RECHTBANK Amsterdam Civiel recht Zaaknummer / rekestnummer: C/13/767814 / HA RK 25-129 Beschikking van 18 december 2025 in de zaak van BUNQ B.V., gevestigd in Amsterdam, verzoekende partij, hierna te noemen: Bunq, advocaat: mr. Chr.A. Alberdingk Thijm, en [verweerster] , wonend in [woonplaats] , verwerende partij, hierna te noemen: [verweerster] , advocaat: mr. C.A.B. Zeevenhooven, en MEDIAHUIS NRC B.V., gevestigd in Amsterdam, verwerende partij, hierna te noemen: NRC, advocaat: mr. J.P. van den Brink. 1De procedure 1.
- Het verloop van de procedure blijkt uit: het verzoekschrift met bijlagen, ingekomen ter griffie op 16 april 2025, de e-mail van [verweerster] van 8 mei 2025 met de mededeling dat zij geen verweer zal voeren, de e-mail van de griffier van 15 mei 2025 waarin staat dat op 26 juni 2025 beschikking zal volgen, de e-mail met bijlage namens NRC van 2 juli 2025, de e-mails met bijlagen van de griffier van 9 juli 2025, waarin staat dat NRC als belanghebbende wordt aangemerkt, de e-mail van Bunq van 24 juli 2025, de e-mail van de griffier van 31 juli 2025, de beschikking van 21 augustus 2025 waarin een mondelinge behandeling is bepaald, het verweerschrift van [verweerster] met bijlagen, het proces-verbaal van de mondelinge behandeling op 16 oktober 2025 en de daarin genoemde stukken.
- De feiten 2.
- Bunq is een Nederlandse fintech bank. Bunq staat onder toezicht van DNB en de AFM. 2.
- [verweerster] was van 7 september 2020 tot 7 september 2022 in dienst bij Bunq als [naam functie]. 2.
- 2.
- NRC is uitgever van diverse journalistieke media, waaronder dagblad NRC en nrc.nl. Op [datum 1] 2023 is een artikel in het NRC geplaatst met de kop ‘ [naam 1] , [krantenkop 1] ’. 2.
- Naar aanleiding het artikel in NRC heeft een HR-medewerker van Bunq op 2 juli 2023 telefonisch contact opgenomen met [verweerster] . Het telefoongesprek is door de medewerker van Bunq per e-mail als volgt bevestigd: “Zoals vanochtend telefonisch besproken, zijn er sterke aanwijzingen dat jij je geheimhoudingsovereenkomst met bunq hebt geschonden. Tijdens ons gesprek heb ik aangegeven dat wij dit graag gemoedelijk en onderling oplossen. Ook gaf ik je de mogelijkheid om eventuele schendingen te benoemen; je gaf aan dat hier geen sprake van is en je dus geen vertrouwelijke informatie zonder toestemming van bunq gedeeld hebt met derden of op een andere manier openbaar hebt gemaakt. Graag wil ik dit per e-mail bevestigen. Mochten er toch zaken zijn die je wil benoemen of bespreken, dan horen we dat graag binnen 48 uur. Zoals eerder gezegd: we komen hier graag samen uit. (…)” 2.
- Op [datum 2] 2024 is een artikel in het NRC geplaatst met de kop “ [krantenkop 2] ’. In het artikel wordt geschreven over “rekening gluren” door medewerkers van Bunq, het beleid op dat punt van, de uitvoering daarvan door Bunq en de mate waarin medewerkers toegang hadden tot klantgegevens. 2.
- Naar aanleiding van het artikel heeft Bunq NRC in kort geding gedagvaard. De voorzieningenrechter heeft de vorderingen van Bunq bij vonnis van 23 juli 2024 afgewezen. Bunq is van het vonnis in hoger beroep gegaan maar heeft dat daarna ingetrokken. 2.
- Bunq heeft geprobeerd een brief van 17 december 2024 aan het woonadres van [verweerster] te laten betekenen. De brief is geweigerd en daarna nagestuurd. In de brief staat dat Bunq aanwijzingen heeft dat [verweerster] beroepsvertrouwelijke informatie met derden heeft gedeeld. Bunq informeert [verweerster] over haar voornemen tot het indienen van een verzoek tot het houden van een voorlopig getuigenverhoor. Als [verweerster] uiterlijk 24 december 2024 zou laten weten dat zij bereid was de vragen van Bunq te beantwoorden, onder toezicht van een notaris en na het afleggen van de eed of belofte, dan zou zij voorkomen dat zij onder ede door een rechter-commissaris zou worden verhoord. Een concept van het verzoekschrift aan de rechtbank was bijgevoegd. 3Het verzoek en het verweer 3.
- Het verzoek van Bunq strekt tot het horen van [naam 2] in een voorlopig getuigenverhoor op grond van artikel 196 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv). Bunq wil [verweerster] horen in verband met het mogelijk schenden van haar geheimhoudingsverplichtingen. Op contactpogingen van 3 juli 2023, 3 juli 2024 en 17 december 2024 heeft [verweerster] niet gereageerd, waardoor Bunq genoodzaakt is dit verzoek in te dienen. Bunq verdenkt [verweerster] ervan dat zij in strijd met het geheimhoudingsbeding in haar arbeidsovereenkomst en de NDA (non-disclosure agreement) heeft gehandeld. Bunq baseert haar vermoedens op een artikel over Bunq in NRC van [datum 1] 2023 waarin gedetailleerd wordt gerapporteerd over een diefstal bij Bunq. Slechts enkele Bunq-medewerkers kenden die details en [verweerster] was daar een van. [verweerster] deed namens Bunq aangifte van diefstal en heeft de details met de politie gedeeld. Bunq vermoedt dat [verweerster] met NRC heeft gesproken over de diefstal. Daarnaast blijkt uit het krantenartikel dat Bunq-medewerkers informatie zouden hebben gegeven over ontevreden klanten die aan de deur zouden komen bij Bunq. [verweerster] was het primaire aanspreekpunt voor klanten die op kantoor kwamen. Dit sterkt Bunq in het vermoeden dat [verweerster] degene is geweest die de informatie over de diefstallen met NRC heeft gedeeld. Afhankelijk van de uitkomst van het voorlopige getuigenverhoor zal Bunq een geding aanhangig gaan maken op grond van artikel 6:74 of 6:162 van het Burgerlijk Wetboek. Bunq wil weten of [verweerster] zich schuldig heeft gemaakt aan het lekken van vertrouwelijke informatie en of zij zich bewust is dat dat in strijd is met de wet en/of de afspraken tussen Bunq en [verweerster] . Daarnaast wil Bunq weten of [verweerster] op de hoogte is van andere (oud)werknemers die zich aan het lekken van vertrouwelijke informatie schuldig hebben gemaakt. 3.
- In haar verzoekschrift heeft Bunq de rechtbank oorspronkelijk verzocht te bepalen dat [verweerster] ook zou worden gehoord over mogelijk onbevoegd ‘rekening gluren’. Bunq heeft op de zitting toegelicht dat uit recent diepgaander onderzoek is gebleken dat voor de twee aanvankelijk onverklaarbare inzagen door [verweerster] van klantenrekeningen alsnog een werkgerelateerde aanleiding is gevonden. De verdenking van Bunq jegens [verweerster] van rekening gluren is dus komen te vervallen, en de vragen van Bunq wat betreft rekening gluren zijn dan ook niet langer onderwerp van haar verzoek. 3.
- [verweerster] verzet zich tegen toewijzing van het verzoek. Nu Bunq de verdenking van rekening gluren heeft laten vallen, lijkt dit verzoek en de aanloop er naartoe [verweerster] erg onnodig. Bunq probeert bij werknemers via het excuus van rekening gluren zoveel mogelijk informatie te vergaren. Zij wil daarnaast het signaal afgeven dat als je je negatief uitlaat over Bunq, dat gevolgen heeft. Bunq stelt een vermoeden te hebben dat [verweerster] vertrouwelijke informatie heeft verstrekt aan derden. Maar Bunq motiveert het verzoek niet en legt geen bewijs over. Het verzoek van Bunq is een fishing expedition om na te kunnen gaan of [verweerster] en/of haar collega’s ergens ooit een keer hun geheimhoudingsclausule hebben geschonden. Bunq heeft geen aanleiding of vermoeden gepresenteerd waaruit zou kunnen volgen dat [verweerster] vertrouwelijke informatie aan derden heeft gegeven. Het belang van Bunq is vergezocht en duidelijk een vorm van bangmakerij jegens [verweerster] , toenmalige collega’s en huidige werknemers van Bunq. Bunq heeft ook niet duidelijk vermeld wat zij met de voorlopige bewijsverrichting wil bereiken en omschrijft niet welk geschil aan het verzoek ten grondslag ligt. Vanwege redenen van proportionaliteit en subsidiariteit moet het verzoek worden afgewezen. Een voorlopig getuigenverhoor over wat [verweerster] met wie heeft besproken en wat collega’s hebben gedeeld, is voor [verweerster] gelet op haar gezondheidstoestand en privacy onredelijk belastend en dat levert gewichtige redenen op om het verzoek af te wijzen. Bovendien heeft Bunq de verzochte informatie al; [verweerster] heeft geen geheime informatie van Bunq met derden gedeeld. 3.
- Ook NRC verzet zich tegen toewijzing van het verzoek. Zij wijst erop dat Bunq haar pijlen op NRC gericht heeft, zoals blijkt uit de kort geding procedure die zij tegen NRC heeft aangespannen. Bunq sorteert mogelijk voor op een bodemprocedure tegen NRC. NRC blijft Bunq en haar grootaandeelhouder [naam 1] volgen en heeft er belang bij dat haar bronnen niet opdrogen. Bunq heeft onvoldoende belang bij het horen van [verweerster] . Uit het verzoekschrift blijkt dat Bunq ruim voldoende informatie heeft om een procedure te starten. Bovendien is het verzoek onvoldoende bepaald. Het verzoek lijkt vooral een ander doel te hebben. Het verzoek om [verweerster] te horen staat niet op zich. Bunq heeft ook andere personen uit het artikel en personen waarvan Bunq denkt dat zij als bron hebben gefungeerd onder druk gezet en bedreigd met schadeclaims. NRC weet van in ieder geval drie personen ten aanzien van wie een getuigenverhoor is verzocht. Bunq wil een signaal afgeven aan iedereen die overweegt om mee te werken aan kritische publicaties over Bunq: laat het uit je hoofd. Het verzoek moet worden afgewezen met toepassing van de anti-SLAPP richtlijn; die beoogt het tegengaan van publieke participatie van mensen, bijvoorbeeld door bij te dragen aan kritische publicaties over onderwerpen van algemeen belang, te bestrijden. Ook toepassing van artikel 10 EVRM zou volgens NRC moeten leiden tot afwijzing van het verzoek. 4De beoordeling Juridisch kader 4.
- Op 1 januari 2025 is de Wet vereenvoudiging en modernisering van het bewijsrecht ingetreden, waarbij de bepalingen over voorlopige bewijsverrichtingen, waaronder het voorlopig getuigenverhoor, zijn veranderd. Omdat het verzoek van Bunq daarna is ingediend, wordt haar verzoek aan deze nieuwe bepalingen getoetst. Volgens de parlementaire geschiedenis van de nieuwe wet gelden de toewijzingscriteria die vóór 1 januari 2025 voor de afzonderlijke voorlopige bewijsverrichtingen golden ook na de wetswijziging. De rechtspraak van vóór 1 januari 2025 over de toewijzingscriteria is dus ook ongewijzigd van toepassing. 4.
- Op grond van artikel 196 Rv kan de rechter voordat een zaak of het geding aanhangig is gemaakt op verzoek van een belanghebbende een voorlopige bewijsverrichting bevelen, waaronder een voorlopig getuigenverhoor. De vereisten voor een dergelijk verzoek staan in artikel 197 Rv. Als het verzoek aan de formele vereisten van artikel 197 Rv voldoet, moet de rechter het verzoek om een voorlopige bewijsverrichting toewijzen, tenzij sprake is van een of meer van de in artikel 196 lid 2 Rv genoemde afwijzingsgronden. Deze afwijzingsgronden zijn: de informatie die verlangd wordt, is niet voldoende bepaald, er bestaat onvoldoende belang bij de voorlopige bewijsverrichting, het verzoek om voorlopige bewijsverrichtingen is in strijd met de goede procesorde, er is sprake van misbruik van bevoegdheid of andere gewichtige redenen verzetten zich tegen de voorlopige bewijsverrichting. Deze vijf afwijzingsgronden zijn bedoeld als een samenhangend geheel. Zij lopen min of meer in elkaar over en kunnen naast elkaar van toepassing zijn. Beoordeling 4.
- Het verzoekschrift voldoet aan de vereisten van artikel 197 Rv. Beoordeeld moet dus worden of sprake is van een of meer afwijzingsgronden. De rechtbank oordeelt dat dat het geval is en wijst het verzoek van Bunq af. De rechtbank legt hierna uit hoe zij tot dit oordeel komt. 4.
- De vraag of [verweerster] op de hoogte is van andere (oud)werknemers die vertrouwelijke informatie met derden zouden hebben gedeeld is onvoldoende concreet. Bunq heeft geen aanknopingspunten gegeven over welke vertrouwelijke informatie het zou gaan en de wetenschap van [verweerster] daarover, waardoor deze lijn van vragen een fishing expedition is. Daar is het voorlopig getuigenverhoor niet voor bedoeld. 4.
- Bunq heeft haar belang bij het voorlopig getuigenverhoor voor het overige onvoldoende onderbouwd. Uit de e-mail van Bunq aan [verweerster] van 3 juli 2023 volgt dat een HR medewerker van Bunq [verweerster] , drie dagen na publicatie van het artikel over [naam 1] en Bunq in NRC, telefonisch heeft gesproken en dat [verweerster] tijdens dat gesprek heeft ontkend dat zij zonder toestemming vertrouwelijke informatie heeft gedeeld. Het standpunt van [verweerster] over de vragen die zijn gerezen naar aanleiding van het NRC artikel in 2023 was dus op 3 juli 2023 voor Bunq duidelijk. Daarmee was de kwestie voor Bunq kennelijk afgedaan, totdat haar advocaat [verweerster] op 3 juli 2024 per e-mail benaderde. Van contactpogingen in de tussenliggende periode is de rechtbank niet gebleken. Wat de aanleiding voor de e-mail van 3 juli 2024 was en wat de inhoud van de e-mail was is niet toegelicht, maar feit is dat enkele dagen ervoor het artikel over rekening gluren in het NRC was verschenen. De rechtbank gaat er, mede gelet op het concept-verzoekschrift bij de brief van 17 december 2024, vanuit dat directe aanleiding voor het opnieuw benaderen van [verweerster] was dat Bunq [verweerster] op dat moment verdacht van rekening gluren en dat dát de hoofdreden was om vervolgens de rechtbank enkele maanden later daadwerkelijk te verzoeken een voorlopig getuigenverhoor van [verweerster] te bevelen. Pas op de zitting heeft Bunq toegelicht dat nader onderzoek intussen heeft uitgewezen dat er een werkgerelateerde aanleiding was voor de twee inzagen van [verweerster] die in eerste instantie waren bestempeld als rekening gluren. Omdat juist dat element van rekening gluren gezien het voorgaande kennelijk van doorslaggevend belang was om nadere informatie van [verweerster] te willen en dat element nu is weggevallen, heeft Bunq gelet op de verweren van NRC en [verweerster] en de door hen geschetste andere belangen die Bunq mogelijk bij het verzoek zou hebben, onvoldoende onderbouwd wat haar (rechtens te respecteren) belang is bij het horen van [verweerster] over haar mogelijke bijdrage aan een artikel uit
- De rechtbank wijst het verzoek van Bunq daarom af. De verdere verweren van [naam 2] en NRC hoeven daarom niet meer besproken te worden. 4.
- Bunq is in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. 4.
- De proceskosten van [verweerster] worden begroot op: - griffierecht € 331,00 - salaris advocaat € 1.228,00 (2 punten × € 614,00) - nakosten € 178,00 Totaal € 1.737,00 4.
- De proceskosten van NRC worden begroot op: - salaris advocaat € 614,00 (1 punt × € 614,00) - nakosten € 178,00 Totaal € 792,00 4.
- De proceskosten worden vermeerderd zoals in de beslissing vermeld. 5De beslissing De rechtbank 5.
- wijst het verzochte af, 5.
- veroordeelt Bunq in de proceskosten van [verweerster] van € 1.737,00, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met € 92,00 plus de kosten van betekening als Bunq niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend, 5.
- veroordeelt Bunq in de proceskosten van NRC van € 792,00, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met € 92,00 plus de kosten van betekening als Bunq niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en de beschikking daarna wordt betekend, 5.
- verklaart de veroordelingen onder 5.
- uitvoerbaar bij voorraad. Deze beschikking is gegeven door mr. J. Huber, rechter, bijgestaan door mr. P.S. van Gelein Vitringa als griffier, en in het openbaar uitgesproken op 18 december
- ECLI:NL:RBAMS:2024:
- Kamerstukken II 2020, 35498, nr.
- MvT, paragraaf
- Zie vorige voetnoot.