← Nederland

ECLI:NL:RBAMS:2025:1201

RECHTBANK AMSTERDAM Bestuursrecht zaaknummer: AMS 25/21 uitspraak van de voorzieningenrechter van 21 februari 2025 in de zaak tussen [verzoeker] , uit Conil de la Frontera (Spanje), verzoeker (gemachtigde: mr. V.C.D. Klaassen), en de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, het UWV (gemachtigde: [gemachtigde] ). Als derde-partij neemt aan de zaak deel: [bedrijf], uit [gemeente], die heeft aangegeven alleen een kopie van de uitspraak te willen ontvangen. Inleiding

  1. Op 18 januari 2024 heeft het UWV de aanvraag van eiser om een uitkering op grond van de Wet WIA afgewezen. Op 24 oktober 2024 heeft het UWV het bezwaar van verzoeker hiertegen ongegrond verklaard.
  2. Verzoeker heeft hiertegen beroep ingesteld en de voorzieningenrechter verzocht een voorlopige voorziening te treffen. De voorzieningenrechter heeft het verzoek op 18 februari 2025 op zitting behandeld. Verzoeker en zijn gemachtigde zijn met behulp van een videoverbinding verschenen. Het UWV heeft zich voor de zitting afgemeld. Beoordeling door de voorzieningenrechter Kortsluiten
  3. Als iemand hangende een beroepsprocedure een verzoek om voorlopige voorziening indient, kan de voorzieningenrechter gelijk uitspraak doen op het beroep als hij van oordeel is dat nader onderzoek niet kan bijdragen aan de beoordeling van de zaak. Dit wordt kortsluiten genoemd.
  4. De voorzieningenrechter stelt vast dat verzoeker veel (medische) stukken heeft overgelegd. De verzekeringsarts bezwaar en beroep van het UWV heeft deze stukken nog niet kunnen beoordelen. Dit betekent dat nader onderzoek nog kan bijdragen aan de beoordeling van de zaak. De voorzieningenrechter zal daarom niet kortsluiten en alleen op het verzoek om voorlopige voorziening beslissen. Spoedeisend belang
  5. De voorzieningenrechter kan alleen een voorlopige voorziening treffen als “onverwijlde spoed” dat vereist. Dit betekent dat de voorzieningenrechter moet beoordelen of sprake is van een spoedeisend belang, voordat hij inhoudelijk op het verzoek in kan gaan.
  6. Bij een financieel geschil, zoals in deze zaak, ligt die lat hoog. In principe kan namelijk na afloop van de beroepsprocedure het bedrag waarover het geschil gaat, alsnog worden (terug)betaald. Als er geen onomkeerbare situatie dreigt (zoals faillissement) of als er geen acute financiële nood is, neemt de voorzieningenrechter aan dat spoedeisend belang ontbreekt, zodat hij alleen al daarom geen voorlopige voorziening treft.
  7. Verzoeker heeft hierover aangevoerd dat hij financieel in een zeer moeilijke situatie zit. Hij heeft geen inkomsten, moet voor zijn dertienjarige dochter zorgen en zijn vaste lasten lopen door. Verzoeker heeft in Spanje geen financieel vangnet waar hij een beroep op kan doen. Hij leefde van spaargeld en leningen van familie en bekenden. Zijn spaargeld is echter op en hij kan niemand meer vinden van wie hij geld kan lenen. De partner van verzoeker heeft geen betaald werk, omdat zij voor verzoeker zorgt en het huishouden doet.
  8. De voorzieningenrechter is na uitvoerig intern beraad tot het oordeel gekomen dat verzoeker het spoedeisend belang onvoldoende concreet heeft onderbouwd. Hoewel het voor de voorzieningenrechter duidelijk is dat verzoeker het emotioneel zwaar heeft, geldt ook dat van verzoeker mag worden verlangd dat hij zijn gestelde (zeer) penibele financiële situatie met objectieve stukken onderbouwt. Dit heeft verzoeker niet gedaan. Zo heeft hij bijvoorbeeld geen recente bankafschriften of een (schriftelijk) overzicht van zijn (vaste) lasten overgelegd met bijvoeging van bijbehorende facturen. Ook anderszins heeft verzoeker geen objectief inzicht verschaft in zijn financiële situatie. De voorzieningenrechter kan daarom niet vaststellen of verzoeker inderdaad in een zeer benarde financiële situatie verkeert die het treffen van een voorlopige voorziening in de vorm van een voorschot op een WIA-uitkering rechtvaardigt.
  9. Nu niet is gebleken van een spoedeisend belang, wijst de voorzieningenrechter het verzoek om voorlopige voorziening af. Ter voorlichting wordt opgemerkt dat het verzoeker vrij staat om opnieuw een verzoek om voorlopige voorziening in te dienen en dat verzoek te onderbouwen met concrete en relevante stukken die inzicht geven in zijn actuele financiële situatie. Beslissing De voorzieningenrechter wijst het verzoek om voorlopige voorziening af. Deze uitspraak is gedaan door mr. C.F. de Lemos Benvindo, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. T.W. Steenhoff, griffier en uitgesproken in het openbaar op 21 februari
  10. griffier voorzieningenrechter Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op: Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open. Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen. Artikel 8:86, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). Artikel 8:81, eerste lid, van de Awb.

🔗 Naar officiële bron

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.