het niet-geboeid zijn, zich aan zijn vrijheidsbeneming zou kunnen onttrekken. In dit geval is verdachte aangehouden op verdenking van het bezit van een vuurwapen. Waarschijnlijk was daarom sprake van gevaar voor de veiligheid van de politieambtenaren, verdachte of omstanders (onderdeel b). Dat is echter niet opgenomen als reden voor het boeien van verdachte. Zonder nadere toelichting, die ontbreekt, is voor de rechtbank niet duidelijk dat deze destijds 13-jarige verdachte vluchtgevaarlijk was op het moment van aanhouding, nadat hij was gefouilleerd. Dat betekent dat sprake is van een vormverzuim. Naar de rechtbank begrijpt heeft de raadsman als geleden nadeel vermeld dat dit boeien heftig is geweest voor een 13-jarige. Hoewel de rechtbank begrip heeft voor het feit dat het ‘heftig’ was voor verdachte, ziet zij geen aanleiding om strafvermindering toe te passen, omdat het erop lijkt dat verbalisanten weliswaar transportboeien mochten aanleggen, maar dan om een andere reden. Dat betekent dat de rechtbank volstaat met de constatering dat sprake is van een vormverzuim in de zin van artikel 359a Wetboek van Strafvordering zonder daar een rechtsgevolg aan te verbinden. Werkstraf Gelet op de aard en de ernst van de bewezenverklaarde feiten en de omstandigheden waaronder de verdachte deze feiten heeft gepleegd, zoals hiervoor beschreven, oordeelt de rechtbank dat een werkstraf van 200 uren passend en geboden is. De rechtbank oordeelt dat 100 uren niet ten uitvoer zullen worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten als de verdachte zich voor het einde van de op 2 jaren gestelde proeftijd opnieuw aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt. De rechtbank komt daarbij op een iets lagere straf uit dan door de officier van justitie geëist, omdat de rechtbank in hoge mate rekening heeft gehouden met de zeer jonge leeftijd van verdachte. 10Benadeelde partij 10.
- De vordering van de benadeelde partij De benadeelde partij heeft een vordering tot schadevergoeding ingediend van in totaal € 14.748,97, bestaande uit € 10.748,97 aan materiële schade en € 4.000,- aan immateriële schade. 10.
- Het standpunt van de officier van justitie De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de vordering niet-ontvankelijk moet worden verklaard. 10.
- Het standpunt van de verdediging De raadsman heeft zich primair op het standpunt gesteld dat verdachte vanwege zijn leeftijd niet aansprakelijk kan worden gesteld. Daarbij heeft de raadsman nadrukkelijk naar voren gebracht dat hij verweer voert namens verdachte en niet namens de ouders. Subsidiair heeft de raadsman zich op het standpunt gesteld dat de vordering niet eenvoudig toewijsbaar is. De vordering levert derhalve een onevenredige belasting van het strafgeding op. Meer subsidiair heeft de raadsman naar voren gebracht dat de vordering onvoldoende is onderbouwd met bewijsstukken. De raadsman heeft zich op het standpunt gesteld dat de hoogte van de vordering tot immateriële schade gelet op vergelijkbare gevallen dient te worden gematigd. 10.
- Het oordeel van de rechtbank Vorderingen bij een minderjarige verdachte onder de 14 jaar Op grond van het bepaalde in artikel 6:164 van het Burgerlijk Wetboek (hierna: BW) kan een gedraging van een kind dat de leeftijd van veertien jaren nog niet heeft bereikt, niet als een onrechtmatige daad aan hem worden toegerekend. Voor schade aan een derde toegebracht door een als doen te beschouwen gedraging van een kind onder de veertien jaar en aan wie deze gedraging als een onrechtmatige daad zou kunnen worden toegerekend als zijn leeftijd daaraan niet in de weg zou staan, is degene die het ouderlijk gezag of de voogdij over het kind uitoefent, aansprakelijk op grond van artikel 6:169 BW. De vordering van de benadeelde partij wordt daarom door de rechtbank geacht te zijn gericht tegen de ouders van de verdachte op grond van artikel 51g lid 4 Sv. Materiële schade De rechtbank zal de benadeelde partij in de vordering die ziet op de materiële schade niet-ontvankelijk verklaren. Van dit gedeelte van de vordering is niet eenvoudig vast te stellen of en in hoeverre deze kosten zijn gemaakt in relatie tot het bewezen verklaarde feit dan wel of deze schade rechtstreeks door het bewezen verklaarde feit is toegebracht, onder meer aangezien concrete bewijsstukken ontbreken. Nader onderzoek naar de juistheid en omvang van de vordering zou een uitgebreide nadere behandeling vereisen. De rechtbank is van oordeel dat de behandeling van dit deel van de vordering een onevenredige belasting van het strafgeding oplevert. De rechtbank zal de benadeelde partij daarom voor dit deel niet-ontvankelijk verklaren in haar vordering. De vordering kan bij de burgerlijke rechter worden aangebracht. Immateriële schade Ten aanzien van de immateriële schade overweegt de rechtbank als volgt. Vast staat dat de benadeelde partij [benadeelde partij] door het in zaak A bewezenverklaarde rechtstreeks immateriële schade is toegebracht. [benadeelde partij] bevond zich ten tijde van het bewezenverklaarde in de woning en moest hier door de brandweer uitgehaald worden, waarna zij voor controle naar het ziekenhuis is gebracht. De aard en de ernst van de normschending brengen mee dat de in dit verband relevante nadelige gevolgen daarvan voor de benadeelde zo voor de hand liggen dat zij op andere wijze zijn aangetast in de persoon in de zin van artikel 6:106, aanhef en onder b, BW. De benadeelde partij heeft recht op een naar billijkheid vast te stellen vergoeding van de immateriële schade. De hoogte van de vordering is betwist, althans verzocht is om matiging. Op grond van de door de benadeelde partij gestelde omstandigheden, rekening houdend met vergoedingen die in soortgelijke zaken worden toegekend, acht de rechtbank een bedrag van € 2.000,- (zegge: tweeduizend euro) aan immateriële schade billijk en toewijsbaar. De rechtbank zal de vordering tot een bedrag van € 2.000,- hoofdelijk toewijzen, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf het moment van ontstaan van de schade, te weten 1 december
- De rechtbank veroordeelt de ouders van verdachte aan [benadeelde partij] , het toegewezen bedrag te betalen. De rechtbank wijst de vordering voor het overige af. Schadevergoedingsmaatregel Ten aanzien van 12- en 13-jarigen kan geen schadevergoedingsmaatregel worden opgelegd. Aan ouders van de verdachte (die nog geen veertien jaar is) kan tevens geen (strafrechtelijke) schadevergoedingsmaatregel worden opgelegd. 11Beslag Onder verdachte is het volgende goed in beslag genomen: - 1 STK Telefoontoestel (omschrijving: PL1300-2024287145-6595656, Apple). Het voorwerp behoort aan verdachte toe. Nu met behulp van dit voorwerp het in zaak A bewezen geachte is begaan, wordt dit voorwerp verbeurdverklaard. 12Toepasselijke wettelijke voorschriften De op te leggen straffen zijn gegrond op de artikelen 33, 33a, 47, 77a, 77g, 77m, 77n, 77x, 77y, 77z, 157 van het Wetboek van Strafrecht en de artikelen 13 en 55 van de Wet wapens en munitie. 13Beslissing De rechtbank komt op grond van het voorgaande tot de volgende beslising. Verklaart bewezen dat verdachte het ten laste gelegde in Zaak A en Zaak B heeft begaan zoals hiervoor in rubriek 5 is aangegeven. Verklaart niet bewezen hetgeen aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor is bewezen verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij. Het bewezen verklaarde levert op: Zaak A medeplegen van opzettelijk een ontploffing teweegbrengen, terwijl daarvan gemeen gevaar voor goederen en levensgevaar en gevaar voor zwaar lichamelijk letsel voor een ander te duchten is; Zaak B handelen in strijd met artikel 13, eerste lid, van de Wet wapens en munitie. Verklaart het bewezene strafbaar. Verklaart verdachte, [verdachte] , daarvoor strafbaar. Veroordeelt verdachte tot een taakstraf bestaande uit een werkstraf voor de duur van 200 uren. Beveelt dat, als de verdachte de taakstraf niet naar behoren heeft verricht, vervangende jeugddetentie zal worden toegepast voor de duur van 100 dagen. Beveelt dat van deze straf het gedeelte van 100 uren niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten als de verdachte zich voor het einde van de op 2 jaren gestelde proeftijd opnieuw aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt. Beveelt dat, als de verdachte het voorwaardelijk deel van de taakstraf bij tenuitvoerlegging niet naar behoren heeft verricht, vervangende jeugddetentie zal worden toegepast voor de duur van 50 dagen. Verklaart verbeurd: 1 STK Telefoontoestel (Omschrijving: PL1300-2024287145-6595656, Apple). Benadeelde partij Bepaalt dat de vordering van de benadeelde partij [benadeelde partij] ten aanzien van het materiële gedeelte niet-ontvankelijk is. Wijst de vordering van [benadeelde partij] ten aanzien van het immateriële gedeeltelijk toe tot een bedrag van € 2.000,- (zegge: tweeduizend euro), te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf het moment van ontstaan van de schade, te weten 1 december 2024, tot aan de dag van algehele voldoening. Veroordeelt de ouders van verdachte aan [benadeelde partij] voornoemd, het toegewezen bedrag te betalen. Veroordeelt de ouders van verdachte voorts in de kosten door de benadeelde partij gemaakt en ten behoeve van deze tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog te maken, tot op heden begroot op nihil. De ouders van verdachte zijn hoofdelijk aansprakelijk voor het gehele bedrag. Zij zijn van hun schadevergoedingsplicht jegens de benadeelde partij bevrijd voor zover zij of verdachtes mededader(s) heeft/hebben voldaan aan een van de opgelegde verplichtingen tot vergoeding van deze schade. Wijst de vordering voor het overige af. Dit vonnis is gewezen door mr. A.M. Loots, voorzitter tevens kinderrechter, mrs. K. Oldekamp-Bakker en C. Bruil, rechters, in tegenwoordigheid van mr. A.M. Elsman, griffier, en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank van 27 november
- [--]