vonnis RECHTBANK AMSTERDAM Team Familie & Jeugd Parketnummer: 13.048041.25 Datum uitspraak: 27 november 2025 Vonnis van de rechtbank Amsterdam, meervoudige strafkamer, in de zaken tegen [verdachte] , geboren op [geboortedag] 2008 te [geboorteplaats] , wonende te [adres 1] . 1Onderzoek ter terechtzitting De rechtbank heeft beraadslaagd naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting achter gesloten deuren van 13 november 2025. De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie mr. M.S. Bond en van wat verdachte en zijn raadsman mr. S. Ettalhaoui naar voren hebben gebracht. Daarnaast heeft de rechtbank kennisgenomen van wat onder meer door [naam 1] , namens de Raad voor de Kinderbescherming (hierna: de Raad), [naam 2] , namens de Jeugdbescherming Regio Amsterdam (hierna: JBRA), [naam 3] als IFA-coach namens Levvel en door de vader en de moeder van verdachte naar voren is gebracht. 2Tenlastelegging Aan verdachte is, kort gezegd, ten laste gelegd dat hij zich heeft schuldig gemaakt aan: ten aanzien van het onder 1 ten laste gelegde: het medeplegen van het opzettelijk voorhanden hebben van professioneel vuurwerk, te weten 75 stuks Super Cobra 6, op 26 november 2024 te Amsterdam; ten aanzien van het onder 2 ten laste gelegde: het medeplegen van voorbereidingshandelingen gericht op het opzettelijk teweegbrengen van een ontploffing, door het voorhanden hebben van een (fascia)pakket met een hoeveelheid explosieve stof(fen), te weten flitspoeder en/of (bijbehorende)ontstekingsmechanisme(
- n)en/of jerrycans met benzine en/of 75 Cobra's en/of regenpak(ken) en/of handschoenen en/of bivakmuts(
- en)en/of scooter(
- s)op 26 november 2024 te Amsterdam; ten aanzien van het onder 3 ten laste gelegde: het medeplegen van het voorhanden hebben van een wapen van categorie II onder 7 van de wet wapens en munitie, te weten een explosief in de vorm van een fasciapakket, bevattende flitspoeder, zijnde een voorwerp bestemd voor het treffen van personen of zaken door vuur of door middel van ontploffing op 26 november 2024 te Amsterdam; ten aanzien van het onder 4 ten laste gelegde: het medeplegen (opzet/schuld)heling van een scooter (Piaggio Vespa GTS 300) en/of een scooter (Yamaha [nummer] ) op 26 november 2024 te Amsterdam. De volledige tenlastelegging is opgenomen in bijlage I die aan dit vonnis is gehecht en geldt als hier ingevoegd. 3Voorvragen De dagvaarding is geldig, deze rechtbank is bevoegd tot kennisneming van de ten laste gelegde feiten en de officier van justitie is ontvankelijk. Er zijn geen redenen voor schorsing van de vervolging. 4Waardering van het bewijs 4.1. Feiten en omstandigheden Op 26 november 2024 wordt er bij de politie een melding gemaakt van een vermoedelijke inbraak in een garagebox aan de [adres 2] in Amsterdam. De politie komt ter plaatse en treft hier medeverdachte [medeverdachte 1] aan. Daarnaast treffen de verbalisanten in de garagebox een gedemonteerde scooter en een scooter zonder kentekenplaat aan, die achteraf gestolen blijken te zijn. Tijdens de doorzoeking van de garagebox wordt een vuilniszak gevonden met daarin een kartonnen doos. In de doos zit illegaal professioneel knalvuurwerk, namelijk in totaal 75 stuks van het soort Super Cobra 6. Daarnaast zit er een zwart ingetaped pakket in de doos, waaraan een wit gekleurd stroomdraad is bevestigd. Dit is bekend als een zogenoemd ‘fasciapakket’. Het fasciapakket bevat meer dan 900 gram flitspoeder. Achteraf is op de camerabeelden bij de garagebox gezien dat verdachte bij de garagebox is geweest samen met medeverdachte [medeverdachte 2] . Verdachte heeft de deur van de garagebox geopend en is ongeveer 4 minuten binnen in de garagebox geweest. Vervolgens is gezien dat [medeverdachte 1] bij de garagebox arriveert. Verdachte en [medeverdachte 2] hebben samen in de auto met het kenteken [kenteken] gereden, die vlak voor de komst van de politie, weer vertrekt. Op de camerabeelden van een BP-tankstation is te zien dat verdachte samen met [medeverdachte 2] , voordat zij naar de garagebox zijn gegaan, vijf jerrycans heeft gevuld. Verdachte heeft de benzine betaald met contant geld. 4.2. Het standpunt van de officier van justitie De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat alle aan verdachte ten laste gelegde feiten wettig en overtuigend kunnen worden bewezen. Ten aanzien van de feiten 1, 3 en 4 kan bewezen worden dat verdachte wetenschap had van de aangetroffen goederen in de garagebox en dat hij over deze goederen kon beschikken. Verdachte is bij de garagebox geweest, had de sleutel hiervan en heeft de garagebox geopend. Verder heeft verdachte jerrycans gevuld met benzine afgeleverd en neergezet in de garagebox. Er was sprake van een nauwe en bewuste samenwerking tussen verdachte, [medeverdachte 2] en [medeverdachte 1] . Zij hebben alle drie een eigen rol gehad bij het in- en uitladen van de jerrycans en de overige goederen in de box, waarbij over en weer weinig instructies werden gegeven, wat betekent dat zij dit vooraf doorgesproken moeten hebben. Verder is het volgens de officier van justitie opvallend dat verdachte een ‘boks’ geeft aan [medeverdachte 1] , wat normaal gesproken alleen gebeurt bij mensen die je goed kent. Omdat verdachte de beschikkingsmacht had over de aangetroffen goederen, kan ook het medeplegen van de schuldheling worden bewezen van de Piaggio Vespa. Verdachte heeft moeten zien de scooter geen kenteken had en daarom moeten vermoeden dat deze gestolen was. De officier van justitie vraagt om vrijspraak voor de heling van de Yahama, omdat deze was gedemonteerd en deels was verpakt in bubbelplastic. Ten aanzien van feit 2 geldt dat de verdachten met een zeer ongebruikelijke combinatie van voorwerpen worden aangetroffen. Het is de combinatie van een gekraakte garagebox, spullen om geïmproviseerde explosieven te maken, een fasciapakket én heel veel plastic handschoenen, een regenpak en bivakmutsen, die maakt dat het niet anders kan dan dat deze goederen kennelijk bestemd waren voor het voorbereiden van explosies. 4.3. Het standpunt van de verdediging De raadsman heeft ten aanzien van alle ten laste gelegde feiten vrijspraak bepleit. De raadsman stelt zich op het standpunt dat verdachte geen wetenschap had van de aangetroffen goederen in de garagebox en dat hij over die goederen ook niet kon beschikken. Het dossier bevat geen bewijs dat verdachte wist van of betrokken was bij wat zich verder in of rondom de garagebox afspeelde. De rechtbank heeft in de zaak van de medeverdachte [medeverdachte 2] redengevend geacht dat onder meer berichten op diens telefoon zijn aangetroffen over het leveren van Cobra’s, dat hij herhaaldelijk bij de garagebox is geweest en dat zijn gedrag duidde op betrokkenheid bij het opslaan of verhandelen van explosieven. Dergelijke omstandigheden doen zich in het geval van verdachte niet voor. Verdachte handelde bij het tanken en afleveren van de benzine uitsluitend op verzoek van een derde, zonder wetenschap van de precieze aard of achtergrond van de activiteiten van anderen, waardoor van medeplegen geen sprake kan zijn. Verdachte betwist uitdrukkelijk dat sprake is geweest van een nauwe en bewuste samenwerking met de medeverdachten. Het feit dat verdachte de medeverdachte [medeverdachte 1] begroette met een ‘boks’ betekent niet dat er sprake is van een nauwe band of samenwerking tussen hen. 4.4. Het oordeel van de rechtbank 4.4.1. Vrijspraak feiten 1 en 3 – voorhanden hebben vuurwerk en explosief Juridisch kader Voor een veroordeling wegens het voorhanden hebben van een wapen in de zin van artikel 26, eerste lid, van de Wet wapens en munitie, zoals Cobra’s en een fasciapakket, is vereist dat verdachte het betreffende wapen bewust voorhanden heeft gehad. Die bewustheid hoeft zich niet uit te strekken tot de specifieke eigenschappen en kenmerken van het wapen of tot de exacte locatie ervan. Voor het bewijs van dergelijke bewustheid geldt dat daarvan ook sprake kan zijn in een geval dat het eigenlijk niet anders kan dan dat de verdachte zulke bewustheid heeft gehad. Verder is voor de bewezenverklaring van dat voorhanden hebben nodig dat de verdachte feitelijke macht over het wapen heeft kunnen uitoefenen in de zin dat hij daarover heeft kunnen beschikken. In het geval dat het medeplegen van het voorhanden hebben van wapen is tenlastegelegd, moet komen vast te staan dat sprake is geweest van een nauwe en bewuste samenwerking door de verdachte met en of meer anderen die was gericht op het voorhanden hebben van het wapen. Ook dan is vereist dat de verdachte zich bewust was van de (waarschijnlijke) aanwezigheid van het wapen, zonder dat die bewustheid zich hoeft uit te strekken tot de specifieke eigenschappen en kenmerken of tot de exacte locatie van dat explosief of vuurwerk. Daarnaast moet vaststaan dat de verdachte tezamen met de mededader(
- s)feitelijke macht over het wapen heeft kunnen uitoefenen in de hiervoor weergegeven zin. Beoordeling Hoewel de onder 4.1. geschetste feiten en omstandigheden mogelijk naar strafrechtelijke betrokkenheid van verdachte wijzen, heeft verdachte hierover een andere verklaring afgelegd. Verdachte heeft ter terechtzitting verklaard dat hij van een persoon een opdracht heeft gekregen om de jerrycans te vullen. Hij zou € 300,- krijgen als hij deze jerrycans vervolgens naar de garagebox zou brengen. Verdachte zou door dit aangeboden bedrag verblind zijn geweest en heeft er niet over nagedacht dat daar ‘iets’ achter zou zitten. Hij wist niet wat er in de garagebox lag. Verdachte voerde slechts een opdracht uit. De persoon met wie hij in de auto zat, kende hij voorafgaand aan deze dag nog niet en de sleutel van de garagebox had hij gekregen van de opdrachtgever. De rechtbank is van oordeel dat sprake is van een opmerkelijke en verdachte situatie. De rechtbank kan de alternatieve lezing van verdachte echter niet als hoogst onwaarschijnlijk ter zijde schuiven. De rechtbank acht, alles overwegende, het scenario zoals door verdachte is geschetst, niet onaannemelijk. Daarbij weegt de rechtbank mee dat het donker was op het moment dat verdachte bij de garagebox aanwezig was en dat onder andere het aangetroffen vuurwerk verpakt was en dus niet direct zichtbaar. Op grond van hetgeen onder 4.1. is overwogen, kan weliswaar worden vastgesteld dat er sprake is van een vorm van samenwerking tussen verdachte, [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] , maar er zijn in het geval van verdachte – anders dan bij de medeverdachten – geen aanvullende feiten of omstandigheden naar voren gekomen die erop wijzen dat verdachte wist van de goederen die in de garagebox aanwezig waren. Integendeel, er is onderzoek gedaan in de telefoon van verdachte en hierin zijn geen belastende gegevens aangetroffen die wijzen op een grotere betrokkenheid dan verdachte heeft verklaard. De rechtbank komt dan ook niet tot de overtuiging dat verdachte wetenschap had van hetgeen in de garagebox aanwezig is geweest. De rechtbank is van oordeel dat in het dossier onvoldoende en wettig overtuigend bewijs aanwezig is om te komen tot een bewezenverklaring van de ten laste gelegde feiten. De rechtbank spreekt verdachte vrij. 4.4.2. Vrijspraak feit 2 – voorbereiden van een ontploffing Nu verdachte vrijgesproken wordt van feit 1 en feit 3, komt de rechtbank ook tot een vrijspraak van het onder 2 ten laste gelegde feit. De rechtbank concludeert dat niet kan worden vastgesteld dat verdachte wetenschap had van het voorhanden hebben van het vuurwerk en het explosief. Dat maakt dat hij ook moet worden vrijgesproken van eventuele voorbereidingshandelingen voor het teweegbrengen van een ontploffing of brandstichting, waarbij die voorwerpen zouden kunnen worden gebruikt, al dan niet in combinatie met de aangetroffen handschoenen, regenpak en bivakmuts. 4.4.3. Vrijspraak feit 4 – heling van scooters De rechtbank stelt vast dat er twee gestolen scooters in de garagebox zijn aangetroffen. Bij één van de twee scooters (later blijkt van het merk Piaggio Vespa) ontbreekt de kentekenplaat en de andere scooter (later blijkt van het merk Yamaha) blijkt gedemonteerd te zijn. De rechtbank is van oordeel dat in het dossier onvoldoende wettig en overtuigend bewijs aanwezig is om te komen tot een bewezenverklaring van de heling van beide scooters. Uit de camerabeelden blijkt dat verdachte slechts voor een korte periode bij de garagebox aanwezig is geweest, waarbij te zien is dat hij voornamelijk bezig was met de deur, zijn telefoon en de jerrycans benzine. Daarnaast was het donker, zowel buiten als in de garagebox. Op grond van deze feiten en omstandigheden is niet aannemelijk geworden dat verdachte moet hebben gezien dat de scooters door misdrijf afkomstig verkregen goederen waren of dat verdachte redelijkerwijs had moeten vermoeden dat de scooters van diefstal afkomstig waren. Dat de verbalisanten bij de scooter gelijk zien dat de kentekenplaat ontbreekt, betekent niet dat verdachte hetzelfde heeft waargenomen. Verbalisanten letten hier op en zijn hiervoor opgeleid. Het is niet vanzelfsprekend dat verdachte als ‘gewone burger’, die bovendien minderjarig was, zich direct had moeten beseffen dat het ontbreken van die kentekenplaat mogelijk verband had met een diefstal. De rechtbank weegt daarbij mee dat op basis van het dossier alleen kan worden vastgesteld dat verdachte die dag in de box aanwezig is geweest en niet op eerdere tijdstippen. De rechtbank spreekt verdachte vrij van de heling. 5Beslissing De rechtbank: Spreekt verdachte vrij van hetgeen onder 1, 2, 3 en 4 aan hem ten laste is gelegd. Heft op het geschorste bevel tot voorlopige hechtenis. Dit vonnis is gewezen door mr. K. Oldekamp-Bakker, voorzitter tevens kinderrechter, mrs. A.M. Loots en C. Bruil, rechters, in tegenwoordigheid van mr. A.M. Elsman, griffier, en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank van 27 november 2025. [--] Hoge Raad 31 maart 2020, ECLI:NL:HR:2020:504. Hoge Raad 21 december 2021, ECLI:NL:HR:2021:1938. NJ 2022/316 m.nt. Lindenberg.