RECHTBANK AMSTERDAM Civiel recht Kantonrechter Zaaknummer: 11250753 \ CV EXPL 24-10323 Vonnis van 4 maart 2025 in de zaak van RANDSTAD UITZENDBUREAU B.V., te Diemen, opposante, oospronkelijk gedaagde partij, hierna te noemen: Randstad, gemachtigde: mr. F.M. Luijkx, tegen [gedaagde] , te [woonplaats] , geopposeerde, oorspronkelijk eisende partij, hierna te noemen: [gedaagde] , gemachtigde: mr. M.C. Wetting. 1De zaak in het kort In deze zaak gaat het om de vraag of de werkgever onzorgvuldig heeft gehandeld door de werknemer gedurende vijf weken te werk te stellen zonder tewerkstellingsvergunning. De werkgever heeft het anoniementarief toegepast waardoor de werknemer netto veel minder loon overhield. Had de werkgever de werknemer niet te werk moeten stellen zonder dat zij die tewerkstellingsvergunning had gecondoleerd? Moet de werkgever alsnog het gemiste loon onder de noemer ‘schadevergoeding’ nabetalen? 2De procedure Het verloop van de procedure blijkt uit: - de dagvaarding van 26 maart 2024 - het verstekvonnis van 25 juni 2024 - de verzetdagvaarding van 31 juli 2024 - het tussenvonnis van 3 september 2024- de conclusie van 10 september 2024 van Randstad, houdende een ‘verzoek voorlopige voorziening’ en aanvulling eis, met producties - de conclusie van antwoord in verzet en in het incidentele verzoek - de akte producties van 9 oktober 2024 van [gedaagde] - het bericht van 23 oktober 2024 van Randstad - het vonnis van 29 oktober 2024 in het incident - de conclusie van repliek in oppositie - de akte in verzet van 9 januari 2025 - de rolbeslissing van 4 februari
- 3De feiten 3.
- [gedaagde] , van Soedanese nationaliteit, beschikt over een Tsjechische verblijftitel. Hij heeft zich op 9 maart 2022 ingeschreven in het BRP in Den Haag als niet-ingezetene en beschikt over een burgerservice-nummer. 3.
- Op 18 maart 2022 heeft [gedaagde] zich bij Randstad ingeschreven als uitzendkracht via een digitaal platform. Op 23 maart 2022 heeft Randstad [gedaagde] benaderd voor een mogelijke tewerkstelling bij Albron op de Keukenhof. Op 28 maart 2022 heeft [gedaagde] een ‘intake gespek’ gehad met Randstad waarna hij vanaf 29 maart 2022 op de Keukenhof is gaan werken. 3.
- Op 1 april 2022 heeft Randstad een ‘bevestiging van uitzending’ opgesteld waarbij een loon van € 10,48 bruto per uur is vastgelegd. 3.
- Op 7, 8 en 14 april 2022 heeft Randstad e-mail berichten aan [gedaagde] gestuurd waarin hem werd gevraagd de ‘onboarding’ bij Randstad alsnog af te ronden. Daarbij heeft Randstad gemeld welke gegevens zij nog wenste te ontvangen, onder andere een foto van de voor- en achterkant (waar het BSN-nummer op staat) van zijn legitimatiebewijs en een ingevulde loonbelastingverklaring. Zonder die gegevens kan Randstad het loon niet betalen, aldus deze e-mailberichten. 3.
- Bij e-mail bericht van 24 april 2022 aan Randstad meldt [gedaagde] dat hij twee keer in het systeem van Randstad geregistreerd staat, onder twee verschillende namen, en vraagt hij om uitbetaling van salaris. 3.
- Op 25 april 2022 schrijft Randstad in een e-mailbericht aan [gedaagde] dat zij de documenten nog niet hebben ontvangen en dat zij na ontvangst daarvan e.e.a. zullen regelen. 3.
- Op 26 april 2022 heeft [gedaagde] zijn Tsjechische verblijfsdocument ge-upload in het systeem van Randstad. Dit betreft een verblijfsvergunning voor onbepaalde tijd voor langdurig ingezetene. 3.
- Op 26 april 2022 heeft Randstad gereageerd met een e-mailbericht waarin zij vraagt om een paspoort of identiteitskaart omdat zij het Tsjechische verblijfsdocument niet kan gebruiken. 3.
- Bij e-mail bericht van 2 mei 2022 schrijft Randstad aan [gedaagde] dat, na consultatie bij haar juridische afdeling, met een Tsjechische verblijfsvergunning hij alleen in Tsjechië kan werken en dat hij ofwel een Nederlandse verblijfsvergunning moet overleggen dan wel een (sticker met een) werkvergunning in zijn Soedanese paspoort. 3.
- Na een gesprek op 4 mei 2022 met [gedaagde] heeft Randstad een e-mailbericht aan hem gestuurd waarin zij de arbeidsovereenkomst per direct opzegt met als reden dat [gedaagde] geen Nederlandse werkvergunning heeft. 3.
- Op diverse data nadien heeft Randstad aan [gedaagde] loon betaald en op 11 mei 2022 werden de loonspecificaties verstrekt. 3.
- [gedaagde] is het niet eens met de hoogte van de betalingen en vordert nabetaling, daarin bijgestaan door zijn gemachtigde. Partijen zijn er uiteindelijk niet uitgekomen waarna [gedaagde] de dagvaarding heeft uitgebracht. 4Het geschil 4.
- [gedaagde] vordert veroordeling van Randstad tot: I. het verstrekken aan hem van (nieuwe) salarisstroken over de periode van 29 maart 2022 tot en met 4 mei 2022 met daarop de juiste netto bedragen zonder toepassing van het anoniementarief; II. betaling van schade bestaande uit het onder I genoemde netto loon minus het bedrag van € 1.665,20 aan netto reeds genoten loon; III. betaling van de wettelijke verhoging van 50% over het onder II bedoelde bedrag; IV. betaling van de wettelijke rente over de bedragen van II en III tot aan de dag van algehele voldoening; V. veroordeling in de proceskosten. [gedaagde] wil de mogelijkheid krijgen om het vonnis meteen uit te voeren, ook als er hoger beroep wordt ingesteld. 4.
- [gedaagde] legt aan zijn vordering ten grondslag dat Randstad in strijd met de eisen van goed werkgeverschap heeft gehandeld waardoor hij schade heeft geleden. Randstad had [gedaagde] niet te werk moeten stellen zonder dat zijn ID-bewijs was gecontroleerd. 4.
- Randstad voert verweer. Randstad vindt dat de vordering van [gedaagde] moet worden afgewezen en wil dat [gedaagde] in de proceskosten wordt veroordeeld. Randstad wil de mogelijkheid krijgen om deze proceskostenveroordeling meteen uit te voeren, ook als er hoger beroep wordt ingesteld. 4.
- Randstad is van mening dat zij terecht het anoniementarief heeft toegepast gelet op de dwingendrechtelijke bepaling van art. 26b Wet op de Loonbelasting
- [gedaagde] beschikte immers niet over geldige papieren om in Nederland te werken. Randstad acht de vorderingen van [gedaagde] voorts in strijd met goed werknemerschap en de redelijkheid en billijkheid en verwijst [gedaagde] naar de Belastingdienst voor teruggaaf van de eventueel teveel ingehouden loonbelasting. 5De beoordeling 5.
- Randstad heeft toegelicht dat zij, wat de inhoudingen op het loon betreft, niet anders kon handelen dan zij heeft gedaan. Zij heeft verwezen naar art. 26b van de Wet op de Loonbelasting 1964 en hoofdstuk 2.6 Handboek Loonheffingen. [gedaagde] was immers een werknemer die loon uit tegenwoordige dienstbetrekking genoot, is vreemdeling in de zin van de Vreemdelingenwet 2000 en behoort niet tot de categorie werknemers die op grond van overeenkomsten van internationaal recht is uitgezonderd van de verplichting tot het hebben van a. een geldige verblijfsvergunning als bedoeld in die wet en b. een geldige tewerkstellingsvergunning als bedoeld in de Wet arbeid vreemdelingen. Daarbij geldt dat Randstad als inhoudingsplichtige het anoniementarief moet toepassen zolang zij de verblijfsrechtelijke positie ter zake van het verrichten van arbeid niet heeft vastgesteld en opgenomen in de loonadministratie overeenkomstig art. 28, lid 2 onderdeel f van die wet. 5.
- Niet in geding is dat Randstad, op grond van voorgaande bepalingen en gegeven de verblijfsstatus van [gedaagde] , op de desbetreffende loonbetalingen het anoniementarief van 52% moest toepassen. 5.
- [gedaagde] verwijt Randstad dat zij hem niet te werk had moeten stellen alvorens er duidelijkheid bestond omtrent het al dan niet mogen werken in Nederland. Randstad heeft aldus gehandeld in strijd met haar zorgplicht als werkgever en hij heeft daardoor schade geleden. Randstad stelt daar tegenover dat [gedaagde] haar verkeerd heeft voorgelicht nu hij eerder mondeling had verklaard wel over een werkvergunning te beschikken en wel in Nederland te mogen werken. Dat hij uiteindelijk tot en met 4 mei 2022 is kunnen blijven werken komt doordat [gedaagde] gedraald heeft met het inzenden/uploaden van de juiste, gevraagde documenten, aldus Randstad. 5.
- Randstad erkent dat zij verantwoordelijk is voor het administratieve proces rondom de tewerkstelling en dat zij een zorgplicht heeft richting buitenlandse werknemers voor wie dat proces ingewikkeld kan zijn. Zij maakt haar bedrijf van het ter beschikking stellen van flexibele werknemers, aldus haar stellingen, en heeft per week ongeveer 33.000 uitzendkrachten aan het werk. Als beursgenoteerde onderneming rusten op haar strenge verplichtingen om geldende wet- en regelgeving op de juiste wijze toe te passen en na te leven. In haar dienstverlening streeft Randstad naar belangenbehartiging van zowel klant, werknemer, bedrijf en maatschappij, aldus Randstad. 5.
- Randstad heeft gewezen op de verplichting op grond van art. 28 lid 1 sub f Wet op de loonbelasting 1964 dat zij, van de werknemer die loon uit tegenwoordige dienstbetrekking geniet, de identiteit moet vaststellen aan de hand van (kortweg:) een identiteitsbewijs en (in casu) tevens de verblijfsrechtelijke status ter zake van het verrichten van arbeid aan de hand van een geldige verblijfsvergunning of aan de hand van een geldige tewerkstellingsvergunning, alsmede van een en ander de aard, het nummer en aan afschrift daarvan in de loonadministratie op te nemen. 5.
- Vast staat dat Randstad op 29 maart 2022, toen [gedaagde] voor Randstad op de Keukenhof is gaan werken, niet aan deze verplichtingen had voldaan. Randstad beschikte toen noch over (een kopie van) het identiteitsbewijs noch over (een kopie van) een verblijfsvergunning of een tewerkstellingsvergunning en zij had van een en ander dus ook geen afschrift in haar administratie opgenomen. Zij heeft deze situatie laten voortbestaan tot 4 mei
- 5.
- Aldus heeft Randstad gehandeld in strijd met haar wettelijke plicht als inhoudingsplichtige, en gehandeld in strijd met haar zorgplicht als werkgever (art. 7:611 BW); met name heeft zij gehandeld in strijd met het zorgvuldigheidsbeginsel. 5.
- Daaraan doet niet af dat Randstad – zo wil de kantonrechter wel aannemen – daarbij is afgegaan op verklaringen van [gedaagde] zelf dat hij een werkvergunning had en in Nederland mocht werken, aldus de verklaring van 13 december 2022 van [naam] , senior operationeel manager, nu de wettelijke plicht tot controleren van de identiteit van de werknemer en zijn verblijfs- of tewerkstellingsvergunning en het registreren daarvan een verplichting is die geldt bij aanvang van de werkzaamheden (vgl. art. 7c lid 2 Wet allocatie arbeidskrachten door intermediairs). 5.
- Dit brengt mee dat Randstad aansprakelijk kan worden gehouden voor door de werknemer door haar toedoen geleden schade. 5.
- Randstad heeft [gedaagde] wel loon betaald, op basis van het door Randstad vastgestelde bruto uurloon van € 10,48, over de gewerkte uren tot en met 4 mei 2022 en dus met toepassing van het belastingtarief van 52%. De hoogte van het bruto uurloon is niet in geschil. In het geval Randstad niet het anoniementarief zou hebben toegepast, maar het ‘geldende tarief’ van 37,07% dan zou [gedaagde] ongeveer € 1.400,00 netto meer hebben ontvangen, aldus [gedaagde] . Dit verschil vordert hij van Randstad onder de noemer van schadevergoeding 5.
- De kantonrechter is van oordeel dat [gedaagde] geen schade heeft geleden door toedoen van Randstad. Randstad heeft immers loon uitbetaald op basis van een correcte uitvoering van de wet. Dat het anoniementarief is toegepast, komt omdat [gedaagde] niet aan de desbetreffende wettelijke voorwaarden voldeed, te weten dat hij met zijn verblijfstitel in combinatie met een tewerkstellingsvergunning in Nederland mocht werken. Dat betekent dat [gedaagde] ook niet elders, met toepassing van – zoals hij het zelf noemt – het geldende tarief loonvormende arbeid had kunnen verrichten. Dus ook in het geval dat Randstad direct op 28 maart 2022 [gedaagde] had meegedeeld dat hij zonder (kortweg) een tewerkstellingsvergunning niet aan het werk kon, had [gedaagde] bij een andere werkgever geen aanspraak kunnen maken op een hoger netto loon. Dat hij in dat kader door toedoen van Randstad werkkansen elders heeft gemist, is overigens niet gesteld. 5.
- De kantonrechter kan zich voorstellen dat het voor [gedaagde] bijzonder zuur is dat hij ruim vijf weken gewerkt heeft voor Randstad voor een totaal van ruim 336 uren, dus (inclusief overwerk) meer dan 60 uur per week en dat hij daarvoor slechts een nettoloon van € 1.665,00 heeft ontvangen; Randstad, die van haar onzorgvuldig handelen (zie 5.7.) ook niet geprofiteerd heeft, is evenwel niet aansprakelijk voor de door [gedaagde] gestelde schade als ware het gederfd loon. 5.
- Om die reden moeten de vorderingen van [gedaagde] worden afgewezen. 5.
- Randstad heeft verzocht de kostenveroordeling zoals uitgesproken in het vonnis van (naar de kantonrechter aanneemt:) 29 oktober 2024 te ‘repareren’ nu zij deze niet redelijk vindt omdat daarbij niet op het verzoek om zekerheidsstelling door [gedaagde] is beslist en omdat de maatstaf van de Hoge Raad zoals verwoord in zijn arrest van 20 december 2019 in een verstekzaak niet passend is. De kantonrechter zal niet tegemoet komen aan dit verzoek nu het vonnis van 29 oktober 2024 (deels: voor zover het ziet op de gevorderde voorlopige voorziening) heeft te gelden als een eindvonnis. Randstad kan tegen dat vonnis hoger beroep instellen (vgl. art. 337 lid 1 Rv). 5.
- [gedaagde] zal worden veroordeeld in de kosten van deze procedure nu hij in het ongelijk is gesteld. Deze kosten worden begroot op € 476,00 ( 2 punten à € 238,00) aan salaris gemachtigde plus € 112,37 aan explootkosten en de nakosten van € 67,50, samen derhalve € 655,87 voor zover van toepassing inclusief btw, te verhogen met de kosten van betekening zoals vermeld in dit vonnis. 6De beslissing De kantonrechter: 6.
- vernietigt het vonnis van 25 juni 2024 (met kenmerk 11036382 CV EXPL 24-3614); 6.
- wijst af de vorderingen van [gedaagde] ; 6.
- veroordeelt [gedaagde] in de kosten van de procedure, dezerzijds begroot op € 655,87 voor zover van toepassing inclusief btw, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te verhogen met kosten van betekening van dit vonnis als [gedaagde] niet tijdig aan deze veroordeling voldoet; 6.
- verklaart de proceskostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad; 6.
- wijst af het meer of anders gevorderde. Dit vonnis is gewezen door mr. R. Kruisdijk en in het openbaar uitgesproken op 4 maart 2025, in aanwezigheid van de griffier. de griffier de kantonrechter 47653