RECHTBANK AMSTERDAM Bestuursrecht zaaknummer: AMS 25/850 uitspraak van de voorzieningenrechter van 27 februari 2025 in de zaak tussen [verzoekster 1] ., uit Amsterdam, (gemachtigde: [gemachtigde 1] ), [verzoekster 2] ., uit Amsterdam, (gemachtigde: [gemachtigde 2] en [gemachtigde 3] ), [verzoekster 3] , uit Amsterdam, (gemachtigde: [gemachtigde 4] ), gezamenlijk te noemen: verzoeksters en het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Amsterdam, het college (gemachtigden: mr. J. Vogel en M. Nonhebel). Als derde-partij heeft deelgenomen: de gemeente Amsterdam, te Amsterdam. Inleiding
- In deze uitspraak zal de voorzieningenrechter beslissen op het verzoek om een voorlopige voorziening die verzoeksters samen hebben ingediend. De voorzieningenrechter zal eerst op een rij zetten wat er precies aan de hand is en wat er allemaal is gebeurd in de aanloop naar deze procedure. Daarna zal de voorzieningenrechter het verzoek behandelen. Wat is er aan de hand?
- De gemeente Amsterdam is momenteel bezig met de uitvoering van het zogenaamde project [naam] . Met dit project wil de gemeente de [adres 1] en de straten en vaste bruggen van de [adres 2] tot het [adres 3] vernieuwen.
- Voor het project wil de gemeente de tramhalte op de [adres 4] toegankelijker maken. De tramhalte op de [adres 4] is namelijk een drukke halte. De gemeente wil daarom dat de halte ten minste 2.80 meter breed wordt, in plaats van de huidige 2.10 meter. Dit zorgt er namelijk voor dat bijvoorbeeld mensen met een beperking en mensen met een kinderwagen meer ruimte hebben om zich te bewegen.
- Direct naast de tramhalte ligt een autorijbaan. Aan de andere kant van deze autorijbaan ligt een fietspad. De rijbaan en het fietspad worden van elkaar gescheiden door een kleine strook grond, waarop vijf bomen staan.
- De verbreding van de tramhalte kan volgens de gemeente alleen in de richting van de rijbaan gebeuren, omdat het tramspoor in het project [naam] op dezelfde plaats blijft liggen. De verbreding van de tramhalte zou echter betekenen dat de rijbaan te smal en onveilig wordt. Om te zorgen dat de rijbaan voldoende breed en veilig is, moeten de vijf bomen worden gekapt die momenteel op de kleine strook grond tussen de rijbaan en het fietspad staan.
- De gemeente heeft daarom een vergunning aangevraagd om de bomen te mogen kappen. Op 30 maart 2022 heeft de gemeente een vergunning gekregen om vier van de vijf bomen te kappen. De vijfde boom moet worden herplant. De kap en herplant zouden in 2025 plaatsvinden.
- Het [verzoekster 2] heeft bezwaar gemaakt tegen deze vergunning. Het college heeft het Comité geen gelijk gegeven en de vergunning in stand gelaten.
- Het [verzoekster 2] heeft hiertegen beroep ingesteld. Op 11 februari 2023 heeft zij dit beroep ingetrokken.
- Op 29 maart 2024 heeft het college de gemeente een vergunning verleend om de herplant van de vijfde boom anders uit te voeren dan de vergunning van 30 maart 2022 voorschrijft.
- Op 22 april 2024 heeft het [verzoekster 1] . hiertegen bezwaar gemaakt. Op 23 april 2024 hebben het [verzoekster 1] . en het [verzoekster 2] . samen bezwaar gemaakt. Op 1 mei 2024 heeft ook [verzoekster 3] bezwaar gemaakt.
- Op 6 augustus 2024 hebben het [verzoekster 1] . en het [verzoekster 2] . hun bezwaar aangevuld.
- Op 16 augustus 2024 hebben het [verzoekster 1] . en het [verzoekster 2] het college in gebreke gesteld, omdat hij niet binnen de wettelijke termijn op de bezwaren heeft beslist.
- Op 27 augustus 2024 heeft het college een beslissing op bezwaar genomen, geadresseerd aan het [verzoekster 1] .. Het college heeft de bezwaren (in juridische termen) niet-ontvankelijk verklaard. Dit betekent dat het college de bezwaren niet inhoudelijk heeft beoordeeld.
- Op 24 september 2024 hebben het [verzoekster 1] . en het [verzoekster 2] . aangegeven dat de termijn van de ingebrekestelling ruimschoots is verstreken. Zij hebben het college verzocht de dwangsom van € 1.442,- aan hen uit te betalen.
- Op 24 september 2024 (abusievelijk staat vermeld 2023) heeft het college aan het [verzoekster 1] . medegedeeld dat geen dwangsom is verschuldigd omdat met de beslissing van 27 augustus 2024 al op het bezwaar is beslist.
- Op 27 november 2024 hebben het [verzoekster 1] . en het [verzoekster 2] . beroep bij de rechtbank ingesteld, omdat het college niet op tijd op hun bezwaren heeft beslist. Verzoeksters hebben daarnaast de voorzieningenrechter van de rechtbank verzocht om bij wijze van een voorlopige voorziening het besluit van 29 maart 2024 te schorsen tot op het bezwaar, dan wel op (hoger) beroep is beslist.
- De voorzieningenrechter heeft het verzoek op 18 februari 2025 op zitting behandeld. Namens [verzoekster 3] is niemand verschenen. De overige partijen hebben zich laten vertegenwoordigen door hun gemachtigden. Beoordeling door de voorzieningenrechter Belanghebbendheid
- In principe zou de voorzieningenrechter, voordat hij het verzoek inhoudelijk kan behandelen, eerst moeten beoordelen of aan alle (procedurele) formaliteiten is voldaan. Omwille van de leesbaarheid en begrijpelijkheid van deze uitspraak, zal de voorzieningenrechter niet alle formaliteiten bespreken. De enige formaliteit die de voorzieningenrechter wel wil bespreken is de vraag of verzoeksters belanghebbenden zijn. Volgens de wet is de (rechts)persoon die een rechtstreeks en persoonlijk belang heeft bij een besluit, belanghebbend. Een rechtstreeks belang is aanwezig als het besluit gevolgen van enige betekenis heeft voor een (rechts)persoon. Verzoeksters zijn informele verenigingen zonder rechtspersoonlijkheid. Het komt er dan op neer dat de individuele leden van verzoeksters, de natuurlijke personen, een rechtstreeks en persoonlijk belang moeten hebben willen zij toegang hebben tot de bestuursrechter, in dit geval de voorzieningenrechter. De voorzieningenrechter zal volstaan met de vaststelling dat in ieder geval de gemachtigde van het [verzoekster 1] . belanghebbende is. De gemachtigde, die zelf lid is van het comité, woont op de [adres 5] op nummer [huisnummer] . Zij heeft op de zitting toegelicht dat zij zicht heeft op de bomen. De voorzieningenrechter ziet geen aanleiding om daaraan te twijfelen, mede gelet op de afstand tussen haar woning en de bomen die ongeveer 125 meter bedraagt.
- Dit betekent dat het [verzoekster 1] . in ieder geval toegang heeft tot de voorzieningenrechter. Aangezien zij, het [verzoekster 2] . en [verzoekster 3] hetzelfde verzoekschrift hebben ingediend, ziet de voorzieningenrechter geen aanleiding om apart te beoordelen of het [verzoekster 2] . en [verzoekster 3] ook belanghebbend zijn.
- De voorzieningenrechter zal in deze uitspraak alleen het verzoek om voorlopige voorziening beoordelen. De voorzieningenrechter zal geen beslissing nemen op het beroep niet tijdig beslissen dat aan dit verzoek ten grondslag ligt. Het verzoek
- Dan komt de voorzieningenrechter vervolgens toe aan de inhoud van het verzoek. Het doel van verzoeksters is om via deze procedure tegen te houden dat de vier bomen worden gekapt. De voorzieningenrechter ziet zich allereerst voor de vraag gesteld of verzoeksters dit doel kunnen bereiken met deze procedure. De voorzieningenrechter is van oordeel dat dit niet het geval is. De voorzieningenrechter zal dit hierna uitleggen.
- Als het college een besluit neemt, dan kan daartegen bezwaar worden gemaakt. De wet stelt hiervoor een termijn van zes weken. Na het verstrijken van die zes weken, staat het besluit vast en is het in principe niet meer mogelijk om hiertegen bezwaar te maken. Het idee hierachter is om rechtszekerheid te bieden.
- Na een beslissing van het bestuursorgaan op het bezwaar staat daartegen beroep open. Na het beroep staat hoger beroep open. Een besluit staat nog niet vast zolang een bezwaar of (hoger) beroep loopt.
- In dit geval heeft het college op 30 maart 2022 een vergunning verleend voor het kappen van de vier bomen en het herplanten van de vijfde boom. Het [verzoekster 2] . heeft hiertegen bezwaar gemaakt en vervolgens beroep ingesteld.
- Op 11 februari 2023 is dit beroep ingetrokken. Dit betekent dat er geen beroep meer liep tegen deze vergunning. Daarnaast was de termijn om bezwaar te maken tegen die tijd allang verstreken. Dit betekent dat deze vergunning onherroepelijk vaststaat. Er is daarom in principe geen bezwaar meer mogelijk tegen de kap en de herplant die de vergunning toestaat.
- Op 29 maart 2024 heeft het college opnieuw een vergunning verleend, die nauw verband houdt met de vergunning van 30 maart
- In deze nieuwe vergunning heeft het college alleen vergund dat de herplant uit de vergunning van 30 maart 2022 afwijkend wordt uitgevoerd. Het college heeft in de vergunning van 29 maart 2024 niets gewijzigd in de toegestane kap van de vier bomen.
- Het voorgaande leidt tot de conclusie dat de kap van de bomen niet kan worden aangevochten in deze procedure. De voorzieningenrechter is het eens met de gemachtigde van het [verzoekster 1] dat de tekst ‘het vellen van een houtopstand’ in de aanhef van de vergunning van 29 maart 2024 voor verwarring kan hebben gezorgd en de indruk kan hebben gewekt dat er opnieuw een kapvergunning is verleend. Echter, het feit blijft dat slechts met de beslissing van 30 maart 2022 een kapvergunning is verleend. De voorzieningenrechter begrijpt het betoog van het [verzoekster 2] . ook zo dat zij dit beroep heeft ingetrokken, omdat zij dacht dat het college opnieuw een beslissing zou gaan nemen over de kap van de bomen. Dit is uiteindelijk niet gebeurd. De voorzieningenrechter ziet in de dossiers geen aanknopingspunten om aan te nemen dat het college een dergelijke toezegging heeft gedaan. Dat het [verzoekster 2] . bepaalde teksten mogelijk anders heeft begrepen en mogelijk mede daardoor haar beroep heeft ingetrokken, is vervelend, maar maakt het voorgaande niet anders. Conclusie en gevolgen
- De voorzieningenrechter komt op grond van het bovenstaande tot de slotsom dat het verzoek moet worden afgewezen. Voor vergoeding van het griffierecht of een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding. Beslissing De voorzieningenrechter wijst het verzoek om voorlopige voorziening af. Deze uitspraak is gedaan door mr. C.F. de Lemos Benvindo, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. T.W. Steenhoff, griffier en uitgesproken in het openbaar op 27 februari
- griffier voorzieningenrechter Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op: Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open. Deze eis vloeit voort uit het Programma van Eisen voor toegankelijke haltes. Artikel 6:7 van de Algemene wet bestuursrecht.