← Nederland

ECLI:NL:RBAMS:2025:11467

RECHTBANK Amsterdam Civiel recht, voorzieningenrechter Zaaknummer: C/13/779506 / KG ZA 25-977 VVV/EvK Proces-verbaal van mondelinge uitspraak in kort geding van 18 december 2025 in de zaak van [eiser] , te [woonplaats] , eisende partij bij dagvaarding van 10 december 2025, hierna te noemen: [eiser] , advocaat: mr. L.H.F. Stuurop, tegen SWAPSERVICES B.V., te Amsterdam, gedaagde partij, hierna te noemen: Swapfiets, advocaat: mr. F.A. Chorus. Het kort geding wordt gehouden in de rechtbank Amsterdam. De zaak wordt behandeld door mr. T.H. van Voorst Vader, voorzieningenrechter, bijgestaan door mr. E.H. van Kolfschooten als griffier. Aanwezig zijn: - [eiser] , - mr. Stuurop, - [naam 1] , [functie 1] van Swapfiets, - [naam 2] , [functie 2] van Swapfiets, - mr. Chorus. 1De procedure Tijdens de mondelinge behandeling op 18 december 2025 heeft [eiser] de dagvaarding toegelicht. Swapfiets heeft verweer gevoerd. Beide partijen hebben producties en een pleitnota in het geding ingebracht. De behandeling van de zaak is gesloten en de voorzieningenrechter heeft op de zitting in aanwezigheid van partijen mondeling uitspraak gedaan. Daarvan is ingevolge artikel 29a lid 3 Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv) dit proces-verbaal opgemaakt, dat op 23 december 2025 aan partijen is afgegeven. 2De beoordeling 2.

  1. Vanaf 2021 is [eiser] in dienst bij Swapfiets, dit tot volle tevredenheid van beide partijen. Sinds 2022 is zij [functie 3] en [functie 4] van Swapfiets B.V. [eiser] heeft sinds september 2025 met de heer [naam 1] , [functie 1] van Swapfiets, gesprekken gevoerd over de beloning binnen het managementteam. Zij is van mening dat er een te grote afstand is tussen de beloning van verschillende MT-leden, met name tussen de General Managers en de C-level-teamleden. Begin oktober 2025 leek zij te berusten in de stellingname van [naam 1] dat hij dit onderwerp wilde laten rusten tot eind
  2. De onderneming is verlieslatend en volgens [naam 1] is binnen het managementteam afgesproken dat de beloningen van dit team, afgezien van gebruikelijke periodieken, niet voor substantiële herziening in aanmerking komen zolang de onderneming verlieslatend is. 2.
  3. Op 29 oktober 2025 heeft [eiser] [naam 1] per e-mail bericht dat zij het moeilijk vindt om het onderwerp te laten rusten en onder meer voorgesteld om op korte termijn een extern benchmarkonderzoek te laten uitvoeren. Daarbij heeft zij aangegeven dat zij niet het oude gesprek opnieuw wil voeren maar erkenning zoekt dat de huidige inrichting van de managementvergoedingen niet in lijn voelt met de leiding en impact van haar rol, noch met de standaarden die de organisatie wil hanteren. Daarop heeft [naam 1] [eiser] gebeld en in een pittig gesprek gezegd dat zij dit onderwerp met rust moet laten. Daarop heeft zij op 31 oktober 2025 een Whatsappbericht aan [naam 1] gestuurd met de volgende inhoud: “Ik wil je laten weten dat ik echt ongelofelijk geschrokken [ben] van hoe je me behandeld hebt in dat gesprek. Door je stem te verheffen en door de nare dingen die je over me en tegen me gezegd hebt. (…) Ik voel me momenteel niet comfortabel om je in een 1-1 situatie of in een groepssituatie onder ogen te komen. Ik cancel voor maandag onze 1-1 en ik zal daarom ook dinsdagochtend niet op kantoor zijn. In de middag ben ik voor mijn werkafspraken wel op kantoor.” Relevant is dat op dinsdagochtend managementteamoverleggen plaatsvinden. 2.
  4. Op maandagochtend 3 november 2025 heeft [naam 1] [eiser] bericht dat zij per direct vrij wordt gesteld van werkzaamheden en dat hij van plan is de arbeidsovereenkomst te beëindigen. Daarna is er correspondentie geweest tussen de advocaten van partijen. Op 16 december 2025 is [eiser] ontslagen als [functie 5] van Swapfiets B.V., nadat de ondernemingsraad daarmee had ingestemd. Daarnaast heeft Swapfiets een ontbindingsverzoek van de arbeidsovereenkomst van [eiser] ingediend bij de afdeling kanton van deze rechtbank. 2.
  5. [eiser] heeft dit kort geding aangespannen waarin zij wedertewerkstelling vordert. Daarnaast vordert zij dat volmachten worden verschaft die nodig zijn voor de uitoefening van haar functie en vordert zij rectificatie van mededelingen betreffende haar afwezigheid. De vordering tot afgifte van een afschrift van salarisbenchmarks van de MT-rollen binnen Swapfiets is ter zitting ingetrokken, vanwege de door Swapfiets overgelegde producties. 2.
  6. Naar het voorlopig oordeel is de aanhoudende gevoerde discussie over beloningen en het bericht van [eiser] van 31 oktober 2025 onvoldoende voor een zo verstrekkende maatregel als schorsing. 2.
  7. Uitgangspunt is dat een goed werkgever een werknemer slechts de mogelijkheid mag onthouden om (de overeengekomen) arbeid te verrichten wanneer de werkgever daarvoor een redelijke grond heeft. Een algemeen recht op feitelijke tewerkstelling volgt niet rechtstreeks uit de wet, maar uit de verplichting van goed werkgeverschap (artikel 7:611 van het Burgerlijk Wetboek). Een werkgever die een werknemer op non-actief stelt, kan dit alleen doen als zij daarvoor een deugdelijke grond heeft en die grond ten opzichte van het zwaarwegend belang van de werknemer om zijn arbeid te verrichten, voldoende zwaar weegt. Door non-activiteit kan de werknemer immers ook schade lijden ook al wordt het loon doorbetaald, bijvoorbeeld reputatieschade en schade voor de (mentale) gezondheid. Een op non-actiefstelling behoort verder een tijdelijke maatregel te zijn, waarna wordt gekeken naar hoe werknemer en werkgever met elkaar verder moeten of dat tot het laten eindigen van de arbeidsovereenkomst moet worden overgegaan, waarbij het voor de werknemer van groot belang is om de ontbindingsprocedure vanuit een ‘werkende positie’ te voeren. Daarbij zijn ook de vijf gezichtspunten die het Hof Arnhem Leeuwarden noemt in zijn uitspraak van 15 januari 2019 (ECLI:NL:GHARL:2019:295) relevant. 2.
  8. Er is sprake van een spoedeisend belang bij wedertewerkstelling van [eiser] . Zij is vanaf 3 november 2025 niet meer aan het werk. Zij heeft belang om haar werkzaamheden zo snel mogelijk te kunnen hervatten. Zeker tegen de achtergrond dat de behandeling van het door Swapfiets ingediende verzoek tot ontbinding van de arbeidsovereenkomst nog enige tijd op zich zal laten wachten. 2.
  9. Begrijpelijk is dat [naam 1] onaangenaam verrast was, of zelfs geïrriteerd of boos, doordat [eiser] de beloningsdiscussie weer ter sprake bracht. Bij een verlieslatende onderneming is niet onbegrijpelijk dat substantiële verhogingen van de managementteam beloningen niet voor de hand liggend zijn. Partijen hadden het er al meermaals over gehad en [naam 1] had duidelijk gemaakt dat de bestaande beloning voorlopig een gegeven was. Anderzijds was de door [eiser] gezonden mail rustig van toon en deed zij slechts een voorstel voor verder te nemen stappen. Voor [naam 1] was het Whatsappbericht de druppel. Hij had de indruk dat de recente berichten van [eiser] over de beloning het karakter hadden van opbouw van een juridisch dossier. Dat sloot niet aan op de wijze waarin binnen het management team werd samengewerkt. Voor hem leidde het laatste bericht in het licht van het voorgaande tot een vertrouwensbreuk gelet op de intensieve samenwerking die binnen het managementteam bestaat. 2.
  10. Dat betekent echter niet dat deze omstandigheden in het licht van de geldende criteria een schorsing rechtvaardigen. Het had meer voor de hand gelegen om [eiser] te vragen hoe zij de voortgang binnen het managementteam zag en daarbij de vertrouwensbreuk aan de orde te stellen. Daarbij speelt een rol dat er geen sprake was van disfunctioneren van [eiser] en dat er geen onmiddellijk dreigend nadeel voor Swapfiets was. Het had op de weg van Swapfiets gelegen om aan [eiser] te vragen wanneer zij verwachtte communicatie met [naam 1] weer op te starten en wat daarvoor nodig was. Tenminste had voor het besluit tot schorsing het voornemen daartoe met [eiser] besproken kunnen worden. Van een goed werkgever mag namelijk verwacht worden dat zij, alvorens tot een zo ingrijpende maatregel over te gaan, op zijn minst genomen hoor- en wederhoor toepast. 2.
  11. Na de schorsing is de relatie tussen partijen geëscaleerd. Maar omdat die escalatie zijn start vond in de ongegronde schorsing kan die escalatie [eiser] niet worden tegengeworpen. 2.
  12. Dit betekent dat de primaire vordering zal worden toegewezen. Met dien verstande dat de wedertewerkstelling ingaat op 5 januari
  13. Op overtreding van deze veroordeling zal een dwangsom worden opgelegd van € 500 per dag met een maximum van € 25.
  14. 2.
  15. De tweede vordering ziet op de verstrekking van volmachten die nodig zijn voor de uitoefening van die functie omdat [eiser] inmiddels is ontslagen uit haar bestuursfunctie. De toewijzing van deze vordering ligt in lijn met toewijzing van de eerste vordering. Hieraan zal geen dwangsom worden verbonden omdat de strekking van de veroordeling daarvoor onvoldoende duidelijk is. 2.
  16. De gevorderde rectificatie (vordering III) zal niet worden toegewezen omdat onvoldoende uit de verf is gekomen waarom de indertijd gedane mededeling onjuist was. 2.
  17. Swapfiets is overwegend in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De proceskosten van [eiser] worden begroot op: - kosten van de dagvaarding € 144,47 - griffierecht € 331,00 - salaris advocaat € 1.107,00 - nakosten € 178,00 (plus de verhoging zoals vermeld in de beslissing) Totaal € 1.760,47 2.
  18. De gevorderde wettelijke rente over de proceskosten wordt toegewezen zoals vermeld in de beslissing. 3De beslissing De voorzieningenrechter 3.
  19. veroordeelt Swapfiets om [eiser] op 5 januari 2026 in het kader van haar arbeidsovereenkomst toe te laten tot – en tewerk te stellen in – alle gebruikelijke werkzaamheden, in de functie van [functie 3] , waarbij [eiser] in de gelegenheid wordt gesteld de bij haar functie behorende werkzaamheden op normale en gebruikelijke wijze te verrichten zoals zij dit voorafgaand aan haar schorsing deed, 3.
  20. veroordeelt Swapfiets om, na betekening van dit proces-verbaal aan [eiser] , een dwangsom te betalen van € 500,00 voor iedere dag of gedeelte daarvan dat zij niet aan de veroordeling onder 3.1 voldoet, tot een maximum van € 25.000,00 is bereikt, 3.
  21. gebiedt Swapfiets om [eiser] zodanige volmachten te doen verschaffen die redelijkerwijs nodig zijn voor de uitoefening van haar werkzaamheden in de functie van [functie 3] , 3.
  22. veroordeelt Swapfiets in de proceskosten van € 1.760,47, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met € 92,00 plus de kosten van betekening als Swapfiets niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend, 3.
  23. veroordeelt Swapfiets tot betaling van de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW over de proceskosten als deze niet binnen veertien dagen na aanschrijving zijn betaald, 3.
  24. verklaart deze uitspraak tot zover uitvoerbaar bij voorraad, 3.
  25. wijst het meer of anders gevorderde af. Waarvan is opgemaakt dit proces-verbaal, dat door de voorzieningenrechter en de griffier is vastgesteld en ondertekend. type: EvK coll: BB

🔗 Naar officiële bron

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.