RECHTBANK AMSTERDAM Bestuursrecht zaaknummer: AMS 25/4334 uitspraak van de enkelvoudige kamer van 26 mei 2026 in de zaak tussen [eiseres], te [woonplaats], eiseres (gemachtigde: mr. N. Velthorst), en de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (het Uwv), verweerder (gemachtigde: mr. E. Kok). Samenvatting
- Deze uitspraak gaat over een aan eiseres verstrekte WIA-uitkering. Eiseres is van mening dat het Uwv haar klachten en beperkingen heeft onderschat en dat zij meer arbeidsongeschikt is dan het Uwv heeft aangenomen. 1.
- De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat het Uwv de mate van arbeidsongeschiktheid van eiseres goed gemotiveerd heeft. Eiseres krijgt dus geen gelijk en het beroep is ongegrond. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft. Inleiding
- Met het besluit van 2 augustus 2024 heeft het Uwv beslist dat eiseres met ingang van 29 juli 2024 geen recht heeft op een WIA-uitkering, omdat zij minder dan 35% arbeidsongeschikt is (namelijk 29,62%). 2.
- Op 8 mei 2025 heeft het Uwv het voornemen kenbaar gemaakt om het besluit van2 augustus 2024 te wijzigen en eiseres in de gelegenheid gesteld hierop te reageren. 2.
- Met bestreden besluit van 3 juli 2025 heeft het Uwv het bezwaar van eiseres gegrond verklaard. Het Uwv heeft eiseres per 24 juli 2024 een loongerelateerde WGA-uitkering toegekend, omdat zij volgens het Uwv 58,86% arbeidsongeschikt is. 2.
- Eiseres heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend. 2.
- Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 30 april
- Hieraan hebben deelgenomen: eiseres, de gemachtigde van eiseres en de gemachtigde van het Uwv. Beoordeling door de rechtbank Wat aan deze procedure voorafging
- Eiseres was laatstelijk werkzaam als docent bij de [universiteit] voor gemiddeld 22,76 uur per week. Eiseres had haar contract opgezegd vanwege een nieuwe baan bij [stichting] als documentalist. Haar contract bij [universiteit] liep tot 1 september
- Op 1 augustus 2022 meldde eiseres zich ziek bij [stichting] vanwege aanhoudende vermoeidheidsklachten, hartkloppingen bij inspanning en verminderde focus en concentratie bij post-covid klachten en erfelijke hartklachten. Haar dienstverband werd in de proeftijd verbroken omdat ze door ziekte niet heeft kunnen werken. Eiseres ontving vervolgens een Ziektewetuitkering. 3.
- Op 18 april 2024 heeft eiseres bij het Uwv een WIA-uitkering aangevraagd. 3.
- Aan het besluit van 2 augustus 2024 heeft het Uwv een rapport van de verzekeringsarts van 15 juli 2024, met een opgestelde Functionele Mogelijkhedenlijst (FML) van dezelfde datum, en een rapport van de arbeidsdeskundige van 1 augustus 2024 ten grondslag gelegd. 3.
- Naar aanleiding van het bezwaar van eiseres, heeft een verzekeringsarts bezwaar en beroep van het Uwv eiseres gezien op spreekuur en nader gerapporteerd op 2 april 2025 en een FML opgesteld van dezelfde datum. Hij heeft aanvullende beperkingen aangenomen: relatief voorspelbare werksituatie, werksituatie zonder veelvuldige storingen en onderbrekingen, conflictsituaties, intensief patiënten- en klantcontact, leidinggevende aspecten en een urenbeperking van 4 uur per dag en 20 uur per week. Een arbeidsdeskundige bezwaar en beroep van het Uwv heeft vervolgens, op 8 mei 2025, gerapporteerd dat de geduide functies niet gehandhaafd kunnen blijven. Ook heeft hij het maatmaninkomen gecorrigeerd. De arbeidsdeskundige bezwaar en beroep heeft de arbeidsongeschiktheid van eiseres berekend op 58,86%. Naar aanleiding van deze conclusies heeft het Uwv een voornemen tot wijziging van het besluit van 2 augustus 2024 kenbaar gemaakt. Eiseres heeft vervolgens aanvullende bezwaargronden ingediend. De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft hierop gereageerd met een aanvullend rapport van 27 juni
- Daarop is het bestreden besluit gevolgd. Overwegingen
- Kern van het geschil is of het Uwv terecht heeft bepaald dat eiseres per einde wachttijd voor 58,86% arbeidsongeschikt is. 4.
- Het Uwv mag zijn besluiten over arbeidsongeschiktheid in principe baseren op rapporten van zijn verzekeringsartsen en arbeidsdeskundigen. Deze rapporten moeten dan wel aan een aantal voorwaarden voldoen: zij moeten op zorgvuldige wijze tot stand zijn gekomen, ze mogen geen tegenstrijdigheden bevatten en de conclusies moeten logisch voortvloeien uit de rapporten. Het is aan eiseres om aannemelijk te maken dat de rapporten die over haar zijn opgesteld niet aan deze vereisten voldoen. 4.
- De rechtbank gaat hieronder in op de vraag of de opgestelde medische en arbeidskundige rapportages voldoen aan de hierboven genoemde voorwaarden. Medische grondslag van het bestreden besluit Wisselwerking ziektes
- Eiseres heeft PLN en post-covid. Eiseres voert aan dat de verzekeringsarts bezwaar en beroep onvoldoende beperkingen heeft aangenomen. In de rapportages is onvoldoende rekening gehouden met de wisselwerking tussen deze aandoeningen. In het rapport van28 juni 2025 wordt gesteld dat het onderscheid tussen de covid-infectie en de myopathie verzekeringsgeneeskundig niet relevant is. Dit terwijl uit brief cardioloog 8 juni 2023 blijkt dat eiseres last heeft van vermoeidheid, dyspnoe, palpitaties, duizeligheid en pijn op de borst. Daarbij blijkt uit brief cardioloog dat PLN een ernstige, progressieve ziekte betreft. Verder is van belang dat de in november 2022 vastgestelde hartritmestoornissen een direct gevolg van PLN zijn en niet van long-covid. Beide aandoeningen verstreken elkaar en vergroten de functionele beperkingen. 5.
- De rechtbank overweegt dat de verzekeringsarts bezwaar en beroep in het rapport van 27 juni 2025 gerapporteerd heeft dat het niet makkelijk is om onderscheid te maken tussen klachten en belemmeringen als gevolg van de myopathie en klachten en belemmeringen als gevolg van de doorgemaakte covid-infectie. De overlap is groot, zowel qua klachten en belemmeringen, als ook voor wat betreft functionele beperkingen. Onderscheid tussen die twee is verzekeringsgeneeskundig ook niet relevant. In het rapport van 24 april 2026 heeft de verzekeringsarts bezwaar en beroep verduidelijkt dat er een behoorlijke overlap is tussen de ervaren klachten en belemmeringen. Voor een verzekeringsgeneeskundige beoordeling van de belastbaarheid is het dus niet relevant om een strikte scheiding te maken tussen “welke beperkingen exact het gevolg zijn van aandoening A” en “welke beperkingen exact het gevolg zijn van aandoening B”. De rechtbank kan dit standpunt volgen. Het komt de rechtbank voor dat de verzekeringsarts bezwaar en beroep voornamelijk heeft gekeken naar de klachten en niet naar de diagnoses op zichzelf en daarmee juist rekening heeft gehouden met de wisselwerking tussen PLN en long-covid. 5.
- Eiseres heeft gewezen op de brief van de cardioloog van 8 juni
- Uit het rapport van 2 april 2025 blijkt dat de verzekeringsarts bezwaar en beroep deze brief heeft meegenomen. De brief staat genoemd onder “informatie van derden”. In het rapport van27 juni 2025 beschrijft de verzekeringsarts bezwaar en beroep dat uit de beschikbare cardiologische informatie volgt dat sprake is van een stabiele situatie. De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft verwezen naar een passage in het rapport van de primaire verzekeringsarts van 15 juli 2024: “Verzekeringsgeneeskundig zijn er medische beperkingen tav haar hart en tav energetische klachten, waarbij klant consistent een uur per dag moet rusten, ook al heeft ze een goede dag. Er is sprake van plausibele ziekte anamnese, waarbij ook behandelingen en controles aangeven dat er sprake is van een objectief medische situatie. Tgv de consistente energetische klachten, tgv haar hartfunctie en post covid syndroom wordt er een urenbeperking van 6-7 uur per dag en 32 uur per week plausibel geacht.” De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft vervolgens de urenbeperking aangescherpt. Hieruit blijkt dat hij de medische conclusies van de primaire verzekeringsarts kritisch getoetst heeft. Naar het oordeel van de rechtbank heeft de verzekeringsarts bezwaar en beroep de klachten voldoende voor ogen gehad en heeft hij de medische informatie hierover voldoende concludent afgewogen. Urenbeperking 5.
- Eiseres voert aan dat de urenbeperking te beperkt is en bovendien onvoldoende onderbouwd. Volgens eiseres zou deze 2 uur per dag en 10 uur per week moeten zijn, vanwege vermoeidheidsklachten. Uit de Standaard duurbelastbaarheid in arbeid (de Standaard) volgt dat een representatief en nauwkeurig dagverhaal wezenlijk onderdeel moet zijn van het verzekeringsgeneeskundig onderzoek en dat een toegenomen recuperatienoodzaak een maat is voor verminderde duurbelastbaarheid. Er is sprake van veel “niet-gebruikelijke” rustmomenten. Verder heeft eiseres ook afscheid moeten nemen van haar eerdere activiteiten en hobby’s en hier is onvoldoende rekening mee gehouden. 5.
- De rechtbank overweegt dat de verzekeringsarts op grond van de volgende indicatiegebieden de duurbelastbaarheid van een betrokkene kan beperken: stoornis in de energiehuishouding, preventief en vanwege verminderde beschikbaarheid. Het Uwv volgt daarbij de Standaard. Uit de Standaard blijkt dat een duurbelastbaarheid van gemiddeld ongeveer vier uur per dag aan de orde is als er na ongeveer vier uur werken een zodanige recuperatietijd nodig is dat binnen de zelfde dag (vrijwel) in het geheel geen arbeidsprestatie meer kan worden geleverd. Een duurbelastbaarheid van gemiddeld ongeveer twee uur per dag is aan de orde als ruim binnen een periode van vier uur werken een zodanige recuperatietijd nodig is dat binnen de zelfde dag niet nogmaals gedurende ongeveer twee uur een arbeidsprestatie kan worden geleverd. 5.
- De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft in bezwaar een aanvullende urenbeperking aangenomen, van 4 uur per dag en 20 uur per week. In het rapport van2 april 2025 motiveert hij dat de door de primaire verzekeringsarts aangenomen urenbeperking van 6 uur per dag en 30 uur per week mogelijk meer passend is bij de huidige situatie, waar het beter gaat met eiseres dan op datum in geding. Hij beschrijft dat er een verminderde inspanningstolerantie is, hetgeen een veel voorkomend probleem is bij long-covid patiënten. Op het spreekuur waren ook aanwijzingen voor het feit dat het voor eiseres vermoeiend/inspannend was langdurig te richten/focussen op het gesprek, onder andere door subtiele haperingen in het spreken. 5.
- Op de zitting heeft de gemachtigde van eiseres aangevoerd dat de primaire verzekeringsarts het dagverhaal erg beperkt had opgeschreven. In bezwaar is hier een groot punt van gemaakt. In bezwaar is een nieuw dagverhaal opgeschreven. Uit dit dagverhaal blijkt dat eiseres eigenlijk bijna niks doet op een dag. Zij komt niet op 2 uur iets doen. Het dagverhaal is bovendien omgeven met niet-gebruikelijke rustmomenten. Daar komt bij dat het dagverhaal zoals beschreven nog van een goede dag was. 5.
- In het rapport van 27 juni 2025 heeft de verzekeringsarts bezwaar en beroep toegelicht dat uit het dagverhaal geen aanwijzingen zijn dat eiseres dagelijks niet voor tenminste 4 uur kan/kon functioneren. Als dat zo is, zijn er ook geen logische argumenten om te moeten veronderstellen dat zij dat niet ook in optimaal passende arbeid zou kunnen. Eiseres heeft geen medische informatie ingebracht die haar standpunt nader onderbouwt. Enkel op basis van het dagverhaal, zoals dat opnieuw is uitgevraagd door de verzekeringsarts bezwaar en beroep, ziet de rechtbank onvoldoende reden om te concluderen dat de verzekeringsarts bezwaar en beroep de duurbelastbaarheid onvoldoende heeft gemotiveerd. Daarbij kan de rechtbank de interpretatie van de verzekeringsarts bezwaar en beroep van het dagverhaal volgen. 5.
- Eiseres voert aan dat de verzekeringsarts bezwaar en beroep uitgaat van de verkeerde standaard. Hij gaat uit van richtlijn “langdurige klachten na COVID-19”, maar die is inmiddels verouderd en ingehaald door handreiking “Memo post-COVID syndroom voor de artsen bij UWV” en de handreiking “Post-Covid syndroom voor de verzekeringsarts”. Hangende beroep heeft de verzekeringsarts bezwaar en beroep hierop gereageerd dat eiseres terecht wijst op deze documenten. Beide documenten zijn bedoeld om verzekeringsarts handvatten te bieden, in deze specifiek bij de beoordeling van eiseres met post-covid. Dat is wenselijk en behulpzaam, doch geeft in onderhavige casus geen aanleiding om het eerder ingenomen standpunt, in het bijzonder ten aanzien van de duurbelastbaarheid, te moeten herzien. De rechtbank leidt hieruit af dat de verzekeringsarts bezwaar en beroep de handreikingen erop na heeft geslagen en geen aanleiding heeft gezien zijn conclusies te herzien. Bij het ontbreken van een concrete toelichting vanuit eiseres waar de verzekeringsarts onvoldoende rekening mee heeft gehouden, ziet de rechtbank geen aanleiding te oordelen dat de verzekeringsarts bezwaar en beroep op basis van een onjuist kader getoetst heeft. Schermtijd 5.
- Volgens eiseres staat in de FML ten onrechte geen schermtijdbeperking. Eiseres is prikkelgevoelig en er is een zeer beperkte schermtijd mogelijk. 5.
- In het rapport van 2 april 2025 licht de verzekeringsarts bezwaar en beroep toe dat met de geclaimde beperkte schermtijd voldoende rekening is gehouden doordat rekening gehouden is met de verminderde prikkelhantering. Nu er ook een duurbeperking aan de orde is, is de belasting qua schermtijd reeds voldoende gemaximeerd, aldus de verzekeringsarts bezwaar en beroep. De rechtbank overweegt dat uit het dossier blijkt dat eiseres meermaals melding heeft gedaan van het feit dat zij zeer beperkte schermtijd kan hebben. Deze meldingen zijn echter steeds uit anamnese. Eiseres heeft niet gewezen op medisch stuk waaruit concreet blijkt dat een arts geconcludeerd heeft dat eiseres beperkt is op schermtijd. De rechtbank kan het standpunt van de verzekeringsarts bezwaar en beroep volgen dat, gelet op de beperkingen die zijn vastgesteld op prikkelhantering en duurbelastbaarheid, voldoende rekening is gehouden de schermbeperkingen. Arbeidskundige grondslag van het bestreden besluit 5.
- Op de zitting heeft eiseres de eerder aangevoerde arbeidskundige gronden ingetrokken. Volgens vaste rechtspraak beperkt de rechtbank zich dan tot een toetsing van de vraag of de door de arbeidsdeskundige bezwaar en beroep geduide functies in medisch opzicht geschikt zijn. Uitgaande van de juistheid van de FML van 2 april 2025, is de rechtbank niet gebleken dat eiseres de werkzaamheden die horen bij de door de arbeidsdeskundige bezwaar en beroep in het rapport van 2 mei 2025 geduide functies niet zou kunnen verrichten. Daarbij is ook van belang dat de arbeidsdeskundige bezwaar en beroep per geduide functie bij eventuele signaleringen en mogelijke overschrijdingen heeft toegelicht waarom de medische belastbaarheid van eiseres in die functie niet wordt overschreden. De rechtbank is dan ook van oordeel dat het Uwv zich bij zijn besluit op het rapport van de arbeidsdeskundige bezwaar en beroep mocht baseren. Conclusie en gevolgen
- Het beroep is ongegrond. Dit betekent dat eiseres geen gelijk krijgt. Voor een vergoeding van het griffierecht of door eiseres gemaakte proceskosten bestaat geen aanleiding. Beslissing De rechtbank verklaart het beroep ongegrond. Deze uitspraak is gedaan door mr. A.D. Belcheva, rechter, in aanwezigheid vanmr. C.J. van ‘t Hoff, griffier. Uitgesproken in het openbaar op 26 mei
- griffier rechter Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op: Informatie over hoger beroep Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Centrale Raad van Beroep waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Digitaal hoger beroep instellen kan via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan de Centrale Raad van Beroep, Postbus 16002, 3500 DA Utrecht. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Centrale Raad van Beroep vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen. Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen. Werkhervatting Gedeeltelijk Arbeidsgeschikten.