RECHTBANK AMSTERDAM Civiel recht Kantonrechter Zaaknummer: 11516103 \ CV EXPL 25-2413 Vonnis van 30 oktober 2025 in de zaak van [eiser] , wonende te [woonplaats] , eisende partij, hierna te noemen: [eiser] , gemachtigde: mr. E.J.M. Brocatus, tegen de publiekrechtelijke rechtspersoon UITVOERINGSINSTITUUT WERKNEMERSVERZEKERINGEN, gevestigd te Amsterdam, gedaagde partij, hierna te noemen: UWV, gemachtigde: mr. N. Sluis. 1De procedure 1.
- Het verloop van de procedure blijkt uit: - de dagvaarding met producties van 17 januari 2025, - de conclusie van antwoord met producties, - het tussenvonnis van 10 april 2025, waarin een mondelinge behandeling is bepaald, - nagekomen producties van de zijde van [eiser] , - de mondelinge behandeling van 18 augustus 2025, waarvan door de griffier aantekeningen zijn gemaakt. 1.
- De mondelinge behandeling is gehouden op 18 augustus
- [eiser] is verschenen met zijn vrouw en werd bijgestaan door zijn gemachtigde. Namens UWV zijn verschenen [naam 1] , manager Werkzoekenden Dienstverlening, en [naam 2] , HR Business Partner, bijgestaan door de gemachtigde. Partijen hebben hun standpunten toegelicht, mede aan de hand van spreekaantekeningen, en vragen van de kantonrechter beantwoord. Vonnis is bepaald op heden. 2De feiten 2.
- [eiser] is op 12 april 1999 bij UWV in dienst getreden. [eiser] was laatstelijk (sinds 2005) werkzaam als medewerker bezwaar op de afdeling bezwaar en beroep voor een arbeidsduur van 34 uur per week. In deze functie handelde hij bezwaarzaken af van klanten die in bezwaar gingen tegen een beslissing van een verzekeringsarts of uitkeringsdeskundige. Op de arbeidsovereenkomst tussen partijen is de cao UWV van toepassing (hierna: de cao). 2.
- [naam 1] was van 21 september 2016 tot 1 december 2021 de leidinggevende van [eiser] . [naam 2] is sinds september 2020 HR Business Partner bij UWV. 2.
- Op grond van artikel 9.2 van de cao heeft [eiser] gedurende het eerste ziektejaar recht op doorbetaling van 100% van zijn loon en gedurende het tweede ziektejaar op 70%. 2.
- [eiser] is van 26 mei 2015 tot 21 mei 2016 en van 9 januari 2019 tot 12 juni 2019 (deels) arbeidsongeschikt geweest. 2.
- Op 24 maart 2020 heeft [eiser] zich ziekgemeld met stress- en vermoeidheidsklachten. 2.
- In een verslag van 29 mei 2020 van de bedrijfsarts staat, voor zover van belang, het volgende: “Op de dag na zijn ziekmelding op 24 maart en op 15 april sprak ik de heer [eiser] . (…) Helaas herhaalt de geschiedenis zich. Opnieuw is er sprake van forse overbelasting. In 2015-2016 was hij een jaar lang (gedeeltelijk) arbeidsongeschikt. De oorzaak was het gegeven dat hij al jaren lang zowel in de privésfeer als in het werk op zijn tenen liep. Deze keer heeft hij zich met name weer langdurig overbelast op zijn werk, maar ook zijn privébelasting weegt mee. Zowel in de periode 2015-2016 als ook nu, blijkt in de persoon gelegen factoren een essentiële rol te spelen bij deze overbelasting. Het samenwerken met collega’s in een pilot heeft bij hem voor veel irritaties én bovenmatig veel inspanning gezorgd. Een combinatie die opnieuw tot overbelasting heeft geleid. Het participeren in de pilot is achteraf gezien een slechte keuze geweest, maar goed het heeft wel weer onderstreept, dat hij in dit werk, ondanks veel professionele hulp door de jaren heen, niet in balans kan blijven. Hij is zich in overleg met u [ [naam 1] , ktn] aan het oriënteren bij het loopbaancentrum. Dat juich ik van harte toe, want de overstap naar beter passend werk is naar mijn oordeel de beste weg naar meer duurzaam in balans komen. Advies: Voorlopig ruimschoots de tijd nemen om meer stabiliteit te krijgen. De oriëntatie bij het loopbaancentrum vooral serieus voortzetten.” 2.
- In een verslag van 9 september 2020 van de bedrijfsarts staat, voor zover van belang, het volgende: “Het gaat hoe langer hoe beter met hem. Beperkingen: Zijn huidige beperkingen liggen op het gebied van energetische belastbaarheid en geheugen en zijn restverschijnselen van zijn overbelasting in eigen werk en zullen in de loop van enkele maanden wegtrekken. (…) Inmiddels heeft hij met u [ [naam 1] , ktr] en dhr. [naam 3] een gesprek gehad en morgen zal de intake bij het loopbaancentrum worden afgerond. In ons gesprek werd mij overigens voor het eerst duidelijk, dat hij in zijn eigen werk ook disproportioneel belast werd door de angst om fouten te maken in “het geschreven woord” Reden te meer om bij de zoektocht naar beter passend werk zijn verbale en sociale vaardigheden te benutten.” 2.
- In een verslag van 8 oktober 2020 van de bedrijfsarts staat, voor zover van belang, het volgende: “Op basis van mijn bevindingen acht ik de heer [eiser] nog niet toe is aan een doorstart in werk. Hij heeft nog meer hersteltijd nodig. (…) Het is dus wel van belang dat hij toewerkt naar een doorstart over enkele maanden. Zijn energetische belastbaarheid en daaraan gekoppeld persoonlijk functioneren heeft de afgelopen tijd een wisselend verloop gehad en is er al met al niet veel op vooruit gegaan. De wekelijkse gesprekken bij het loopbaancentrum zijn voor hem inzicht gevend en doen hem ook goed. Advies: Insteken op een doorstart in snuffelstage of iets dergelijks over enkele maanden.” 2.
- In een verslag van 18 november 2020 van de bedrijfsarts staat, voor zover van belang, het volgende: “Diverse ontwikkelingen maken duidelijk, dat hij meer in evenwicht komt. De frequente gesprekken met dhr. [naam 3] hebben een positieve invloed op hem. De wekelijkse gesprekken nodigen hem uit om naar voren te kijken in plaats van stil te staan. Iets wat, voor hem met zijn eigenschappen en gevoelsleven, van groot belang is om over de drempel te stappen naar het onbekende. Hij gaat zich nu verdiepen in drie functies van het werkbedrijf en daarover in gesprek. Advies: Na weloverwogen keuze doet hij er goed aan om bij het oppakken van een stage, samen met een coach op pad te gaan. Het verdient daarom aanbeveling om hiervoor nu reeds de nodige stappen te ondernemen opdat bij aanvang van de stage er ook een coach is. Als hij een stage oppakt is het niet nodig maar ook niet wenselijk daarbij een urenbeperking toe te passen.” 2.
- [eiser] is op 16 maart 2021 een coachingtraject aangegaan met [naam 4] , dat door UWV is vergoed. Het traject bestond uit circa tien gesprekken. 2.
- In een verslag van 18 maart 2021 van de bedrijfsarts staat, voor zover van belang, het volgende: “Omdat hij nog altijd in afwachting is van het moment dat hij in passende arbeid kan gaan hervatten loopt bij hem de spanning op. Ten behoeve van de eerste jaarsevaluatie laat ik u het volgende weten: Zoals helemaal in het begin van het verzuimtraject aangegeven is hij ongeschikt voor eigen werk. Hij is inmiddels al geruime tijd geschikt voor passende werkzaamheden. Ook hoeft er geen werkduur beperking in acht genomen te worden. Voor het 1e spoortraject zijn meerdere passende functies bij het Werkbedrijf aanwezig. (door het loopbaan centrum in kaart gebracht). Advies: Om te voorkomen dat hij door de oplopende spanning weer beperkingen krijgt, adviseer ik zo snel mogelijk een re-integratieplek te realiseren bij het Werkbedrijf. Doordat hij zo langzamerhand erg opziet tegen een doorstart in werk is hij het niet met mij eens dat er voor een doorstart geen beperkingen door mij worden geduid. Ik heb hem er op gewezen dat er uiteraard een Deskundigenoordeel aangevraagd kan worden.” 2.
- Het loon van [eiser] is per 24 maart 2021 aangepast naar 70% van zijn loon. 2.
- Eind maart 2021 heeft [eiser] gesolliciteerd bij UWV voor de functie adviseur werkgeversdiensten. Bij e-mail van 29 maart 2021 aan [naam 1] en [naam 2] heeft [eiser] hen bericht dat hij voor de functie is afgewezen. 2.
- Op 1 juni 2021 heeft [naam 2] een e-mail gestuurd aan alle managers van de divisies in het district waar [eiser] werkzaam is bij UWV. In die e-mail staat dat [eiser] een goede medewerker bezwaar is, die graag een functie wil met klantcontact. [naam 2] verzoekt de managers om mee te denken en vraagt of zij mogelijkheden zien voor [eiser] binnen de eigen divisie. Dit verzoek heeft geen resultaat opgeleverd. 2.
- In een verslag van 10 juni 2021 van de bedrijfsarts staat, voor zover van belang, het volgende: “Hij gaat gebukt onder de onduidelijkheid waarin hij geparkeerd lijkt en vertelde mij dat hij met u opnieuw een gesprek heeft gehad, maar dat het wederom geen concreet houvast voor hem heeft geboden. Integendeel er zou zijn gesproken over de onduidelijkheid omtrent zijn beperkingen en dat er een FML nodig zou zijn. Hoewel ik zelf dacht voldoende duidelijkheid te hebben gegeven omtrent de aard van de problematiek en zijn arbeidsgeschiktheid, kan ik niet anders dan concluderen, dat ik niet duidelijk genoeg ben geweest en doe alsnog een poging. Vanaf het begin van zijn hernieuwde uitval was duidelijk dat de problematiek analoog was aan de problematiek in 2015-2016 : in de persoon gelegen factoren spelen een essentiële rol bij zijn overbelasting. Hij was opnieuw overbelast geraakt doordat hij werk doet dat niet goed past bij zijn bekwaamheden en vaardigheden. Hierdoor moet hij voortdurend onder stress functioneren en het uiterste van zichzelf vragen. Een werksituatie dus waarin hij telkens fors overbelast raakt. Hij heeft daarentegen sterke verbale/sociale vaardigheden en daarom was er het vermoeden, dat werk bij het werkbedrijf mogelijkheden zou bieden. Hij ging daarom in goed overleg met u naar het loopbaancentrum en daar werd dit vermoeden ook bevestigd. Mogelijkheden voor een overstap naar beter passend werk is dus aanwezig en gezien de hierboven beschreven problematiek heel wenselijk. Ik heb geen nieuwe afspraak met hem gemaakt omdat de contacten met hem en mijn adviezen kennelijk het misverstand in stand houden, dat er sprake is van arbeidsongeschiktheid op grond van ziekte. Dit is niet het geval.” 2.
- Bij brief van 15 juni 2021 heeft UWV [eiser] bericht dat hij vanaf 10 juni 2021 weer zijn volledige loon ontvangt, omdat hij volledig arbeidsgeschikt is verklaard. UWV heeft hem vervolgens vrijgesteld van werkzaamheden met behoud van zijn volledige loon. 2.
- Op 6 juli 2021 heeft [eiser] een deskundigenoordeel aangevraagd bij uitvoeringsinstantie UWV over zijn arbeidsongeschiktheid. Bij beslissing van 27 september 2021 heeft uitvoeringsinstantie UWV geoordeeld dat [eiser] op 10 juni 2021 zijn eigen werk niet kon doen. 2.
- Eind november 2021 heeft UWV het loon van [eiser] met terugwerkende kracht tot 10 juni 2021 verlaagd van 100% naar 70% en hem bericht dat UWV een vordering op hem heeft van € 5.207,94 bruto aan te veel betaald loon. UWV heeft dit bedrag verrekend met het loon van [eiser] . 2.
- In een Arbeidsdeskundig rapport van 22 februari 2022, opgesteld naar aanleiding van een door [eiser] aangevraagde WIA-uitkering, staat, voor zover van belang, het volgende: “(…) Aanvankelijk was een verkeerd pad bewandeld nadat uit een deskundigenoordeel bleek dat werknemer ongeschikt was voor het eigen werk in plaats van dat het een mismatch betrof. Daarna waren er echter slechts marginale mogelijkheden. Medische behandeling en begeleiding waren/zijn noodzakelijk. Werknemer zou volgens werkgever geen inzet van een tweedespoortraject willen, maar gezien de marginale mogelijkheden was dit (achteraf gezien) ook niet goed mogelijk daardoor kon ook niet meer gevraagd worden van werkgever en werknemer waardoor er de periode na het deskundigenoordeel in mijn optiek ook geen re-integratiekansen zijn gemist. (…) De prognose is redelijk gunstig, betrokkene staat aan de vooravond van een passende en intensieve behandeling voor zijn klachten, waarvan bekend is dat die tot goede resultaten kan leiden. Aanvullend zullen de andere klachten en beperkingen nog worden behandeld. Op een termijn van 1 a 2 jaar, afhankelijk van beloop behandeling en de resultaten daarvan, kunnen de beperkingen persoonlijk en sociaal functioneren verminderen (waarschijnlijk niet helemaal verdwijnen) en de beperkingen ten aanzien van tillen, dragen, hoofdbewegingen kunnen afnemen. De urenbeperking is naar verwachting tijdelijk en kan op diezelfde termijn van binnen 1 a 2 jaar, verdwijnen. (…)”. 2.
- Bij besluit van 23 februari 2022 van uitvoeringsinstantie UWV is aan [eiser] met ingang van 22 maart 2022 WIA-uitkering (loongerelateerde WGA-uitkering) toegekend waarbij de mate van arbeidsongeschiktheid is vastgesteld op 100%. In dat besluit is tevens bepaald dat UWV en [eiser] voldoende hebben gedaan aan de re-integratie. Op 5 april 2022 heeft [eiser] bezwaar gemaakt tegen de beslissing dat UWV de re-integratieverplichtingen is nagekomen. 2.
- In mei 2022 hebben partijen een vaststellingsovereenkomst gesloten. Daarin hebben zij afgesproken dat de arbeidsovereenkomst eindigt op 1 juni 2022 omdat [eiser] , langer dan twee jaar niet kan werken wegens ziekte. UWV heeft aan [eiser] een transitievergoeding betaald. Partijen zijn geen finale kwijting overeengekomen. 2.
- Bij besluit van 8 augustus 2022 heeft uitvoeringsinstantie UWV het beroep van [eiser] tegen de beslissing dat UWV had voldaan aan de re-integratie inspanningen ongegrond verklaard. [eiser] heeft tegen dat besluit beroep ingesteld bij de rechtbank Overijssel. In die procedure is op 9 februari 2023 een mondelinge behandeling gehouden. [eiser] was daarbij aanwezig. UWV en uitvoeringsinstantie UWV zijn niet verschenen. 2.
- Op 26 april 2023 heeft de rechtbank Overijssel het beroep van [eiser] gegrond verklaard. In de uitspraak staat, voor zover van belang, het volgende: “2.
- Partijen zijn het eens over de mate van arbeidsongeschiktheid van eiser op de datum in geding, 22 maart
- Verder staat vast dat re-integratie vanaf het deskundigenoordeel van 27 september 2021 tot het einde van de wachttijd per 22 maart 2022 niet mogelijk was vanwege de aard van eisers psychische beperkingen en de behandeling en begeleiding die hij kreeg. (…) 2.9 Dat, zoals het Uwv stelt, de re-integratie-inspanningen voldoende zijn geweest, vindt naar het oordeel van de rechtbank onvoldoende steun in de rapporten van de arbeidskundige (bezwaar en beroep) en de overige stukken die voorhanden zijn. Eiser heeft zich op 24 maart 2020 ziek gemeld. De bedrijfsarts heeft eiser op 24 maart 2020 en 15 april 2020 gesproken en hem geadviseerd om ruimschoots de tijd te nemen om meer stabiliteit te krijgen en de oriëntatie bij het loopbaancentrum serieus voor te zetten. In het formulier Probleemanalyse van 3 juni 2020 geeft de bedrijfsarts aan dat over het (eind)doel van de re-integratie waarop het plan van aanpak gericht moet worden, in overleg, eerst afspraken moeten worden gemaakt. Eerst op 7 januari 2022 is een (summier ingevuld) plan van aanpak opgesteld. Uit berichtgevingen van de bedrijfsarts tot dan toe volgt dat (bij herhaling) is geadviseerd om onder begeleiding van een coach in te steken op een stage of iets dergelijks. Van concrete activiteiten gericht op eisers re-integratie is echter niet gebleken. De bedrijfsarts adviseert in zijn brief van 18 maart 2021 dat zo snel mogelijk een re-integratieplek moet worden gerealiseerd. Ook wordt vastgesteld dat eiser tot dan toe nog steeds niet wordt begeleid door een coach. Uit de brief van de bedrijfsarts van 21 april 2021 volgt dat aan dit advies gevolg is gegeven. De bedrijfsarts geeft in deze brief namelijk aan dat eiser blij is met de coach die hem bijstaat en hem concreet helpt om positief te blijven in de onzekere afwachting van een concreet 1e spoortraject. Niet is gebleken dat voordien door ex-werkgever concrete inspanningen zijn verricht die bijgedragen hebben aan de re-integratie van eiser. Ten onrechte heeft het Uwv daarom geconcludeerd dat de re-integratie-inspanningen van ex-werkgever voldoende waren. Dat voor deze onvoldoende inspanningen een deugdelijke grond was, is gesteld noch gebleken.” 2.
- Uitvoeringsinstantie UWV heeft op 15 mei 2023 een nieuw besluit genomen en geoordeeld dat de re-integratie inspanningen van UWV onvoldoende zijn geweest. 2.
- Op 9 april 2024 heeft [eiser] bij uitvoeringsinstantie UWV een verzoek gedaan om schadevergoeding, omdat zij geen loonsanctie had opgelegd aan UWV. Bij beslissing van 17 maart 2025 heeft uitvoeringsinstantie UWV geoordeeld dat [eiser] recht heeft op een schadevergoeding van € 12.901,
- 3Het geschil 3.
- [eiser] vordert - samengevat - UWV te veroordelen tot betaling van: I. € 5.207,94 aan achterstallig loon, € 2.603,97 aan wettelijke verhoging en € 635,40 aan buitengerechtelijke incassokosten, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de vervaldata van het loon, II. € 452.862,52 aan schadevergoeding wegens inkomensverlies, III. € 15.414,00 aan schadevergoeding wegens pensioenschade, IV. € 1.848,66 aan schadevergoeding wegens gemaakte zorgkosten, V. € 9.649,75 aan schadevergoeding voor gemaakte kosten rechtsbijstand, VI. € 100.000,00 aan immateriële schadevergoeding, VII. althans een in goede justitie vast te stellen bedrag aan schadevergoeding voor de onder II tot en met VI gevorderde bedragen, VIII. de proceskosten vermeerderd met wettelijke rente. 3.
- [eiser] heeft het volgende aan zijn vorderingen ten grondslag gelegd. UWV heeft ten onrechte een bedrag van € 5.207,94 bruto ingehouden op het loon van [eiser] in november en december
- Deze inhouding is in strijd met de redelijkheid en billijkheid. [eiser] heeft UWV direct laten weten dat hij een deskundigenoordeel zou aanvragen naar aanleiding van het oordeel van 10 juni 2021 van de bedrijfsarts dat hij volledig arbeidsgeschikt was. UWV heeft er zelf voor gekozen het deskundigenoordeel niet af te wachten en [eiser] 100% van zijn loon te betalen. Bovendien heeft UWV [eiser] uit eigen beweging vrijgesteld van werk in afwachting van het deskundigenoordeel. Omdat het loon onterecht is ingehouden heeft [eiser] recht op de wettelijke verhoging en de wettelijke rente over het achterstallige loon. 3.
- Het UWV is bij de re-integratie van [eiser] nalatig geweest en heeft zich niet gedragen als een goed werkgever. De schending van de re-integratieverplichtingen heeft een negatief effect gehad op de duur en ernst van de klachten van [eiser] . UWV heeft [eiser] niet geholpen bij het vinden van een stageplek of een andere functie binnen UWV. [eiser] heeft meerdere keren tevergeefs gesolliciteerd en het UWV had zich ervoor moeten inspannen dat [eiser] voorrang kreeg bij deze sollicitaties. Dit heeft UWV niet gedaan. In het verslag van de bedrijfsarts van 18 maart 2021 volgt dat er meerdere passende functies waren bij UWV. Als het UWV dit advies ter harte had genomen en [eiser] passend werk had aangeboden, dan had hij in zijn eerste ziektejaar kunnen starten met re-integreren en had hij zijn 23-jarige dienstverband bij UWV kunnen voortzetten. Doordat UWV dit niet heeft gedaan liep de spanning bij [eiser] steeds verder op, wat heeft gezorgd voor beperkingen. Het onjuiste advies van de bedrijfsarts van 10 juni 2021 en de onterechte hersteld melding door UWV, waardoor de re-integratie helemaal is komen stil te liggen, hebben vervolgens zodanig veel spanning bij [eiser] veroorzaakt dat zijn klachten zijn verergerd en er nieuwe klachten zijn ontstaan, die zo ernstig waren dat hij daarvoor in het ziekenhuis is opgenomen. [eiser] volgt een langdurig en intensief behandeltraject. Hij is onder behandeling bij zes behandelaars. Ook uit de uitspraak van 26 april 2023 van de rechtbank Overijssel volgt dat UWV niet heeft voldaan aan haar re-integratieverplichting. Hoewel [eiser] in het eerste ziektejaar arbeidsongeschikt was voor zijn eigen arbeid, was hij geschikt voor passend werk. Door de hiervoor genoemde handelswijze van UWV zijn de mentale en fysieke klachten van [eiser] toegenomen. Hierdoor was [eiser] aan het einde van het tweede ziektejaar zowel voor eigen arbeid als voor ander arbeid arbeidsongeschikt. De schade die [eiser] heeft geleden bestaat uit inkomensverlies, pensioenschade, gemaakte en te maken kosten, waaronder zorgkosten en kosten rechtsbijstand. Daarnaast bestaat de schade van [eiser] uit immateriële schade, aldus steeds [eiser] . 3.
- UWV heeft als volgt verweer gevoerd. Op grond van de cao had [eiser] in het tweede ziektejaar recht op 70% van zijn loon. Toen de bedrijfsarts oordeelde dat [eiser] op 10 juni 2021 weer volledig arbeidsgeschikt was, had [eiser] weer recht op 100% van zijn loon. Wanneer achteraf uit een deskundigenoordeel blijkt dat [eiser] op 10 juni 2021 toch nog ziek was, dan is daarvan het logische gevolg dat [eiser] met terugwerkende kracht slechts recht had op 70% van zijn loon. Bovendien heeft [eiser] zich niet beschikbaar gehouden voor zijn werk en ook geen werkzaamheden verricht, daar hij was vrijgesteld van werk. Ook om die reden is het niet redelijk dat [eiser] zijn volledige loon uitbetaald zou krijgen. 3.
- [eiser] heeft niet duidelijk gemaakt op welke wijze UWV de norm van goed werkgeverschap heeft geschonden. Het is onduidelijk welke tekortkoming UWV wordt verweten. Nu de verwijten zien op het re-integratietraject biedt artikel 7:611 BW geen grondslag voor zijn vordering. 3.
- UWV betwist dat sprake is van een toerekenbare tekortkoming door schending van re-integratieverplichtingen. UWV heeft zich altijd ingespannen voor de re-integratie van [eiser] . In november 2020 werd door de bedrijfsarts voor het eerst gesproken over het hervatten van werkzaamheden. Ook werd een coaching traject geadviseerd, welk traject is gestart. UWV heeft haar best gedaan om een passende re-integratieplek voor [eiser] te vinden. Het aanbod van UWV om in de functie van administratief medewerker te re-integreren werd door [eiser] afgewezen. De manager van [eiser] kon op de eigen afdeling geen samenstel van taken organiseren die aansloten bij de beperkingen van [eiser] . [naam 2] heeft bij alle divisies uitvraag gedaan naar beschikbare passende functies, maar dit heeft geen resultaat opgeleverd. Voor de functies waarop [eiser] heeft gesolliciteerd, is hij helaas afgewezen. De manager van [eiser] was niet bij machte om aanname op andere plekken in de organisatie af te dwingen. Dat het niet is gelukt een passende functie te vinden, had te maken met de hoge eisen die [eiser] stelde aan een functie. Bovendien hebben omstandigheden in de privésfeer een aanzienlijke invloed gehad op de fysieke en mentale gesteldheid van [eiser] . Ook kan het (medische) verleden van [eiser] niet los worden gezien van zijn arbeidsongeschiktheid. In de procedure bij de rechtbank Overijssel was UWV als uitvoeringsinstantie en niet UWV als werkgever partij. Dat betekent dat UWV als werkgever zich niet heeft kunnen verweren in die procedure. De vraag die in die procedure voorlag was of UWV als uitvoeringsinstantie een juist besluit had genomen niet of UWV als werkgever goed had gehandeld. 3.
- Volgens UWV is er geen causaal verband tussen het gestelde handelen van UWV omtrent de re-integratie en de gestelde schade. Zijn mentale en fysieke klachten bestonden al voordat hij ziek werd en zijn ontstaan door persoonlijke en onderliggende medische problematiek, privé omstandigheden en ook hebben persoonlijke eigenschappen een grote rol gespeeld. Voor een billijke vergoeding wegens schending van de re-integratieverplichtingen is slechts ruimte indien sprake is van ernstig veronachtzamen van de re-integratieverplichtingen door werkgever. Daarvan is geen sprake. De lat voor het toekennen van een billijke vergoeding ligt hoger dan de lat voor het opleggen van een loonsanctie. Zelfs als een loonsanctie is opgelegd, betekent dit niet dat een werknemer recht heeft op een billijke vergoeding. Nu in de situatie van [eiser] aan de hoge lat voor een billijke vergoeding niet is voldaan, kan een schadevergoeding op grond van artikel 7:611 BW niet aan de orde zijn. Verder betwist UWV aansprakelijk te zijn voor de gevorderde schade. Ook betwist UWV de omvang van de schade(posten). 3.
- Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover nodig, nader ingegaan. 4De beoordeling Loonvordering 4.
- Tussen partijen is niet in geschil dat [eiser] vanwege zijn tweede ziektejaar op grond van de tussen partijen geldende cao recht had op 70% van zijn loon en na betermelding weer 100%. Op grond hiervan was UWV gehouden om, nadat de bedrijfsarts had geoordeeld dat [eiser] weer volledig arbeidsgeschikt was, aan [eiser] 100% van zijn loon te betalen. Na het deskundigenoordeel waaruit volgde dat [eiser] op 10 juni 2021 nog ziek was, had UWV het recht om over 10 juni tot en met 10 oktober 2021 met terugwerkende kracht te veel betaald loon van [eiser] terug te vorderen. Dat neemt niet weg dat er gronden waren voor UWV om daar niet toe over te gaan. UWV heeft dan ook onterecht een bedrag van € 5.207,94 ingehouden op het loon van [eiser] . De kantonrechter overweegt als volgt. 4.
- [eiser] hoefde er in redelijkheid geen rekening mee te houden dat als uit het deskundigenoordeel zou volgen dat hij toch arbeidsongeschikt was, UWV met terugwerkende kracht 70% van zijn loon zou betalen. UWV heeft [eiser] immers vrijgesteld van werk met behoud van loon in afwachting van de uitslag van het deskundigenoordeel. Het vrijstellen van het werk lag er met name in dat UWV het lastig vond om binnen het team van [eiser] passende werkzaamheden voor hem te vinden, mede gezien het feit dat [eiser] werkzaamheden met deadlines en piekbelasting niet aan kon en [eiser] meende (en achteraf terecht) volledig arbeidsongeschikt te zijn. UWV heeft aangegeven dat, gezien de situatie voor [eiser] vervelend genoeg was, zij hem ook niet wilde dwingen te komen. Niet gebleken is dat UWV [eiser] erop heeft gewezen dat de mogelijkheid bestaat dat hij mogelijk 30% van zijn loon zal moeten terugbetalen. Eventueel hadden hier ook afspraken over kunnen worden gemaakt. Dat had wel mogen worden verwacht van UWV. Daar komt bij dat een verlaging van het loon in het tweede ziektejaar van 100% naar 70% een bevoegdheid is van UWV, maar het haar altijd vrij staat om meer dan 70% van het loon te betalen. In dit licht is het naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar dat het teveel betaalde loon is teruggevorderd. Dat [eiser] akkoord is gegaan om het bedrag van € 5.207,94 door verrekening in delen met het loon terug te betalen, maakt het voorgaande niet anders, omdat [eiser] door het UWV min of meer voor een voldongen feit is gesteld. Dit betekent dat de vordering van [eiser] om UWV te veroordelen tot betaling van € 5.207,94 bruto aan achterstallig loon zal worden toegewezen. 4.
- In de omstandigheden zoals hier aan de orde ziet de kantonrechter aanleiding de wettelijke verhoging over het achterstallige loon te matigen tot een maximum van 25%. 4.
- [eiser] heeft voldoende gesteld dat buitengerechtelijke werkzaamheden zijn verricht. Het gevorderde bedrag van € 635,40 aan buitengerechtelijke kosten is door UWV niet betwist en is in overeenstemming met het tarief in het BIK-besluit en zal daarom worden toegewezen. 4.
- De wettelijke rente over het achterstallige loon en over de wettelijke verhoging zal worden toegewezen vanaf de data van verzuim. De wettelijke rente over buitengerechtelijke incassokosten zal als niet weersproken worden toegewezen vanaf de datum van de dagvaarding (17 januari 2025). Onvoldoende re-integratie inspanningen door UWV 4.
- [eiser] verwijt UWV dat zij is tekortgeschoten in de nakoming van goed werkgeverschap en stelt hierdoor schade te hebben geleden, onder meer bestaande uit inkomstenverlies tot aan zijn pensioen. In de kern komen de stellingen van [eiser] erop neer dat UWV bij de re-integratie nalatig is geweest, wat een negatief effect heeft gehad op de duur en de ernst van de klachten van [eiser] . Volgens [eiser] was hij tijdens het eerste ziektejaar in staat om passende werkzaamheden te verrichten. Als het UWV hem toen passende werkzaamheden had aangeboden en hem beter had begeleid, had [eiser] kunnen re-integreren en zou hij nu nog voor UWV hebben gewerkt. Door de handelswijze van UWV was [eiser] aan het einde van het tweede ziektejaar zowel voor eigen arbeid als voor andere arbeid arbeidsongeschikt, aldus [eiser] . 4.
- UWV voert allereerst aan dat goed werkgeverschap (artikel 7:611 BW) geen grondslag biedt voor de vorderingen van [eiser] , nu de verwijten van [eiser] alleen zien op het re-integratietraject. Gelet op de stellingen van [eiser] gaat het hem om het niet goed nakomen van de re-integratieverplichtingen. Daarvoor biedt artikel 7:658a BW de grondslag, dat een uitwerking is van goed werkgeverschap. Dit artikel kan als grondslag voor de vordering van [eiser] dienen. Omdat [eiser] verder niet (voldoende) heeft gesteld dat UWV meer kan worden verweten dan de niet nakoming van de re-integratieverplichtingen biedt artikel 7:611 BW verder geen grondslag voor de vorderingen van [eiser] . 4.
- Dat de re-integratie inspanningen van het UWV gedurende een bepaalde periode onvoldoende zijn geweest volgt reeds uit het oordeel van de rechtbank Overijssel. Dat de bestuursrechter binnen een ander kader beslist maakt niet dat het oordeel dat UWV onvoldoende heeft gedaan in deze procedure niet van relevantie is. Terecht stelt UWV zich evenwel op het standpunt dat zij niet aansprakelijk kan worden gehouden voor de gevorderde schadevergoeding op basis van dit oordeel. Voor toewijzing van de vorderingen is meer vereist. 4.
- De rechtbank Overijssel heeft kort gezegd geoordeeld dat het plan van aanpak van 7 januari 2022 veel te laat is opgesteld, dat het advies van de bedrijfsarts was om een stage onder begeleiding van een coach te organiseren, maar dat niet gebleken is dat daarna concrete activiteiten gericht op re-integratie zijn verricht en dat pas op 21 maart 2022 een coach is ingeschakeld. De kantonrechter deelt dit oordeel en overweegt daarbij als volgt. 4.
- [eiser] heeft zich op 24 maart 2020 ziekgemeld. Uit de verslagen van de bedrijfsarts volgt dat [eiser] aanvankelijk volledig arbeidsongeschikt was, ook voor passende werkzaamheden. In zijn verslag van 8 oktober 2020 adviseert de bedrijfsarts om over enkele maanden te starten met een snuffelstage en uit zijn verslag van 18 november 2020 volgt dat [eiser] er bijna klaar voor is om met behulp van een coach te starten met een stage. Vanaf dat moment had UWV actie moeten ondernemen om voor [eiser] een coach en een stageplek te vinden. Niet gebleken is dat UWV zich actief heeft ingespannen om voor [eiser] een stageplek te vinden en het coachingtraject is pas op 16 maart 2021 gestart. Op 18 maart 2021 oordeelt de bedrijfsarts dat [eiser] al geruime tijd geschikt is voor passende werkzaamheden en adviseert hij UWV een re-integratieplek te realiseren voor [eiser] en wel zo snel mogelijk om te voorkomen dat [eiser] door de bij hem oplopende spanning weer beperkingen krijgt. Pas in juni 2021 komt het UWV in actie. [naam 2] stuurt een bericht naar de verschillende divisies met de vraag of zij plek hebben voor [eiser] en wijst [eiser] op een vacature Verzuim en Beheer. Gelet op het advies van de bedrijfsarts was UWV hiermee te laat. Volgens UWV heeft zij [eiser] ook nog op een administratieve functie gewezen maar wanneer dat was is niet gesteld. 4.
- Volgens de bedrijfsarts was [eiser] vanaf 10 juni 2021 niet meer arbeidsongeschikt op grond van ziekte. De hersteldmelding is daar een logisch gevolg van. Partijen zijn het er inmiddels over eens dat [eiser] toen eigenlijk niet geschikt was voor zijn eigen werkzaamheden. Dat UWV hangende de uitslag van het deskundigenoordeel geen re-integratie inspanningen heeft verricht, valt haar echter niet te verwijten. [eiser] was immers volgens de bedrijfsarts niet langer arbeidsongeschikt. Verder zijn partijen het erover eens dat dat re-integratie vanaf het deskundigenoordeel van 27 september 2021 tot het einde van de wachttijd per 22 maart 2022 niet mogelijk was vanwege de aard van eisers psychische beperkingen. De conclusie van het voorgaande is, dat UWV van 18 november 2020 tot en met 10 juni 2021 nalatig is geweest in het nakomen van haar re-integratie verplichtingen. 4.
- De vervolgvraag is of [eiser] daardoor ook schade heeft geleden. UWV had een inspanningsverplichting. Er bestaat geen garantie dat een re-integratietraject succesvol zal verlopen. De omstandigheid dat UWV enige tijd nalatig is geweest in het nakomen van haar re-integratie verplichtingen op zich zelf maakt niet reeds dat [eiser] daardoor schade heeft geleden. Het is aan [eiser] om te stellen en zo nodig te bewijzen dat hij als gevolg van die nalatigheid schade heeft geleden. 4.
- [eiser] heeft slechts gesteld dat als UWV haar re-integratie inspanningen was nagekomen, hij gedurende het eerste ziektejaar passend werk had kunnen vinden en tot aan zijn pensioen (mei 2043) bij UWV zou hebben gewerkt. Deze stelling heeft hij verder niet, althans onvoldoende onderbouwd en is voor deze conclusie onvoldoende. Bovendien heeft UWV die gemotiveerd betwist. UWV heeft er terecht op gewezen dat uit de rapportages die [eiser] in het geding heeft gebracht, volgt dat hij al jaren – dus al ruim voor zijn ziekmelding in maart 2020 – kampt met psychische en lichamelijke problemen die niet gerelateerd zijn aan zijn werkzaamheden, dat hij problemen in de privésfeer had en ook dat in de persoon gelegen factoren een rol spelen bij de overbelasting in zijn werk. Gelet op deze rapportages valt zonder nadere onderbouwing die ontbreekt, niet in te zien waarom [eiser] bij een andere aanpak van de re-integratie wel duurzaam passend werk had gevonden. Dit klemt te meer vanwege het volgende. [eiser] stelt zelf dat door het onterechte advies van de bedrijfsarts van 10 juni 2022 en de hersteld melding er zodanig veel spanning bij hem is veroorzaakt dat zijn klachten zijn verergerd en nieuwe ernstige klachten zijn ontstaan. Daarbij zijn partijen het erover eens zijn dat re-integratie vanaf het deskundigenoordeel van 27 september 2021 niet mogelijk was. Het voorgaande betekent dat [eiser] niet voldoende stelt om zijn conclusie dat hij (immateriële) schade heeft geleden als gevolg van nalatig handelen van UWV door onvoldoende re-integratie-inspanningen te verrichten te kunnen dragen. 4.
- De conclusie is dat de vorderingen van [eiser] strekkende tot betaling van schadevergoeding door UWV zullen worden afgewezen. Proceskosten 4.
- Nu partijen over en weer in het (on)gelijk zijn gesteld, worden de proceskosten gecompenseerd in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt. 5De beslissing De kantonrechter 5.
- veroordeelt UWV om aan [eiser] te betalen € 5.207,94 aan achterstallig loon, te vermeerderen met de wettelijke verhoging met een maximum van 25% en de wettelijke rente vanaf de data van verzuim tot aan de dag van volledige betaling, 5.
- veroordeelt UWV om aan [eiser] te betalen € 635,40 aan buitengerechtelijke incassokosten, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 17 januari 2025 tot aan de dag van volledige betaling, 5.
- verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad, 5.
- bepaalt dat iedere partij de eigen kosten draagt, 5.
- wijst het meer of anders gevorderde af. Dit vonnis is gewezen door mr. J.F. Kuiken, kantonrechter, bijgestaan door mr. M.F. van Grootheest, griffier, en in het openbaar uitgesproken op 30 oktober
- 57170