RECHTBANK AMSTERDAM Bestuursrecht zaaknummer: AMS 24/5055 uitspraak van de enkelvoudige kamer van 28 februari 2025 in de zaak tussen [eiser] , uit Amsterdam, eiser (gemachtigde: mr. R.J.C. Bindels), en de Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap, Dienst Uitvoering Onderwijs (DUO), verweerder (gemachtigden: mr. T.C.A. Hofman en mr. F. Hummel). Inleiding
- In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiser tegen de afwijzing van zijn aanvraag voor studiefinanciering op grond van de Wet studiefinanciering 2000 (Wsf 2000). 1.
- DUO heeft deze aanvraag met het besluit van 18 maart 2024 afgewezen. Met het bestreden besluit van 30 juli 2024 op het bezwaar van eiser is DUO bij de afwijzing van de aanvraag gebleven. 1.
- DUO heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift. 1.
- De rechtbank heeft het beroep op 17 december 2024 op zitting behandeld. Eiser heeft hier samen met zijn gemachtigde aan deelgenomen. DUO heeft zich laten vertegenwoordigen door bovengenoemde gemachtigden. Wat aan deze procedure voorafging
- Eiser is burger van Polen, één van de lidstaten van de Europese Unie. Hij volgt per 1 september 2023 de master ‘Artifical Intelligence’ (AI) aan de Vrije Universiteit in Amsterdam.
- Op 7 juli 2024 heeft eiser bij DUO een aanvraag ingediend voor studiefinanciering. Het ging om een uitwondende basis- en aanvullende beurs voor de periode van november 2023 tot en met december
- Eiser heeft van 6 november 2023 tot en met maart 2024 stage gelopen bij [bedrijf] voor 32 uur per week tegen een vergoeding van € 400,- per maand. Deze stage heeft hij vrijwillig gevolgd en dit maakte geen onderdeel uit van het curriculum van enige opleiding. Standpunt eiser
- Eiser stelt dat hij recht heeft op studiefinanciering, omdat hij voor wat betreft de maanden november 2023 tot en met mei 2024 zonder meer dient te worden aangemerkt als migrerend werknemer op basis van de gewerkte uren, de inhoud van het werk en het vergaarde inkomen. Beoordeling door de rechtbank
- De rechtbank beoordeelt of verweerder de aanvraag tot studiefinanciering van eiser terecht heeft afgewezen, nu eiser niet gelijk kon worden gesteld met een migrerend werknemer. Zij doet dat aan de hand van de beroepsgronden van eiser.
- De rechtbank is van oordeel dat het beroep gegrond is. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft. Juridisch kader
- Een student met de nationaliteit van een andere lidstaat, zoals eiser, krijgt studiefinanciering als de student kan worden aangemerkt als migrerend werknemer. Voor de vraag wie migrerend werknemer is, is het Europeesrechtelijke begrip ‘werknemer’ van belang. Dit begrip heeft een Europeesrechtelijke inhoud en mag niet beperkt worden uitgelegd. Een EU-burger is – kort gezegd – werknemer als diegene reële en daadwerkelijke arbeid verricht, die niet van zo geringe omvang is dat het om louter marginale en bijkomstige werkzaamheden gaat.
- Een stage in het kader van een beroepsopleiding is vooral bedoeld voor het ontwikkelen van de beroepsbekwaamheid, zodat voor de vraag of de betrokken werkzaamheden als reële en daadwerkelijke arbeid te beschouwen zijn, onder meer relevant is of er voldoende uren zijn gewerkt om met het werk vertrouwd te geraken. Voorts is van belang dat de werkzaamheden onder normale omstandigheden worden verricht, dat de tewerkgestelde persoon geselecteerd is op grond van zijn kwaliteit om bepaalde werkzaamheden te verrichten en dat de prestaties die normaliter op de arbeidsmarkt worden verricht. Aan de orde is of eiser zijn stage heeft vervuld onder de voorwaarden die voor reële en daadwerkelijke arbeid in loondienst gelden. De rechtbank verwijst in dit verband onder meer naar de uitspraak van de Centrale Raad van Beroep (de Raad) van 29 februari 2024, waaruit volgt dat in geval van een stage steeds een individuele beoordeling vereist is om te bezien of de activiteiten van de stagiair tot (migrerend) werknemerschap leiden en dat het beleid van de minister hierin geen wijziging brengt.
- Volgens de Raad zal het bestaan van de hoofdkenmerken van een arbeidsverhouding moeten blijken uit voldoende objectieve gegevens. Daar moet rekening worden gehouden met alle relevante omstandigheden. Een stageovereenkomst kan voldoende gegevens bevatten om een betrokkene als migrerend werknemer aan te merken. Gelet op de aard, en de verschillende mogelijke doelstellingen, van een stage zal de stageovereenkomst – om te kunnen volstaan als bewijs – wel concrete aanwijzingen moeten bevatten dat tijdens de stage reële en daadwerkelijke arbeid zal worden verricht. Met elementen in een stageovereenkomst die wijzen op het bestaan van een gezagsverhouding is nog niet gegeven dat deze gezagsverhouding (ook) is ingericht met het oog op het verrichten van werkzaamheden met een economische meerwaarde voor het bedrijf. Verder kan de in de stageovereenkomst opgenomen vergoeding een relevante factor zijn voor beantwoording van de vraag of de stagiair voor het bedrijf al dan niet reële en daadwerkelijke arbeid verricht. Hierbij geldt dat een (nagenoeg) voltijdse urenomvang tegen een vergoeding ver onder het minimumloon werknemerschap niet uitsluit. Wel zal in zo’n situatie, aan het bewijs als hiervoor bedoeld, hoge eisen mogen worden gesteld.
- Indien uit de stageovereenkomst niet blijkt of, en welke, werkzaamheden de stagiair binnen het bedrijf gaat verrichten zal nader objectief bewijs moeten worden overgelegd waaruit kan worden afgeleid dat de activiteiten van de stagiair niet alleen gericht zijn op het vergaren van kennis en vaardigheden maar ook sprake is van het verrichten van productieve arbeid. Dat kan bijvoorbeeld zijn een vacaturetekst, een brief van de stagebegeleider of van collega’s binnen het bedrijf. Voor zover het bedrijf waar stage wordt gelopen verhindert dat een dergelijke verklaring wordt afgegeven, is dit een omstandigheid die in het kader van het kunnen effectueren van een aanspraak op studiefinanciering voor rekening van de aanvrager komt. Het is dan aan de aanvrager om op andere objectieve wijze inzicht te geven in de aard van de verrichte werkzaamheden. Feiten en omstandigheden
- Eiser heeft als schriftelijk bewijs een stageovereenkomst overgelegd, alsook twee brieven van [bedrijf] (een brief van 28 februari 2024 van [naam 1] , CFO, en een brief van 21 augustus 2024 van [naam 2] , director of people and organization). Hieruit volgt dat eiser een periode van zes maanden 32 uur per week heeft gewerkt tegen een vergoeding van € 400,- per maand. Uit de brieven blijkt dat, zoals eiser zelf ook heeft toegelicht, de stageplek door [bedrijf] was aangeboden, zonder tussenkomst van de universiteit en niet verplicht was of werd gevolgd in het kader van eisers studie.
- Eiser heeft verklaard dat hij 75% van zijn tijd heeft besteed in een team dat bezig was met het ontwikkelen van een manier om automatisch plastic in zee te detecteren. De overige 25% besteedde eiser aan het analyseren van bestaande data. Dit blijkt ook uit de brief van [naam 1] . Daaruit blijkt daarnaast dat als eiser een succesvolle methode heeft weten te ontwikkelen voor het automatisch detecteren van plastic in zee, deze methode ook daadwerkelijk in gebruik zal worden genomen door [bedrijf].
- Naar het oordeel van de rechtbank heeft eiser met de door hem overlegde objectieve gegevens en zijn op zitting gegeven mondelinge toelichting, voldoende aannemelijk gemaakt dat hij in het kader van zijn stage reële en daadwerkelijke arbeid voor [bedrijf] heeft verricht, onder gezag van een leidinggevende van [bedrijf] en waarvoor hij een vergoeding als tegenprestatie heeft ontvangen. Het enkele feit dat niet vast staat dat zijn onderzoekswerk (waar eiser 75% van zijn tijd aan besteedde) een succesvolle methode heeft opgeleverd, maakt dat niet anders. In het algemeen hebben werkzaamheden in research en development immers wel degelijk een economische meerwaarde. Aangezien de onderzoekswerkzaamheden werden verricht op initiatief en verzoek van [bedrijf], moet worden aangenomen dat dat hier ook het geval was. Eiser valt dus voor de tijd van zijn stage (november 2023 tot en met mei 2024) als migrerend werknemer aan te merken en kan op die grond aanspraak maken op studiefinanciering. DUO zal hierover een nieuw besluit op bezwaar moeten nemen. Conclusie en gevolgen
- Het beroep is gegrond. Dat betekent dat eiser gelijk krijgt. De rechtbank vernietigt daarom het bestreden besluit. De rechtbank ziet geen aanleiding om zelf in de zaak te voorzien.
- De rechtbank zal daarom met toepassing van artikel 8:72, vierde lid, van de Algemene wet bestuursrecht bepalen dat DUO een nieuw besluit moet nemen met inachtneming van deze uitspraak. De rechtbank geeft DUO hiervoor een termijn van zes weken. Deze termijn gaat lopen nadat de termijn om hoger beroep in te stellen ongebruikt is verstreken of, als hoger beroep wordt ingesteld, nadat op het hoger beroep is beslist.
- Omdat het beroep gegrond is, moet DUO het griffierecht van eiser vergoeden en krijgt eiser ook een vergoeding van zijn proceskosten. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht vast op € 2.461,- (1 punt voor het indienen van een bezwaarschrift, met een waarde per punt van € 647,- en een wegingsfactor 1, 1 punt voor het indienen van het beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen op de zitting, met een waarde per punt van € 907,- en een wegingsfactor 1). Niet gebleken is dat er andere voor vergoeding in aanmerking komende kosten zijn gemaakt. Beslissing De rechtbank: - verklaart het beroep gegrond; - vernietigt het bestreden besluit; - draagt DUO op om binnen zes weken na de verzending van deze uitspraak een nieuw besluit te nemen op het bezwaar met inachtneming van deze uitspraak; - veroordeelt DUO tot betaling van € 2.461,- aan proceskosten aan eiser; - draagt DUO op het griffierecht van € 51,- aan eiser te vergoeden. Deze uitspraak is gedaan door mr. M.F. Zaagsma, rechter, in aanwezigheid van mr. F. van der Maas, griffier. De uitspraak is uitgesproken in het openbaar op 28 februari
- griffier rechter Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op: Informatie over hoger beroep Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Centrale Raad van Beroep waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Digitaal hoger beroep instellen kan via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan de Centrale Raad van beroep, Postbus 16002, 3500 DA Utrecht. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Centrale Raad van Beroep vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen. Artikel 2.2, aanhef en onder b, van de Wsf 2000 en de Beleidsregel controlebeleid migrerend werknemerschap. Artikel 45 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie. Volgens rechtspraak van het Hof van Justitie van de Europese Unie, zie onder meer het arrest van 3 juni 1986, C-139/85, ECLI:EU:C:1986:223 (Kempf), het arrest van 3 juli 1986, C-66/85, ECLI:EU:C:1986:284 [naam 3]), het arrest van 26 februari 1992, C-357-89, ECLI:EU:C:1992:87 ([naam 4]), het arrest van 21 februari 2013, C-46/12, ECLI:EU:C:2013:97 (L.N.) en het arrest van 1 oktober 2015, C-432/14, ECLI:EU:C:2015:643 (O). ECLI:EU:C: 1992:89 ([naam 5]). ECLI:EU:C: 1989:226 ([naam 6]). ECLI:EU:C:2004:488 ([naam 7]). ECLI:NL:CRVB:2024:422, r.o. 4.3.1 – 4.5.3 en 4.
- Zie verder ook de uitspraken van de Raad van 29 februari 2024, ECLI:NL:CRVB:2024:382 en ECLI:NL:CRVB:2024:
- Bijvoorbeeld bepalingen over tijden en uren van aanwezigheid, interne regels, geheimhouding, verlof en ziekmelding. Zie de uitspraak van de Raad van 29 februari 2024, ECLI:NL:CRVB:2024:408, r.o. 4.5.
- Zie de uitspraak van de Raad van 29 februari 2024, ECLI:NL:CRVB:2024:408, r.o. 4.5.2.