← Nederland

ECLI:NL:RBAMS:2025:11419

RECHTBANK Amsterdam Civiel recht, voorzieningenrechter Zaaknummer: C/13/779437 / KG ZA 25-972 MdV/KH Vonnis in kort geding van 24 december 2025 in de zaak van 1 [eiser 1] B.V., 2. [eiser 2] B.V., 3. [eiser 3] B.V., 4. [eiser 4] B.V., alle te [vestigingsplaats] , eisende partijen bij dagvaarding van 2 december 2025, verwerende partijen in reconventie, hierna samen te noemen: [eisers] en ieder apart [eiser 1] , [eiser 2] , [eiser 3] en [eiser 4] , advocaat: mr. C.H.D.W. van den Borne-Verheijen, tegen de rechtspersoon naar vreemd recht DEUTSCHE BANK AG, te Amsterdam, gedaagde partij in conventie, eisende partij in reconventie, hierna te noemen: Deutsche Bank of de bank, advocaten: mr. B.W. Wijnstekers en mr. A.V.H. Boitelle. 1De procedure 1.1. Tijdens de mondelinge behandeling op 11 december 2025 heeft [eisers] de dagvaarding toegelicht. Deutsche Bank heeft verweer gevoerd en een eis in reconventie (tegenvordering) ingesteld. [eisers] heeft de tegenvordering bestreden. Beide partijen hebben producties en pleitaantekeningen in het geding gebracht. Ter zitting is besproken dat één van de onderdelen van de vordering van [eisers] mogelijk zou komen te vervallen omdat de bank daar alsnog aan zou voldoen. Op 17 december 2025 heeft mr. Van den Borne-Verheijen via een bericht in het digitale dossier bevestigd dat dat het geval is en de eis namens [eisers] in lijn daarmee verminderd. Vonnis is bepaald op vandaag. 1.2. Ter zitting waren aanwezig: aan de zijde van [eisers] : [naam 1] , [naam 2] ( [functie] ) en [naam 3] ( [functie] namens Exitus B.V.) met mr. Van den Borne-Verheijen, aan de zijde van de bank: [naam 5] (bedrijfsjurist) met mr. Wijnstekers en mr. Boitelle. 2De feiten 2.1. De gebroeders [familienaam] (1.2) zijn via hun persoonlijke vennootschappen bestuurders en aandeelhouders van [eiser 1] . [eiser 1] is een financiële holding. [eiser 2] , [eiser 4] en [eiser 3] zijn actief in respectievelijk de varkenshouderij, de (agrarische) bouw en de projectontwikkeling en zij zijn 100% dochters van [eiser 1] . Tot 28 oktober 2014 was 50% van de aandelen in [eiser 3] nog in handen van [naam 4] . 2.2. [eisers] bankierden bij de rechtsvoorganger van Deutsche Bank. In 2007 zijn zowel [eiser 2] als [eiser 3] een kredietovereenkomst en een renteswapovereenkomst aangegaan bij de rechtsvoorganger. De lening aan [eiser 3] werd verstrekt ter financiering van de aankoop en ontwikkeling van onroerende zaken aan de [het vastgoed] (hierna: het vastgoed). Het vastgoed bestond uit een voormalig garagebedrijf met erf, dat aan enkele derden was verhuurd en werd gebruikt als sportschool, spuiterij en een pension voor 40 arbeidsmigranten. [eiser 3] had het plan om het vastgoed, in samenwerking met de gemeente en een woningcorporatie, te herontwikkelen tot appartementen en starterswoningen en vervolgens te verkopen. Tot het moment dat de benodigde vergunningen werden verleend, zou [eiser 3] het vastgoed blijven verhuren aan derden. 2.3. Op 1 april 2010 heeft Deutsche Bank de positie van haar rechtsvoorganger overgenomen, kort nadat die laatste had bericht dat de overgang van hun bankrelatie de rechtspositie van [eisers] niet zou veranderen. 2.4. In 2012 heeft Deutsche Bank [eisers] onder haar afdeling Bijzonder beheer geplaatst. In datzelfde jaar berichtte de bank dat zij bereid was om de kredietverlening aan [eiser 3] voor een periode van maximaal twee jaar te continueren, onder nadere voorwaarden ten laste van [eisers] , waaronder strikte aflossingsverplichtingen en een inspanningsverplichting met betrekking tot de verkoop van het vastgoed. [eiser 3] heeft hiermee ingestemd. 2.5. In 2013 heeft Deutsche Bank aan [eisers] bericht dat de bank haar focus had aangescherpt en zichzelf niet langer zag als de geschikte bank voor [eisers] In datzelfde jaar heeft zij [eisers] bericht dat zij de kredietlimiet in rekening-courant vanaf 1 oktober 2013 wenste te reduceren met € 50.000 per kwartaal, tot nihil. Ondanks de in reactie daarop uiteengezette bezwaren door de [functie] van [eisers] , Exitus B.V. (hierna: Exitus) heeft Deutsche Bank bij haar beslissing gepersisteerd en [eisers] in overweging gegeven om elders risicodragend vermogen aan te trekken, omdat zij de relatie met [eisers] op termijn wenste te beëindigen. 2.6. Dit heeft er volgens [eisers] toe geleid dat zij zich in 2014 genoodzaakt zag over te stappen naar een andere bank en om een deel van haar vastgoed te verkopen. 2.7. Bij koopakte van 17 april 2014 heeft [eiser 3] voor € 500.000 aan [naam 4] verkocht: de bedrijfsruimte met showroom en overige aanhorigheden, plaatselijk bekend [adres] kadastraal bekend [gemeente] , [sectie] , [nummer 1] (later genoemd [nummer 2] ) en [nummer 3] , beide gedeeltelijk, samen groot ca. 11 are 50 centiare (hierna: het bedrijfspand). Het bedrijfspand is bij akte van 19 juni 2014 geleverd. 2.8. Op 27 juni 2014 is [eisers] met ABN AMRO Bank N.V. (hierna: ABN AMRO) een financiering ter oversluiting van de bestaande leningen bij Deutsche Bank overeengekomen. 2.9. [eisers] heeft Deutsche Bank en ABN AMRO vervolgens gedagvaard in een bodemprocedure. Bij vonnis van 28 september 2022 (hierna: het vonnis) heeft deze rechtbank voor recht verklaard dat (alleen) Deutsche Bank jegens [eisers] toerekenbaar tekort is geschoten in de nakoming van haar verplichtingen als bankier, en haar veroordeeld tot vergoeding van de bij staat op te maken schade die [eisers] hierdoor heeft geleden. Ook is Deutsche Bank veroordeeld tot betaling van € 6.775 aan buitengerechtelijke incassokosten met rente. De rechtbank overwoog onder meer: “4.11. (…) Uit hetgeen hiervoor is overwogen volgt naar het oordeel van de rechtbank dat Deutsche Bank bij de uitvoering van de overeenkomsten die zij met [eisers] heeft gesloten in 2012 en 2013 is tekort geschoten. Ten onrechte is geweigerd de kredietovereenkomst met [eiser 3] te verlengen, ten onrechte is de onderneming onder bijzonder beheer geplaatst en ten onrechte is verlangd dat het krediet in rekening-courant met € 50.000,00 per kwartaal zou worden teruggebracht tot nihil. Een en ander heeft ertoe geleid dat [eisers] zich gedwongen zag een andere bank te zoeken. Voor de schade die hierdoor is ontstaan is Deutsche Bank aansprakelijk. (…)” (…) 4.14. (…) (…) Vertrekpunt voor de rechtbank is derhalve dat [eisers] in 2014 een nieuwe bankrelatie is aangegaan. Volgens [eisers] stelde ABN Amro (…) daarbij ten onrechte (

  1. te)strenge voorwaarden. Een van die voorwaarden was kennelijk de gedeeltelijke verkoop van het vastgoed in [eiser 3] . (…) Ter zitting is hierover door E. [naam 1] verklaard dat de onderneming hiervoor in 2014 een regeling met [naam 4] heeft getroffen, die inhield dat zij de aandelen van [naam 4] voor € 1,00 zou kopen, dat het pand gesplitst zou worden en dat [naam 4] het linker gedeelte van het pand - waarin het pension was gevestigd - via een privéfinanciering zou overnemen. Daarvoor is uiteindelijk € 500.000,00 betaald. De reden van de verkoop van de aandelen was dat ABN Amro (…) niet wilde dat de gebroeders [naam 1] samen met [naam 4] aandeelhouder zouden blijven in [eiser 3] . Het rechtergedeelte van het bedrijfspand bleef achter in [eiser 3] . Daarin zijn naderhand negen woningen ontwikkeld en verkocht. (…) 4.15. (…) (…) Voor zover [eisers] door de gedwongen verkoop van het vastgoed al schade heeft geleden, is dit het gevolg geweest van het hiervoor beschreven verwijtbare handelen van Deutsche Bank, waarvoor die bank ook is aan te spreken door [eisers] (…) (…) 4.17. Alleen Deutsche Bank is aldus door [eisers] uit hoofde van wanprestatie aan te spreken. Deutsche Bank is gehouden de schade die [eisers] daardoor lijdt, aan haar te vergoeden. Een deel van de schade die door [eisers] is geleden, is inmiddels vergoed via het [Uniform Herstelkader]. (…) Er kan echter sprake zijn van meer schade, ook omdat de verwijten richting de bank op verschillende punten doel treffen. Daarbij kan bijvoorbeeld gedacht worden aan de schade die is ontstaan door de niet zorgvuldige afwikkeling van de bulletlening of door de kredietreductieverplichting. Het debat daarover is naar het oordeel van de rechtbank onvoldoende specifiek gevoerd. De rechtbank ziet in een en ander aanleiding de zaak naar de schadestaat te verwijzen. (…).” 2.10. Deutsche Bank is in hoger beroep gegaan. In het arrest van 12 augustus 2025 (hierna: het arrest) heeft het gerechtshof Amsterdam het vonnis grotendeels bekrachtigd. Het hof heeft daartoe onder meer het volgende overwogen: “5.3. Net zomin als de rechtbank ziet het hof in de feiten aanknopingspunten voor de stelling van Deutsche Bank dat [eiser 3] in 2012 afspraken had geschonden of schond doordat zij het vastgoed nog niet had ontwikkeld of verkocht en daarvoor op dat moment ook geen concrete plannen had waardoor ze haar openstaande schuld uit de geldlening niet kon aflossen. Die (door Deutsche Bank dus ten onrechte gestelde) omstandigheid rechtvaardigde dan ook niet dat Deutsche Bank de voorwaarden van kredietverlening in het nadeel van [eisers] aanpaste, door hen onder bijzonder beheer te plaatsen en de lening aan [eiser 3] met slechts twee jaren te verlengen onder de voorwaarde dat [eiser 3] het vastgoed zou verkopen. (…) 5.5. (…) . (…) Maar Deutsche Bank heeft de financieringsvoorwaarden zonder kenbare rechtvaardiging substantieel ten laste van [eisers] verslechterd, zoals – steeds met (onder meer) financiële consequenties voor [eisers] – haar weigering om de lening aan [eiser 3] ongewijzigd te verlengen, de kredietlimiet van [eiser 2] te reduceren, en [eisers] onder bijzonder beheer te plaatsen. Hoewel Deutsche Bank wist – en Exitus haar onder meer er nadrukkelijk op had gewezen – dat [eisers] mede vanwege de negatieve waarde van de renteswap van [eiser 3] een slechte onderhandelingspositie hadden en genoodzaakt zouden zijn om tegen relatief ongunstige voorwaarden te contracteren, heeft ze volstaan met het advies aan en druk op [eisers] om een alternatieve financier te zoeken. Ook naar het oordeel van het hof heeft Deutsche Bank aldus haar zorgplicht jegens [eisers] geschonden. 5.6. (…) (…) De door de rechtbank toewijsbaar geoordeelde schadevergoeding waarop [eisers] jegens Deutsche Bank aanspraak kunnen maken, vergt een vergelijking van de financiële positie waarin [eisers] zouden hebben verkeerd als Deutsche Bank of een andere kredietverstrekker in 2012 en daarna de kredietrelatie met [eisers] tegen dezelfde voorwaarden had voortgezet, met de financiële positie waarin [eisers] zijn komen te verkeren ten gevolge van de voorwaarden waaronder zij sinds 2012 door Deutsche Bank en hun huidige kredietverstrekker zijn gefinancierd. Het recht van [eisers] op vergoeding van hun positieve contractsbelang brengt mee dat deze vergoeding ook de schade betreft van misgelopen opbrengsten uit investeringen die [eisers] in het kader van hun oorspronkelijke kredietrelatie hadden kunnen en willen doen maar waarvan zij door de tekortkoming van Deutsche Bank zijn afgehouden. Deze schade dient in een schadestaatprocedure te worden begroot. (…)” 2.11. Het vonnis is vernietigd waar het de veroordeling tot betaling van € 6.775 aan buitengerechtelijke kosten betreft. Daartoe overwoog het hof als volgt: “5.8. Ten behoeve van het behoud van hun kredietvoorwaarden bij Deutsche Bank en hun nieuwe financier hebben [eisers] , door middel van Exitus, kosten gemaakt. In het incidentele hoger beroep voeren zij aan dat Deutsche Bank op de voet van art. 6:96 lid 2 onder b en c BW gehouden is om ook die schade te vergoeden en dat die schade met het door de rechtbank toegewezen bedrag van € 6.775 niet is vergoed. [eisers] maken, na eiswijziging, aanspraak op een bedrag van € 107.031,53, met rente. Naar het oordeel van het hof hebben [eisers] voldoende aannemelijk gemaakt dat zij op dit punt meer schade hebben geleden dan € 6.775, maar heeft Deutsche Bank ook terecht aangevoerd dat de nadere berekening van [eisers] onvoldoende doorzichtig is – ze lijkt ook niet te zijn gebaseerd op de tekortkoming van Deutsche Bank die het hof hierboven heeft vastgesteld. Het hof acht ook ter zake van deze schade van [eisers] een verwijzing naar de schadestaatprocedure aangewezen.” 2.12. Tegen het arrest is geen cassatie ingesteld. 2.13. ABN AMRO heeft recent voorwaarden gesteld voor verlenging van de kredietfaciliteit van [eisers] , die inhouden dat [eisers] uiterlijk 31 december 2025 (
  2. i)minimaal 95% van de benodigde varkensrechten in haar bezit moet hebben en (
  3. ii)minimaal € 500.000 vrij beschikbare middelen moet hebben voor het opvangen van tegenvallers. Beide onderdelen worden op 15 januari 2026 getoetst. Als [eisers] hieraan niet voldoet, dan moet zij ABN AMRO voor 1 augustus 2026 volledig terugbetalen. 2.14. Volgens [eisers] is met de koop van varkensrechten een bedrag van € 880.000 gemoeid. De voorwaarden brengen volgens haar mee dat zij op korte termijn over een bedrag van € 1,38 miljoen moet beschikken. Zij heeft Deutsche Bank om deze reden gevraagd om een voorschot van € 759.600 op de schadevergoeding, gebaseerd op een door Exitus opgesteld schaderapport van 9 oktober 2023 (hierna: het Exitus-rapport). Het voorschot is opgebouwd uit (
  4. i)€ 363.500 voor de te lage verkoopopbrengst van [adres] , (
  5. ii)€ 381.100 voor verlies aan huurinkomsten van [adres] en (iii) € 15.000 voor de waiver fee die [eisers] heeft betaald vanwege het bijzonder beheer. 2.15. Deutsche Bank heeft betaling van het voorschot tot op heden geweigerd, met uitzondering van een bedrag van € 21.506,21 voor de waiver fee (€ 15.000 plus wettelijke rente) dat na de mondelinge behandeling inmiddels wel door Deutsche Bank is betaald. 3Het geschil In conventie 3.1. [eisers] vordert – samengevat en na vermindering van eis – veroordeling van Deutsche Bank tot betaling van een voorschot van € 738.093,79 op de schadevergoeding, vermeerderd met de wettelijke rente en met veroordeling van Deutsche Bank in de proceskosten, eveneens vermeerderd met de wettelijke rente. 3.2. Volgens [eisers] staat vast dat zij een vordering heeft op Deutsche Bank. In twee instanties is geoordeeld dat Deutsche Bank de schade moet vergoeden die [eisers] heeft geleden als gevolg van de weigering om de kredietovereenkomst met [eiser 3] te verlengen, het ten onrechte onder bijzonder beheer plaatsen, de onterechte reductie van de rekening-courant, het financiële nadeel als gevolg van de gedwongen wissel van bank en de gedwongen verkoop van het vastgoed. De definitieve omvang van de schade zal uit de schadestaatprocedure blijken. Het nu gevorderde, voorzichtig begrote en onderbouwde, voorschot ziet slechts op enkele in het Exitus-rapport genoemde schadeposten met betrekking tot het bedrijfspand. Uit het Exitus-rapport blijkt een totale schade van € 2.816.668 (exclusief wettelijke rente). Het is volgens [eisers] daarom aannemelijk dat Deutsche Bank in de schadestaatprocedure zal worden verplicht om ten minste het nu gevorderde voorschot te betalen. Zij heeft een spoedeisend belang bij de vordering vanwege de voorwaarden die gesteld worden door ABN AMRO, die niet bereid is tot opschorting. Herfinanciering bij een andere bank is niet mogelijk, onder meer omdat [eisers] niet beschikt over de varkensrechten. [eisers] meent dat het niet voldoen aan de voorwaarden van ABN AMRO kan leiden tot haar faillissement. 3.3. Deutsche Bank voert verweer. In het vonnis en het arrest is slechts komen vast te staan dat wat de bank heeft gedaan een normschending oplevert. Volgens haar is daarin niet vooruitgelopen op de vaststelling van bepaalde concrete schadeposten, het causaal verband, toerekenbaarheid of eigen schuld, terwijl ook in hoger beroep het Exitus-rapport was ingebracht. Niet valt in te zien waarom dan wel in kort geding een voorschot zou kunnen worden toegewezen, terwijl daar geen ruimte is voor het benodigde feitenonderzoek. De gestelde schade is bovendien onvoldoende aannemelijk, er is geen sprake van onverwijlde spoed en er is sprake van een groot restitutierisico. Het causaal verband en de schade zullen in de schadestaatprocedure moeten worden vastgesteld aan de hand van een integrale vergelijking van de financiële positie van [eisers] zoals die nu is en zoals die zonder normschending zou zijn geweest. [eisers] kan nu niet door cherry picking een deel van de door haar gewenste schadevergoeding vragen. Onderdeel (
  6. i)en (
  7. ii)van het voorschot (2.14), door de bank de vastgoedclaim genoemd, zijn volgens haar innerlijk tegenstrijdig en kloppen ook om andere redenen niet. Overigens vindt de stelling dat de vastgoedclaim voor vergoeding in aanmerking komt, geen steun in het arrest. 3.4. Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan. In (voorwaardelijke) reconventie 3.5. Deutsche Bank vordert dat: I. als (een deel van) het gevraagde voorschot wordt toegewezen, daaraan de voorwaarde van zekerheidstelling wordt verbonden zoals omschreven in randnummer 56 e.v. van de conclusie van antwoord, II. [eisers] wordt veroordeeld tot verstrekking aan de bank van de informatie en documenten zoals uiteengezet in randnummer 75 van de conclusie van antwoord, op straffe van een dwangsom. 3.6. [eisers] voert verweer. Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, ingegaan. 4De beoordeling 4.1. Gelet op de samenhang van de vorderingen in conventie en reconventie, zullen deze gezamenlijk beoordeeld worden. 4.2. Een geldvordering is in kort geding alleen toewijsbaar als de eisende partij daarbij een spoedeisend belang heeft en voldoende aannemelijk is dat de bodemrechter de vordering ook zal toewijzen. Daarbij moet de voorzieningenrechter een inschatting maken van het risico dat het geld niet kan worden terugbetaald als de bodemrechter tot een ander oordeel komt. 4.3. Volgens Deutsche Bank is geen sprake van een spoedeisend belang aan de zijde van [eisers] , omdat zij niet heeft onderbouwd dat zij zonder het gevraagde voorschot niet aan de door ABN AMRO gestelde voorwaarden kan voldoen. Als dat al zo zou zijn, heeft [eisers] nog tot augustus 2026 de tijd om te herfinancieren. Ook is volgens Deutsche Bank onvoldoende gebleken dat ABN AMRO niet bereid is de voorwaarden te wijzigen. In deze stellingen wordt Deutsche Bank niet gevolgd. Uit de door [eisers] overgelegde stukken en de toelichting ter zitting is de spoedeisendheid voldoende gebleken. Dat [eisers] voor augustus 2026 herfinanciering zou kunnen regelen als zij niet aan de voorwaarden van ABN AMRO kan voldoen doet aan de spoedeisendheid van de nu gevraagde voorziening niet af, en overigens is door haar voldoende weersproken dat zij daadwerkelijk tot zo’n snelle herfinanciering in staat zou zijn. 4.4. Tussen partijen is niet in geschil dat inmiddels in twee instanties en onherroepelijk is geoordeeld dat Deutsche Bank toerekenbaar tekort is geschoten in haar verplichtingen als bankier en dat zij de schade die [eisers] hierdoor heeft geleden, nader op te maken bij staat en te vereffenen volgens de wet, dient te vergoeden. In dit kort geding komt het in de kern neer op de vraag of voldoende vast staat dat [eisers] schade heeft geleden en aanspraak kan maken op een voorschot op de vergoeding daarvan. Die vraag moet bevestigend worden beantwoord en dat wordt hieronder toegelicht. 4.5. Het gevraagde voorschot is gebaseerd op de schade als gevolg van de gedwongen verkoop van het bedrijfspand in 2014. Het eerste onderdeel van de vordering ziet op compensatie van € 363.500 voor de gestelde te lage verkoopopbrengst. Het tweede onderdeel heeft betrekking op de gestelde gemiste huurinkomsten over 2014 t/m 2023, van in totaal € 381.100. Deutsche Bank heeft hier terecht tegen ingebracht dat deze schadeposten niet naast elkaar kunnen worden gevorderd. Als het pand in 2014 was verkocht tegen de hogere, door [eisers] genoemde waarde, was zij immers alsnog de huurinkomsten misgelopen. [eisers] heeft dit ter zitting erkend en zij maakt daarom in plaats van de te lage verkoopopbrengst nu aanspraak op de misgelopen waardestijging door de gedwongen verkoop in 2014. Haar stelling dat zij door diezelfde verkoop huurinkomsten heeft gemist, heeft zij gehandhaafd. 4.6. De voorzieningenrechter is van oordeel dat een voorschot op de schade als gevolg van de misgelopen waardestijging op zijn plaats is. Vaststaat dat het bedrijfspand door [eiser 3] werd verkocht aan [naam 4] voor € 500.000. Voorshands is aannemelijk dat die verkoop niet (toen) had plaatsgevonden als de bank die voorwaarde niet had gesteld voor het verlengen van de lening. Partijen zijn het erover eens dat het pand in 2014 (in ieder geval) € 500.000 waard was, nu Deutsche Bank dat als een redelijke marktprijs heeft bestempeld. Ook mag aangenomen worden dat het bedrijfspand vanaf 2014 in waarde is gestegen. Gelet op het feit dat sinds de verkoop elf jaar is verstreken, is het redelijk voorshands en schattenderwijs uit te gaan van een gemiste waardestijging van € 100.000. 4.7. Ook ten aanzien van de misgelopen huurinkomsten acht de voorzieningenrechter een voorschot gerechtvaardigd. De misgelopen huurinkomsten over 2014 t/m 2023 zijn in het Exitus-rapport begroot op € 381.100. Daarbij is uitgegaan van huuropbrengsten van € 108.700 per jaar minus kosten van € 26.300 per jaar, wat neerkomt op jaarlijks misgelopen huurinkomsten van € 82.400, met een totaal van € 370.800. Gelet op het feit dat dit pand momenteel nog steeds met dezelfde bestemming wordt verhuurd, is voldoende aannemelijk dat € 370.800 aan huur is misgelopen. Hierin is voldoende verdisconteerd dat de kosten zouden zijn gestegen, terwijl dat in de berekening niet is meegenomen, omdat in de berekening evenmin is meegenomen dat de huur ook zou zijn gestegen, waarbij wordt aangenomen dat die stijgingen tegen elkaar kunnen worden weggestreept. 4.8. Deutsche Bank heeft diverse verweren gevoerd tegen de veronderstellingen dat het pand nog steeds zou zijn verhuurd. Daarbij is erop gewezen dat niet volledig duidelijk is welk deel van het gesplitste pand bij [eisers] is gebleven en welk deel is verkocht, en welk deel vervolgens door wie, voor welk bedrag en aan wie is verhuurd. Als Deutsche Bank hierin (deels) gelijk zou hebben – mogelijk betreft het, zoals [eisers] stelt, rookgordijnen – neemt dit niet weg dat hoe dan ook zeer aannemelijk is dat [eisers] door de gedwongen verkoop van het vastgoed schade heeft geleden. Als die niet zou bestaan uit misgelopen waardestijging en huur, dan wel uit het missen van de kans het pand te herontwikkelen. 4.9. Al met al is voldoende aannemelijk dat in de schadestaatprocedure minimaal wordt vastgesteld dat [eisers] € 470.800 aan schade heeft geleden door toedoen van de bank. Een voorschot van deze hoogte is gerechtvaardigd, gelet op de voorzichtige begroting van de vastgoedschade en het gegeven dat er op basis van het vonnis en het arrest wel meer toewijsbare schadeposten zijn te verwachten, zoals de buitengerechtelijke kosten. Het risico dat [eisers] het voorschot niet zal kunnen terugbetalen als de schadestaatprocedure nadeliger voor haar uitvalt (of als het hof dit kort gedingvonnis vernietigt) staat niet in de weg aan toewijzing van het voorschot. De bank is volgens rechtbank en hof ernstig tekortgeschoten tegenover [eisers] , hierover is lang geprocedeerd en de belangen van [eisers] bij het verkrijgen van snelle genoegdoening hiervoor zijn groot. Er zal dan ook niet, zoals door de bank in reconventie gevorderd, worden bepaald dat [eisers] zekerheid dient te stellen. Dat zou er immers toe leiden dat [eisers] alsnog niet aan de eisen van haar huidige financier kan voldoen, waardoor haar acute probleem dus niet is opgelost. Over het toe te wijzen voorschot zal vooralsnog de wettelijke rente worden toegewezen vanaf de dagvaarding in dit kort geding. 4.10. De documenten die de bank in reconventie onder II vordert, zijn bedoeld om haar in staat te stellen de schade van [eisers] te begroten. Gelet op het feit dat in conventie een voorschot is toegekend en in de schadestaatprocedure de definitieve schade zal worden vastgesteld, bestaat bij die vordering geen spoedeisend belang. Deze vordering van de bank wordt daarom ook afgewezen. 4.11. Deutsche Bank is in conventie grotendeels in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De proceskosten van [eisers] worden begroot op: - kosten van de dagvaarding € 122,25 - griffierecht € 6.861 - salaris advocaat € 1.107 - nakosten € 178 (plus de verhoging zoals vermeld in de beslissing) Totaal € 8.268,25 4.12. De gevorderde wettelijke rente over de proceskosten wordt toegewezen zoals vermeld in de beslissing. 4.13. Deutsche Bank is in reconventie eveneens in het ongelijk gesteld en wordt daarom ook in reconventie veroordeeld in de proceskosten van [eisers] Gelet op de samenhang met de conventie, worden deze tot op heden begroot op nihil. 5De beslissing De voorzieningenrechter in conventie 5.1. veroordeelt Deutsche Bank om aan [eisers] te betalen een bedrag van € 470.800, te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 Burgerlijk Wetboek (BW) met ingang van 2 december 2025, tot de dag van volledige betaling, 5.2. veroordeelt Deutsche Bank in de proceskosten van € 8.268,25, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met € 92 plus de kosten van betekening als Deutsche Bank niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend, 5.3. veroordeelt Deutsche Bank tot betaling van de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW over de proceskosten als deze niet binnen veertien dagen na aanschrijving zijn betaald, 5.4. verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad, 5.5. wijst het meer of anders gevorderde af. in (voorwaardelijke) reconventie 5.6. weigert de gevraagde voorzieningen, 5.7. veroordeelt Deutsche Bank in de proceskosten, tot op heden aan de zijde van [eisers] begroot op nihil. Dit vonnis is gewezen door mr. W.M. de Vries, voorzieningenrechter, bijgestaan door mr. K. Hogeman, griffier, en in het openbaar uitgesproken op 24 december 2025. Type: KH Coll: MV

🔗 Naar officiële bron

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.