← Nederland

ECLI:NL:RBAMS:2025:11438

RECHTBANK AMSTERDAM Civiel recht Kantonrechter Zaaknummer: 11096525 \ CV EXPL 24-4462 Vonnis van 13 maart 2025 in de zaak van 1 [eiser 1] B.V., en

  1. [eiser 2] B.V., beiden gevestigd te [vestigingsplaats] , eisers hierna samen te noemen: [eisers] gemachtigde: mr. D.G. Veldhuizen, tegen [gedaagde] , wonende te [woonplaats] , gedaagde hierna te noemen: [gedaagde] , gemachtigde: mr. R.H. Stam. 1De procedure 1.
  2. Het verloop van de procedure blijkt uit de volgende stukken: - de dagvaarding van 2 mei 2024, met producties; - de conclusie van antwoord, met producties; - het instructievonnis van 22 augustus 2024, waarin mondelinge behandeling is bepaald; 1.2 De mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden op 29 november
  3. Voorafgaand aan de mondelinge behandeling hebben partijen nadere producties overgelegd. Voor [eisers] is mr. [naam 2] verschenen, bijgestaan door de gemachtigde. [gedaagde] is in persoon verschenen, vergezeld door de gemachtigde en mr. J. Moll. Partijen hebben hun standpunten nader toegelicht en vragen van de kantonrechter beantwoord. Vervolgens is om vonnis verzocht en is daarvoor een datum bepaald. 2De feiten 2.
  4. [bedrijf 1] was, tot de beëindiging van haar activiteiten op 1 mei 2023, actief als advocatenkantoor. [bedrijf 1] werd gehouden door [naam 1] ( [naam 1] ) en [naam 2] ( [naam 2] ) 2.
  5. [gedaagde] was vanaf 1 april 2020 werkzaam als advocaat in dienst van [bedrijf 1] . Bij [bedrijf 1] werkten destijds ook advocaat [naam 3] en advocaat-stagiair [naam 4] . 2.
  6. In de arbeidsovereenkomst van [gedaagde] is opgenomen dat hij recht heeft op een jaarlijks tantième van 10% van de door hem in zaken van [eisers] Praktijk in rekening gebrachte en door cliënten betaalde, door hem besteedde en verantwoorde uren. 2.
  7. In de arbeidsovereenkomst is ook opgenomen dat de kosten voor lidmaatschap van beroepsorganisaties en permanente opleiding voor rekening van [eisers] Praktijk zouden komen. Daarnaast staat is in de arbeidsovereenkomst bepaald dat [gedaagde] de Grotius de specialistenopleiding Vennootschaps- en Ondernemingsrecht voor de periode februari-december 2020 zou volgen. De kosten hiervoor waren € 5.750,- en zouden worden gedragen door [bedrijf 1] . Er is een terugbetalingsregeling was opgenomen voor het geval [gedaagde] binnen drie jaar uit dienst zou gaan. 2.
  8. In juni 2022 heeft [bedrijf 1] een bedrag van € 4.500,- aan [gedaagde] betaald met als omschrijving “rentedragende lening”. 2.
  9. Na verloop van tijd zijn de verhoudingen tussen [gedaagde] en [naam 2] verslechterd. 2.
  10. Tussen [bedrijf 1] en advocatenkantoor [bedrijf 3] BV is vanaf de zomer van 2022 gesproken over een samenwerking of fusie. In november 2022 is [gedaagde] vanuit [bedrijf 1] belast met het afronden van de onderhandelingen hierover, die op dat moment ver gevorderd waren. Dit omdat [naam 1] op dat moment een medische ingreep moest ondergaan. [gedaagde] is niet tot een deal met [bedrijf 3] gekomen. 2.
  11. [gedaagde] heeft in december 2023 zijn dienstverband bij [bedrijf 1] opgezegd. Per 1 maart 2023 is hij in dienst getreden bij [bedrijf 3] . Ook [naam 3] en [naam 4] zijn in dienst getreden bij [bedrijf 3] . 2.
  12. [bedrijf 1] heeft zich daarop genoodzaakt gezien haar activiteiten te beëindigen. Zij is thans in liquidatie. 2.
  13. Omstreeks de uitdiensttreding van [gedaagde] heeft [naam 2] zich toegang verschaft tot (privé) whatsapp-berichten en e-mailberichten van [gedaagde] . [eisers] heeft een deel van de aangetroffen berichten overgelegd. Het gaat onder meer om berichten aan [naam 5] (cliënt van [bedrijf 1] en persoonlijke kennis van [gedaagde] ) en [bedrijf 2] , het bedrijf van de broer van [gedaagde] . Voor zover relevant zal de inhoud van de berichten bij de beoordeling worden besproken. 2.
  14. Naar aanleiding van de aangetroffen berichten heeft [bedrijf 1] de declaraties van [gedaagde] laten onderzoeken. 2.
  15. Op 12 juni 2023 heeft [bedrijf 1] bij akte een aantal vorderingen aan [eisers] gecedeerd. In de akte van cessie zijn de over te dragen vorderingen als volgt gedefinieerd: “ [bedrijf 6] heeft verschillende vorderingen op haar oud-medewerker [gedaagde] (de Oud-medewerker). [bedrijf 6] en haar bestuurder hebben een tuchtzaak en meerdere vorderingen aangekondigd of ingesteld tegen de Oud-Medewerker. Deze vorderingen zien op tuchtrechtelijk verwijtbaar handelen jegens de heren [naam 1] en [naam 2] en jegens hun cliënten en die van [bedrijf 6] , waardoor het vertrouwen in de advocatuur is geschaad. Dit handelen heeft ook schade veroorzaakt bij [bedrijf 6] (“de Vorderingen”). 2.
  16. Op 13 juni 2023 heeft [bedrijf 1] [gedaagde] een brief gestuurd, waarin zij stelt dat zij door de handelswijze van [gedaagde] schade heeft geleden, die zij tot dat moment had vastgesteld op € 93.695,
  17. Daarnaast wordt in de brief vermeldt dat [gedaagde] 50% van de kosten voor de Grotius -opleiding verschuldigd is en € 4.625,26 ter zake van een geldlening. [gedaagde] wordt gesommeerd deze bedragen te betalen. 2.
  18. Eveneens op 13 juni 2023 heeft [naam 2] een klacht over [gedaagde] ingediend bij de Orde van Advocaten. In de klacht van [naam 2] staat onder meer: “Recent is gebleken dat [gedaagde] (…) zich tijdens zijn dienstverband schuldig heeft gemaakt aan de volgende zaken: Hij heeft diverse facturen van cliënten van [bedrijf 1] , waar hij werkzaamheden voor verrichte, (ondanks herhaald verzoek) niet geïnd en deze cliënten actief geadviseerd om deze facturen niet te betalen. Hij heeft actief kortingen toegepast in zijn dossiers, waarover geen overleg met laat staan toestemming is gevraagd aan [bedrijf 1] . Het betreft niet alleen openstaande facturen uit de jaren 2022 en 2023, maar ook openstaande facturen uit het jaar
  19. Hij heeft materiële afboekingen van uren in zijn dossiers toegepast; Tussen hem en diverse cliënten van [bedrijf 1] bestond niet alleen een advocaat-cliënt relatie, maar ook een zakelijke relatie, die hij bewust heeft verborgen voor [bedrijf 1] . Hij heeft tijdens zijn dienstverband concurrerende activiteiten verricht ten opzichte van [bedrijf 1] en heeft zich rechtstreeks laten betalen door cliënten van [bedrijf 1] in een andere hoedanigheid dan advocaat. Hij heeft zich jegens cliënten maar ook jegens collega advocaten zeer negatief uitgelaten over ondergetekende en daarbij onder meer gepocht dat ‘hij een coup’ heeft gepleegd.” 2.
  20. [gedaagde] heeft vanwege het inzien van zijn privécorrespondentie en bestanden een klacht ingediend tegen [naam 2] bij Autoriteit Persoonsgegevens. [gedaagde] heeft bij de politie ook aangifte gedaan van computervredebreuk. 2.
  21. [bedrijf 1] is tegen een aantal (oud) cliënten incassoprocedures gestart vanwege de onbetaalde facturen. Daarbij is geciteerd uit correspondentie tussen [gedaagde] en deze cliënten. Dit was voor een aantal cliënten aanleiding om op hun beurt klachten over [naam 2] in te dienen bij de orde van advocaten. 2.
  22. In het najaar van 2024 hebben [gedaagde] en [naam 2] overlegd over een minnelijke regeling. 2.
  23. Op 28 november 2023 heeft [gedaagde] aan [naam 2] in een e-mail bericht: “Ik betaal EUR 25.000,= (+ EUR 10k), klachten over en weer worden ingetrokken; [naam 2] trekt de procedures in tegen voormalig cliënten en informeert die cliënten waarna die klachten intrekken. Overige klachten spant [gedaagde] in om in te trekken, gelijk aan meldingen autoriteit persoonsgegevens. Alles van [naam 3] [ [naam 3] , red. ktr] (advocaatkosten) stort ik door aan [naam 2] (voor zover geen deal met [naam 3] dan aangevuld wordt tot max. 62.5 k); Ik stuur [naam 2] na akkoord uiterlijk 1 dec concept verweerschrift dat hij kan gebruiken om [naam 3] bij de deken te onderzoeken/aansprakelijk te stellen. na ontvangst concept verweerschrift en eventuele gelden [bedrijf 3] / [naam 3] (waar [gedaagde] [ [gedaagde] , red ktr] niet voor in kan staan) over en weer finale kwijting.” 2.
  24. Hierop heeft [naam 2] diezelfde dag als volgt gereageerd: “Akkoord met onderstaande en dat jij de bedragen hieronder genoemd betaalt. Dan trekken we alle klachten (bij de orde en Autoriteit Persoonsgegevens) over en weer in. Uitdrukkelijk noem ik dat er geen finale kwijting wordt verleend totdat het in eerder genoemde e-mail van [naam 6] aan [naam 7] van vandaag op welke manier dan ook dit jaar nog wordt betaald” [onderstreping ktr] 2.
  25. Op 29 november 2024 heeft [gedaagde] in totaal € 35.000,00 aan [eiser 2] BV betaald onder vermelding van “betaling vanwege cessie t.t.v. schadevergoeding conform afsprk 28 nov” 2.
  26. [naam 2] , heeft zich in verdere correspondentie op het standpunt gesteld dat [bedrijf 1] uit hoofde van de gemaakte afspraken in totaal € 175.000,- zou ontvangen en dat [gedaagde] (voor zover het bedrag niet door [naam 3] betaald zou worden) in dat kader garant stond tot een bedrag van € 62.500,-. Volgens [naam 2] , zou [bedrijf 3] het resterende bedrag financieren. [naam 2] heeft [gedaagde] verzocht zorg te dragen voor betaling van het openstaande bedrag. [gedaagde] heeft hierop het standpunt ingenomen dat met de betaling van € 35.000,- aan de regeling was voldaan. 2.
  27. Verder overleg tussen partijen heeft niet tot overeenstemming geleid. 3Het geschil 3.
  28. [eisers] vordert - samengevat - in een vonnis dat uitvoerbaar bij voorraad is, I. een verklaring voor recht dat [gedaagde] jegens [bedrijf 1] aansprakelijk is voor de omzetschade die [bedrijf 1] ten gevolge van het handelen van [gedaagde] heeft geleden; II. veroordeling van [gedaagde] tot betaling van de volgende bedragen aan [eiser 1] B.V. of [eiser 2] BV, dan wel aan beiden voor gelijke delen: i. € 163.990,75, althans een in goede justitie te bepalen bedrag, ter vergoeding van omzetschade, te vermeerderen met de wettelijke rente; ii. € 7.500,26 uit hoofde van een geldlening en opleidingskosten, te vermeerderen met de wettelijke rente daarover. iii. € 52.381,06, althans, een in goede justitie te bepalen bedrag, uit hoofde van onverschuldigd betaald loon, te vermeerderen met de wettelijke rente aan [eiser 1] B.V. of [eiser 2] BV, dan wel aan beiden voor gelijke delen. iv. € 37.886,28 aan buitengerechtelijke kosten ex. artikel 6:96 lid 2 onder b BW, te vermeerderen met wettelijke rente; v. € 2.894,36 aan buitengerechtelijke kosten ex. artikel 6:96 lid 2 onder c BW vi. de proceskosten. 3.
  29. [eisers] stelt hiertoe in de kern dat [gedaagde] tijdens zijn dienstverband bij [bedrijf 1] onrechtmatig heeft gehandeld. [gedaagde] zou [bedrijf 1] bewust financieel hebben beschadigd, ten gunste van zichzelf en bevriende (zaken)relaties. Concreet gaat het om de verwijten die ook in de klacht aan de Orde van Advocaten (zie overweging 2.14) zijn genoemd. [eisers] stelt dat [bedrijf 1] door het handelen van [gedaagde] schade heeft geleden. Deze schade begroot zij als volgt: € 5.152,22 aan openstaande facturen€ 111.933,15 aan verleende kortingen en afgeboekte uren € 13.532,78 aan niet gedeclareerde werkzaamheden € 40.000,- aan geleden omzetderving€ 28.372,60 aan schade door verlaagde uurtarieven--------------- + € 198.990, 75 in totaal 3.
  30. Op dit bedrag heeft [eisers] het bedrag van € 35.000,- dat reeds door [gedaagde] is betaald in mindering gebracht, zodat een hoofdsom van € 163.990,75 resteert. [eisers] stelt dat [gedaagde] aansprakelijk is voor deze schade, op grond van onrechtmatige daad (artikel 6:162 Burgerlijk Wetboek (BW)), dan wel op grond van werknemersaansprakelijkheid (in de zin van artikel 7:661 BW). 3.
  31. Het verweer van [gedaagde] strekt tot afwijzing van de vorderingen. 3.
  32. Bij de beoordeling wordt nader ingegaan op de inhoudelijke standpunten van partijen. 4Beoordeling 4.
  33. In deze zaak gaat het in de kern om de vraag of [gedaagde] aansprakelijk is voor de door [bedrijf 1] gestelde omzetschade en of hij gehouden is om in dat kader een schadevergoeding aan [eisers] te betalen. Geen regeling ter finale kwijting 4.
  34. [gedaagde] heeft allereerst aangevoerd dat partijen een regeling ter finale kwijting zijn overeengekomen. Dat staat volgens hem aan beoordeling van de vorderingen in deze procedure in de weg. 4.
  35. Uit de overgelegde stukken blijkt dat partijen uitvoerig hebben gesproken over een alomvattende regeling tegen finale kwijting. Uit de e-mail van [naam 2] aan [gedaagde] op 28 november 2024 (zie r.o. 2.18) blijkt echter dat aan deze finale kwijting – naast de betaling van € 35.000,- door [gedaagde] - ook de voorwaarde is gesteld dat [naam 6] en [naam 7] (naar de kantonrechter begrijpt vertegenwoordigers van [bedrijf 3] ) een betaling zouden doen. Volgens [eisers] is over die voorwaarde uiteindelijk geen overeenstemming bereikt. Tegenover deze gemotiveerde betwisting heeft [gedaagde] zijn standpunt dat er daadwerkelijk een regeling ter finale kwijting tot stand is gekomen onvoldoende onderbouwd. Dat [gedaagde] reeds € 35.000,- heeft betaald, staat daarom niet aan beoordeling van de vorderingen in de weg. Cessie vorderingen rechtsgeldig, maar het bereik ervan is beperkt 4.
  36. In de tweede plaats heeft [gedaagde] aangevoerd dat de cessie van de vorderingen door [bedrijf 1] aan [eisers] niet rechtsgeldig heeft plaatsgevonden. [gedaagde] stelt zich op het standpunt dat [bedrijf 1] niet heeft voldaan aan het vereiste van mededeling, zoals bedoeld in artikel 3:94 BW. Dat acht de kantonrechter niet aannemelijk. Het mededelingsvereiste is vormvrij. Bij de betaling die [gedaagde] op 29 november 2024 aan [eisers] heeft gedaan, heeft hij in de omschrijving vermeld dat dat was ‘vanwege cessie’. Daaruit blijkt dat [gedaagde] in elk geval in november 2024 van de cessie op de hoogte was. Het verweer van [gedaagde] dat niet is voldaan aan de vereisten van artikel 3:94 BW, omdat de cessie niet (op de juiste wijze) aan hem zou zijn medegedeeld faalt derhalve. 4.
  37. De cessie is naar het oordeel van de kantonrechter evenmin vernietigbaar op grond van artikel 3:45 BW, zoals door [gedaagde] is aangevoerd. Het moge zo zijn dat [gedaagde] nog een vordering op [bedrijf 1] heeft, maar zoals [eisers] terecht heeft gesteld, houdt niets hem tegen om die vordering tegen [bedrijf 1] in te stellen. Gesteld noch gebleken is dat dit niet (meer) mogelijk is, of dat [bedrijf 1] voor die vordering onvoldoende verhaal zou bieden. Het enkele feit dat [gedaagde] zijn vordering niet bij wijze van reconventie in onderhavige procedure kan instellen, is onvoldoende om een vernietiging op grond van artikel 3:45 BW te kunnen dragen. Ook het beroep op vernietiging van de cessie slaagt daarom niet. 4.
  38. [gedaagde] heeft wel terecht gewezen op de beperkte reikwijdte van de cessie, die volgt uit de tekst van de akte van cessie 2.
  39. Slechts die vorderingen die betrekking hebben op het vermeende tuchtrechtelijk handelen van [gedaagde] zijn volgens de omschrijving in de akte overgedragen. De vordering met betrekking tot de geldlening en het studiekostenbeding valt hier niet onder en moet daarom worden afgewezen. Overigens staat het [bedrijf 1] vrij deze bedragen alsnog te vorderen, nu daar voldoende grondslag voor lijkt te zijn. De overige vorderingen hangen naar het oordeel van de kantonrechter dermate nauw samen met het gestelde tuchtrechtelijk handelen, dat zij wel onder de cessie vallen. Deze vorderingen worden hieronder afzonderlijk beoordeeld. Geen aanleiding om whatsappberichten buiten beschouwing te laten 4.
  40. [eisers] heeft ter onderbouwing van een deel van de vorderingen whatsapp-berichten van [gedaagde] overgelegd. Terecht heeft [gedaagde] aangevoerd dat deze berichten op onrechtmatige wijze zijn verkregen. Hij had ten aanzien van deze berichten een redelijke verwachting van privacy en [bedrijf 1] mocht zich daar niet zonder meer toegang toe verschaffen. Of de berichten vanaf een werkcomputer toegankelijk waren of niet, is daarvoor niet relevant. Het uitgangspunt is echter dat ook onrechtmatig verkregen bewijs als bewijs kan worden toegelaten. Vanwege het belang bij waarheidsvinding ziet de kantonrechter geen aanleiding om van dat uitgangspunt af te wijken. Van bijkomende omstandigheden die maken dat uitsluiting van bewijs gerechtvaardigd is (zoals bedoeld in HR 18 april 2014, ECLI:NL:HR:2014:942 is geen sprake. De whatsappberichten worden daarom als bewijs toegelaten. Verklaring voor recht m.b.t. onrechtmatig handelen 4.
  41. Allereerst vordert [eisers] een verklaring voor recht dat [gedaagde] tegenover [bedrijf 1] onrechtmatig heeft gehandeld en aansprakelijk is voor de daardoor geleden schade. 4.
  42. [eisers] heeft voldoende onderbouwd dat [gedaagde] in ieder geval richting het einde van zijn dienstverband bij [bedrijf 1] , in de periode vanaf december 2022 – onrechtmatig heeft gehandeld. Op basis van deze whatsapp-berichten kan worden vastgesteld dat [gedaagde] cliënten waarmee hij een persoonlijke relatie had korting op werkzaamheden heeft gegeven, of heeft aangeboden kosteloos werk voor hen te verrichten. Ook kan worden vastgesteld dat [gedaagde] in privé cliënten van [bedrijf 1] heeft geadviseerd om facturen niet te betalen en hen daarvoor van argumenten heeft voorzien, of heeft meegeschreven aan concept-reacties die aan [bedrijf 1] konden worden gestuurd om facturen te betwisten. 4.
  43. Het verweer van [gedaagde] dat hij altijd geprobeerd heeft een bestendige praktijk te voeren en dat daarbij een zekere beleidsvrijheid hoorde, gaat in elk geval ten aanzien van zijn handelen in deze periode niet op. Uit de whatsapp-correspondentie blijkt namelijk dat [gedaagde] niet via de officiële kanalen en uit naam van [bedrijf 1] heeft gehandeld, maar juist bewust correspondentie uit zicht van [bedrijf 1] heeft gehouden. Bovendien blijkt ook uit de correspondentie dat [gedaagde] zich ervan bewust was dat zijn handelen niet zuiver was. Zo heeft hij in december 2022 aan [naam 5] aangeboden om kosteloos een dagvaarding op te stellen, nu hij toch binnenkort weg zou gaan. Hij schrijft daarbij: “Wil dat alleen niet de mail zetten want dan kan [naam 2] [ [naam 2] , red. ktr] lezen.” Kort na aanvang van zijn dienstverband bij [bedrijf 3] heeft [gedaagde] aan [bedrijf 2] geschreven dat bepaalde berichten wel tussen hen moesten blijven: ““want ik kan hier wel problemen mee krijgen. (…) Zeker nu ik begin bij een nieuw kantoor en ik het braafste jongetje van de klas probeer te zijn.” 4.
  44. [gedaagde] heeft terecht aangevoerd dat (een groot deel van) de gestelde omzetschade schade betreft die is ontstaan bij de uitvoering van de arbeidsovereenkomst. De aansprakelijkheidsvraag wordt dan beheerst door artikel 7:661 BW. Daaruit volgt dat de werknemer alleen aansprakelijk is voor schade indien die het gevolg is van opzet of bewuste roekeloosheid van de werknemer. Naar het oordeel van de kantonrechter is in dit geval aan die hoge lat voldaan. Uit de whatsapp-berichten die zijn overgelegd, blijkt voldoende overtuigend dat [gedaagde] zich ervan bewust was dat zijn handelen schade voor [bedrijf 1] zou veroorzaken. Het is aannemelijk dat hij dat ook voor ogen heeft gehad, of ten minste bewust voor lief heeft genomen. Zo heeft hij in februari 2023 aan [naam 5] geschreven dat hij er steeds aan dacht ‘hoe hard hij het faillissement van [bedrijf 1] wilde aanvragen’ en schreef hij op 1 maart 2023 naar aanleiding van een geschil over een factuur tussen [naam 5] en [bedrijf 1] : ” Fucking verliezer. Ik kijk er morgen even naar. Maar [naam 2] moet echt z’n bek houden. Zal je helpen.” Aan [bedrijf 2] heeft [gedaagde] , naar aanleiding van de door hem geschreven concept-reactie geschreven: “let wel op dat ik denk dat [naam 2] nog wel een beetje terug zal duwen, maar uiteindelijk gaat hij het niet winnen.” 4.
  45. Gelet op het voorgaande zal de verklaring voor recht, dat [gedaagde] tegenover [bedrijf 1] onrechtmatig heeft gehandeld en dat hij aansprakelijk is voor de omzetschade die [bedrijf 1] ten gevolge van dit handelen heeft geleden, worden toegewezen. Kortingen, afboekingen, verlaagde uurtarieven en niet gedeclareerde werkzaamheden 4.
  46. De volgende vraag die voorligt, is of de door [bedrijf 1] gevorderde schadevergoeding kan worden toegewezen. [eisers] stelt ter onderbouwing van de door haar gevorderde schadevergoeding in de eerste plaats dat [bedrijf 1] in totaal € 153.838,53 aan schade heeft geleden omdat [gedaagde] veelvuldig korting zou hebben gegeven op facturen, uren zou hebben afgeboekt, niet alle werkzaamheden zou hebben gedeclareerd en stelselmatig zijn eigen uurtarief en dat van advocaat-stagiair [naam 4] zou hebben verlaagd. 4.
  47. [gedaagde] heeft hiertegen aangevoerd dat het geven van kortingen of het afboeken van uren paste binnen zijn beleidsvrijheid om een bestendige praktijk voor [bedrijf 1] te voeren. Volgens [gedaagde] moet daarbij ook rekening worden gehouden met het feit dat hij advocaat-stagiair [naam 4] onder zijn hoede had. In het kader van zijn opleiding werden soms meer uren gemaakt dan aan cliënten kon worden verantwoord. [gedaagde] wijst er tot slot op dat de overzichten die door [eisers] zijn overgelegd teruggaan tot
  48. [gedaagde] is er in al die tijd nooit op aangesproken dat het door hem gevoerde beleid wat betreft kortingen en afboekingen niet de bedoeling was. 4.
  49. De kantonrechter stelt voorop dat – zoals hiervoor reeds is overwogen – kan worden vastgesteld dat [gedaagde] tijdens zijn dienstverband bij [bedrijf 1] onrechtmatig heeft gehandeld. Op basis van de door [eisers] geleverde onderbouwing kan echter niet worden vastgesteld dat het volledige bedrag aan kortingen en afboekingen daarvan het gevolg is. De overgelegde whatsapp-berichten kunnen daarvoor niet als onderbouwing dienen. Daarvoor zijn zij te anekdotisch van aard. Bovendien zien de berichten op een korte periode, waarvan vast staat dat op dat moment de verhouding tussen [naam 2] en [gedaagde] getroebleerd was geraakt. [gedaagde] heeft terecht aangevoerd dat de berichten niet zonder meer representatief zijn voor het hele dienstverband. 4.
  50. Uit de overige stukken die [eisers] heeft overgelegd blijkt niet overtuigend dat het [gedaagde] bekend moest zijn dat hij nooit kortingen mocht geven of afboekingen mocht doen zonder toestemming van [naam 2] Evenmin kan worden vastgesteld dat de kortingen en afboekingen uitzonderlijk zijn, afgezet tegen bijvoorbeeld de omzetcijfers. Daarvoor heeft [bedrijf 1] onvoldoende informatie overgelegd. Gedacht kan worden aan de omzetcijfers van [bedrijf 1] over de periode 2020 tot en met 2023, de omzet die [gedaagde] in deze periode heeft verwezenlijkt en gegevens over de kortingen en afboekingen in dossiers van andere advocaten van [bedrijf 1] . Zonder nadere onderbouwing, die ontbreekt, kan op basis van het enkele feit dat er korting is gegeven en uren zijn afgeboekt, niet worden vastgesteld dat het door [eisers] gevorderde bedrag schade betreft waarvoor [gedaagde] aansprakelijk is. Ook voor het toewijzen van een gedeelte van dit bedrag heeft [eisers] onvoldoende concrete aanknopingspunten geboden. Dit gedeelte van de gevorderde omzetschade is daarom niet toewijsbaar. Onbetaald gebleven facturen 4.
  51. [eisers] heeft wel voldoende onderbouwd dat zij in totaal € 5.152,22 aan schade heeft geleden vanwege onbetaald gebleven facturen van cliënten [naam 5] , [bedrijf 2] en [bedrijf 4] . Ook is voldoende onderbouwd dat deze schade het gevolg is van onrechtmatig handelen van [gedaagde] . Dit gedeelte van de vordering is toewijsbaar. [gedaagde] heeft de vordering van [eisers] ten aanzien van deze facturen onvoldoende gemotiveerd betwist. 4.
  52. Dit bedrag zal niet worden verrekend met de reeds door [gedaagde] betaalde € 35.000,-. Dat [gedaagde] schade heeft veroorzaakt, waarvoor hij aansprakelijk is, staat vast. In deze procedure zijn onvoldoende aanknopingspunten geboden om de omvang van de schade te kunnen vaststellen. Dat maakt (op voorhand) nog niet dat de reeds gedane betaling onverschuldigd was en met de veroordeling verrekend kan worden, of dat reeds bevrijdend is betaald. Werkzaamheden voor [bedrijf 5] 4.
  53. [eisers] stelt dat [gedaagde] tijdens zijn dienstverband bij [bedrijf 1] ook werkzaam is geweest voor [bedrijf 5] . Dat is een vennootschap waarin [gedaagde] als medeoprichter een zakelijk belang heeft. Volgens [eisers] gaat het om werkzaamheden die concurreren met de werkzaamheden van [bedrijf 1] en was dit werk gedeeltelijk voor partijen die ook cliënt van [bedrijf 1] zijn. [gedaagde] had deze werkzaamheden daarom vanuit [bedrijf 1] moeten aanbieden en factureren. Nu [gedaagde] dat niet heeft gedaan, heeft [bedrijf 1] volgens [eisers] € 40.000,- aan omzet misgelopen. [eisers] stelt [gedaagde] aansprakelijk voor deze schade. 4.
  54. [gedaagde] betwist niet dat hij (in eigen tijd) actief is geweest voor [bedrijf 5] . Hij wijst erop dat dat hem ook niet verboden was, nu er in zijn arbeidsovereenkomst geen nevenwerkzaamhedenbeding is opgenomen. Dat is door [eisers] niet betwist. Volgens [gedaagde] ging het om juridische ondersteuning van een aantal start-ups waarin [bedrijf 5] heeft geïnvesteerd. De werkzaamheden die hij heeft geleverd zijn onlosmakelijk verbonden met [bedrijf 5] en haar relatie met deze start ups. Het klopt volgens [gedaagde] wel dat een aantal partijen ook cliënt is van [bedrijf 1] , maar [gedaagde] heeft onbetwist aangevoerd dat hij die cliënten zelf bij [bedrijf 1] heeft aangebracht, vanwege de goede contacten die hij, mede vanwege zijn werk voor [bedrijf 5] , met hen had. Het gaat volgens [gedaagde] dus niet om omzet die hij bij [bedrijf 1] heeft weggehouden. 4.
  55. Gelet op dit gemotiveerde verweer kan niet worden vastgesteld dat [gedaagde] met zijn werkzaamheden voor [bedrijf 5] onrechtmatig heeft gehandeld jegens [bedrijf 1] . Dit gedeelte van de vordering wordt daarom afgewezen. 4.
  56. [eisers] vordert vanwege [gedaagde] ’s werkzaamheden voor [bedrijf 5] ook terugbetaling van 50% van het loon, gerekend over de periode april 2022 tot einde dienstverband. Volgens [eisers] is dat loon onverschuldigd betaald, omdat [gedaagde] in die periode voor een groot deel van zijn tijd werkzaam niet werkzaam was voor [bedrijf 1] , maar bezig was met [bedrijf 5] . Dat zou volgens [eisers] ook blijken uit het feit dat [gedaagde] vanaf april 2022 veel minder declarabele uren voor [bedrijf 1] heeft gemaakt. 4.
  57. Deze vordering is niet toewijsbaar. Hoewel vast staat dat [gedaagde] vanaf april 2022 ook voor [bedrijf 5] heeft gewerkt, kan op basis van hetgeen door [bedrijf 1] is aangedragen niet worden vastgesteld dat hij dit heeft gedaan in werktijd die door [bedrijf 1] werd betaald. Dat [gedaagde] vanaf april 2022 minder declarabele uren voor [bedrijf 1] zou hebben gemaakt, is door [gedaagde] betwist en is op geen enkele manier met stukken onderbouwd. [eisers] heeft in de dagvaarding verwezen naar een whatsapp-gesprek tussen [gedaagde] en [naam 8] (mede-eigenaar van [bedrijf 5] ) (zie randummer 80 van de dagvaarding). Daaruit kan worden afgeleid dat [gedaagde] 16 uur per week voor [bedrijf 5] zou declareren. Dat is niet onverenigbaar met een full time dienstverband bij [bedrijf 1] . Ook uit het overige dat door [eisers] is aangedragen kan niet worden geconcludeerd dat [gedaagde] vanaf april 2022 voor de helft van zijn werktijd niet voor [bedrijf 1] heeft gewerkt. Het door [eisers] gestelde is onvoldoende om de vordering tot terugbetaling van het loon te kunnen dragen. Buitengerechtelijke kosten 4.
  58. [eisers] vordert een vergoeding van € 37.886,28 ter vergoeding van de kosten die zij heeft gemaakt voor het vaststellen van de schade, als bedoeld in artikel 6:96 lid 2 onder b BW. Hiertoe stelt zij dat [naam 2] ruim 100 uur heeft besteed aan werkzaamheden ter vaststelling van de schade en aansprakelijkheid, tegen en uurtarief van € 345,
  59. [gedaagde] heeft gemotiveerd betwist dat deze werkzaamheden daadwerkelijk zijn verricht en voert aan dat als deze werkzaamheden wel zijn verricht, deze de dubbele redelijkheidstoets niet doorstaan. Gelet op dit verweer had het op de weg van [eisers] gelegen om nader te onderbouwen (i) welke werkzaamheden zij heeft verricht, (ii) dat zij in de gegeven omstandigheden ook in redelijkheid tot deze werkzaamheden kon overgaan en (iii) dat de gerekende kosten voor deze werkzaamheden ook redelijk zijn. Dit blijkt onvoldoende uit het door [eisers] als productie 55 overgelegde urenoverzicht. Nu [eisers] een verdere onderbouwing van de gestelde kosten heeft nagelaten, zijn de kosten op grond van artikel 6:96 lid 2 onder b zijn gevorderd niet toewijsbaar. 4.
  60. [eisers] heeft ook de buitengerechtelijke incassokosten in de zin van artikel 6:96 lid 2 sub c gevorderd. Deze kosten worden - in lijn met de aanbevelingen van het Rapport BGK-integraal – afgewezen. [eisers] heeft immers niet gesteld dat zij andere (incasso) kosten heeft gemaakt dan kosten voor werkzaamheden die in het kader van een juridische procedure gebruikelijk zijn en die vallen onder het bereik van de proceskostenveroordeling op grond van artikel 237 Rv. Proceskosten 4.
  61. De proceskosten zullen worden gecompenseerd. [eisers] is niet volledig in het ongelijk gesteld. 5Beslissing De kantonrechter: verklaart voor recht dat [gedaagde] jegens [bedrijf 1] onrechtmatig heeft gehandeld en aansprakelijk is voor de omzetschade die [bedrijf 1] ten gevolge van dat handelen van [gedaagde] heeft geleden; veroordeelt [gedaagde] tot betaling van € 5.152,22 aan [eiser 1] B.V. of [eiser 2] BV, dan wel aan beiden voor gelijke delen, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf de dag van de dagvaarding tot aan de dag van de algehele voldoening; compenseert de proceskosten; verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad; wijst het meer of anders gevorderde af; Dit vonnis is gewezen door mr. J.H.J. Evers, kantonrechter, en in het openbaar uitgesproken op 13 maart 2025 in tegenwoordigheid van de griffier.

🔗 Naar officiële bron

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.