RECHTBANK AMSTERDAM Bestuursrecht zaaknummer: AMS 24/2976 uitspraak van de enkelvoudige kamer van 19 maart 2025 in de zaak tussen [eiser] , uit Amsterdam, eiser (gemachtigde: mr. G.A. Verhoeven), en het college van burgemeester en wethouders van Amsterdam, verweerder, hierna: het college (gemachtigde: mr. F. Schuttenhelm). Inleiding
- In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank beroep van eiser tegen de afwijzing van zijn aanvraag voor een urgentieverklaring op grond van artikel 2.10.5, eerste lid, onder b en i, van de Huisvestingsverordening Amsterdam 2020 (Hvv). 1.
- Het college heeft deze aanvraag met het besluit van 20 november 2023 afgewezen. De reden van de afwijzing is dat eiser niet aan de bindingseis van vier jaar voldoet. Met het bestreden besluit van 17 april 2024 op het bezwaar van eiser is het college bij de afwijzing van de aanvraag gebleven. Het college heeft de grondslag van de weigering aangevuld met de weigeringsgrond dat er geen sprake is van een urgent huisvestingsprobleem. 1.
- Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. Het college heeft op beroep gereageerd met een verweerschrift. 1.
- De rechtbank heeft beroep op 5 februari 2025 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser, de gemachtigde van eiser, de heer [naam] van stichting Care & Coaching en de gemachtigde van het college. Beoordeling door de rechtbank
- De rechtbank beoordeelt of het college de aanvraag van eiser voor een urgentieverklaring mocht afwijzen. Zij doet dat aan de hand van de beroepsgronden van eiser. 2.
- De rechtbank is van oordeel dat het beroep ongegrond is. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft. Achtergrond van de zaak
- Eiser is een 48-jarige alleenstaande man. Hij is in 2010 gescheiden van zijn ex-partner en samen hebben zij drie kinderen. De echtelijke woning is toegewezen aan de ex-partner en de drie kinderen wonen bij hun moeder. Eiser heeft diabetes en in 2018 heeft hij een beroerte gehad. Eiser gebruikt medicijnen, waaronder bloedverdunners om trombose te voorkomen. Na de beroerte heeft eiser revalidatie gevolgd bij Reade. Sinds 14 november 2023 is eiser onder behandeling bij de Waag voor zijn psychische klachten. 3.
- Sinds 2015 staat eiser in de Basisregistratie Personen (BRP) als volgt ingeschreven: van 9 april 2015 tot 13 juni 2019 [adres 1] ; van 13 juni 2019 tot 27 mei 2020 onbekend; van 27 mei 2020 tot 12 januari 2023 [adres 2] ; van 12 januari 2023 tot 7 maart 2023 [adres 1] ; van 7 maart 2023 tot 23 mei 2023 aan de [adres 3] ; van 23 mei 2023 tot heden onbekend. 3.
- Uit de gegevens van het BRP is volgens het college gebleken dat eiser op 13 juni 2019 van het briefadres [adres 1] naar ‘onbekend’ is uitgeschreven vanwege het niet tijdig een nieuw briefadres of het niet doorgeven van een adreswijziging. te hebben doorgegeven. De uitschrijving van het briefadres aan de [adres 3] op 23 mei 2023 naar ‘onbekend’ vond om dezelfde reden plaats. Bindingseis
- Eiser voert – samengevat – het volgende aan. Eiser heeft voldoende binding met de gemeente Amsterdam omdat hij al tien jaar in Amsterdam woont. Volgens de BRP stond eiser in de afgelopen tien jaar 7,7 jaar ingeschreven in Amsterdam. Naast de inschrijving in deBRP moet het college ook toetsen aan de economische en maatschappelijke binding zoals bedoeld in artikel 14, derde lid, van de Huisvestingswet 2014 (Hw 2014). Eiser is van mening dat het college een te strikte interpretatie van de bindingseis hanteert. Uit de overgelegde stukken komt een duidelijk beeld naar voren dat eiser zich ook daadwerkelijk in Amsterdam bevond, ondanks dat hij in de BRP naar ‘onbekend’ was uitgeschreven. 4.
- De rechtbank is met het college van oordeel dat in de zaak van eiser de algemene weigeringsgrond van onvoldoende binding van toepassing is en overweegt het volgende. 4.
- Een vereiste om in aanmerking te kunnen komen voor een urgentieverklaring is dat iemand - voorafgaand aan de aanvraag minimaal onafgebroken vier jaar ingeschreven moet hebben gestaan in de BRP in Amsterdam. Eiser was van 13 juni 2019 tot 27 mei 2020 en van 23 mei 2023 tot heden als ‘onbekend’ ingeschreven en dus was hij nog niet vier jaar in Amsterdam onafgebroken ingeschreven ten tijde van de aanvraag op 20 september
- Gelet op de dwingendrechtelijke formulering van artikel 2.6.5, eerste lid en onder i, van de Hvv, bestaat er in beginsel geen ruimte om feiten en omstandigheden zoals aangevoerd door eiser in deze beoordeling mee te nemen. Uit de rechtspraak van de Afdeling volgt niet dat het college nog naar (andere) concrete feiten en omstandigheden moet kijken waaruit zou blijken dat iemand wel woonachtig was in Amsterdam. 4.
- De gemachtigde van het college heeft op zitting aangevoerd dat er in bepaalde gevallen toch een uitzondering kan worden gemaakt op voornoemde hoofdregel. Het college maakt bijvoorbeeld een uitzondering voor gevallen die voor een korte periode – maximaal drie maanden – niet staan ingeschreven in Amsterdam en kunnen aantonen dat zij in deze korte periode in Amsterdam hebben gewoond. 4.
- De rechtbank overweegt dat eiser verschillende bewijsstukken heeft overgelegd om aan te tonen dat hij wel woonachtig was in Amsterdam in deze periode, zoals bankafschriften, een brief van de Waag en een e-mail van verhuurder Zwets Vastgoedmanagement. Hoewel dit aanwijzingen zijn dat eiser activiteiten ondernam in Amsterdam, is de rechtbank van oordeel dat het college terecht heeft geconcludeerd dat uit de bewijsstukken niet volgt dat eiser vier jaren voorafgaand aan de aanvraag onafgebroken in Amsterdam woonachtig is geweest. De overgelegde stukken zien namelijk niet op de gehele relevante periode. Zo zien de bankafschriften op de periode juni tot en met november 2019 en mei tot en met augustus 2023 en de overige stukken op de periodes juni 2019 tot januari 2020, oktober 2020 en februari
- Dat eiser in de periode van januari 2020 tot mei 2020 en vanaf 23 mei 2023 tot de aanvraag ook in Amsterdam woonachtig was, blijkt niet uit deze stukken. Voor zover eiser aanvoert dat hij buiten zijn schuld om is uitgeschreven naar ‘onbekend’, volgt de rechtbank eiser niet. Het is eisers verantwoordelijk om zich in te schrijven in de BRP en dat hij niet stond ingeschreven komt voor zijn eigen rekening en risico. Bovendien heeft eiser in de bezwaarfase niet willen verklaren waar hij sinds mei 2023 verblijft. Eiser heeft pas op zitting toegelicht dat hij op een tijdelijke locatie via de Stichting Care & Coaching verblijft en daar sinds kort staat ingeschreven. Omdat er een algemene weigeringsgrond van toepassing is, moet het college de aanvraag van eiser om een urgentieverklaring weigeren. Het college hoeft daarom niet verder te toetsen en te kijken of eiser in aanmerking kan komen voor een urgentieverklaring vanwege sociale of medische redenen en in dat kader advies te vragen aan de GGD. De rechtbank zal het gestelde over de gezondheidssituatie van eiser beoordelen in het kader van de hardheidsclausule. 4.
- De verwijzing van eiser naar artikel 14 van de Hw 2014 maakt dit oordeel niet anders. De bepalingen over urgenties in de Hvv 2020 zijn een uitvloeisel van artikel 12 en 13 van de Hw
- Artikel 14 van de Hw 2014 gaat niet over urgentieververklaringen, maar over het verkrijgen van een huisvestingsvergunning en de voorrang die daarbij kan worden gegeven aan bepaalde woningzoekenden met economische of maatschappelijke binding. Het derde lid van dit artikel betreft het geven van voorrang aan in de huisvestingsverordening aangewezen vitale beroepsgroepen. De gemachtigde van het college heeft op zitting terecht toegelicht dat dit gaat over bijvoorbeeld politieagenten of andere vitale beroepsgronden en dat eiser niet bij dit doelgroep behoort. Hardheidsclausule
- Eiser voert aan dat zijn slechte gezondheid problemen voor hem meebrengt in zijn dagelijks leven. Volgens eiser hadden de door eiser overgelegde stukken aanleiding moeten zijn om een medisch onderzoek te vragen aan de GGD in het kader van de hardheidsclausule. 5.
- De rechtbank begrijpt dat eiser het liefst een eigen vaste verblijfplaats heeft. Toch is de rechtbank van oordeel dat het college eiser op grond van de hardheidsclausule niet alsnog urgentie hoeft te verlenen. Met urgentie krijgt iemand voorrang op andere personen die ook hard op zoek zijn naar een woning. Urgentie is de uitzondering op de regel. De hardheidsclausule is daar weer een uitzondering op, omdat iemand dan urgentie krijgt terwijl hij of zij niet aan de voorwaarden voldoet. Om die reden, en tevens gelet op de enorme schaarste aan betaalbare huurwoningen in Amsterdam, past het college de hardheidsclausule zeer terughoudend toe en alleen bij zeer uitzonderlijke, zeer schrijnende, situaties. De aanvrager die een beroep doet op de hardheidsclausule vanwege ernstige medische problematiek dient met bewijsstukken aan te tonen dat sprake is van een acuut levensbedreigend probleem. Hiervoor is een verklaring van een medisch specialist noodzakelijk, een verklaring van de huisarts is onvoldoende. 5.
- Bij eiser is in 2018 een herseninfarct geconstateerd. Ter onderbouwing van zijn medische problematiek heeft eiser een verklaringen van zijn psychiater bij De Waag, van zijn reclasseringsmedewerker en zijn medische informatie van Reade overgelegd. Uit de verklaring van de Waag blijkt dat eiser vanaf maart 2023 onder behandeling is ter versterking van zijn emotieregulatie met betrekking tot zijn ex-partner, omgaan met zijn echtscheiding en stressvolle situaties. Uit de verklaring van de Waag kan niet worden afgeleid dat sprake is van medische problematiek die samenhangen met eiser zijn woonsituatie. De reclasseringsmedewerker is geen medicus en kan ook geen uitspraken doen over de medische situatie van eiser. De medische informatie van Reade dateert van 2018 en geeft geen informatie over de huidige medische problematiek van eiser. Het college heeft naar het oordeel van de rechtbank daarom mogen oordelen dat er in dit geval geen aanleiding was om de GGD om advies te vragen. Dit tezamen maakt dat het niet noodzakelijk was om een medisch onderzoek te vragen aan de GGD en dat het college in redelijkheid tot de conclusie kon komen dat geen sprake is van een acuut en levensbedreigende medische problematiek die het verlenen van een urgentieverklaring zou rechtvaardigen. Artikel 4:84 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb)
- Eiser doet een beroep op het evenredigheidsbeginsel en verwijst daarbij naar verschillende kamerstukken en jurisprudentie. Volgens eiser zijn de omstandigheden waarin hij verkeert niet verdisconteerd in de Hvv en zozeer in strijd met het de evenredigheid dat de bepaling alsnog achterwege moet worden gelaten. Ook op grond van artikel 4:84 van de Awb moet het college bij een toetsing aan de Nadere regels (een beleidsregel) toetsen of de gevolgen van het besluit onevenredig zijn in verhouding tot de met de beleidsregel te dienen doelen. De voorwaarde van een acuut levensbedreigend is volgens eiser in dit geval onevenredig. 6.
- De rechtbank stelt voorop dat artikel 4:84 van de Awb betrekking heeft op beleidsregels en niet op verordeningen zoals de Hvv. Om die reden is artikel 4:84 van de Awb niet van toepassing op de beoordeling die het college in het kader van de algemene weigeringsgronden, zoals opgenomen in de Hvv, diende te verrichten. Voor zover eiser betoogt dat het college had moeten afwijken van zijn huisvestingsbeleid, neergelegd in de Nadere regels, volgt de rechtbank dit standpunt niet. In het beleid zijn keuzes gemaakt met als gevolg dat vrijwel uitsluitend gezinnen met schoolgaande minderjarige kinderen die dakloos zijn of dreigen te worden en woningzoekenden met ernstige medische problemen in aanmerking komen voor urgentie. Elke keer dat het college urgentie verleent, betekent dit dat een ander die in aanmerking komt voor urgentie en dus voldoet aan bovengenoemde criteria of iemand die al zeer lang op de wachtlijst staat, mogelijk nog langer moet wachten. Naar het oordeel van de rechtbank zijn er in het geval van eiser geen dusdanige bijzondere omstandigheden waardoor het belang van eiser op huisvesting vóór moet gaan op het algemene belang van een rechtvaardige woonruimteverdeling. De situatie van eiser onderscheidt zich bovendien niet van andere, alleenstaande gescheiden personen die in aanmerking willen komen voor een urgentieverklaring. Voor zover eiser een beroep doet op het evenredigheidsbeginsel, slaagt dit niet. Het is de rechtbank verder ook niet gebleken van bijzondere omstandigheden waardoor het besluit “onder de streep” onredelijk bezwarend is voor eiser. Conclusie en gevolgen
- Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat eiser geen gelijk krijgt. Eiser krijgt daarom het griffierecht niet terug. Hij krijgt ook geen vergoeding van zijn proceskosten. Beslissing De rechtbank verklaart beroep ongegrond. Deze uitspraak is gedaan door mr. A.D. Belcheva, rechter, in aanwezigheid van mr. G. dos Santos 't Hoen, griffier. Uitgesproken in het openbaar op 19 maart
- griffier rechter Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op: Informatie over hoger beroep Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen. Artikel 2.6.5, eerste lid en onder i, van de Huisvestingsverordening
- Zie bijvoorbeeld de uitspraken van de Afdeling van 24 mei 2023, ECLI:NL:RVS:2023:2010 en van 31 januari 2024, ECLI:NL:RVS:2024:
- Hoofdstuk 1, paragraaf II, onder 24 van de Nadere regels Hvv. Kamerstukken II, 2009/10, 32271, nr. 3, p. 50; Kamerstukken II, 2022/23, 36190, nr. 8, p. 73; Zie de uitspraken van de Afdeling van 23 februari 2022, ECLI:NL:RVS:2022:856; van 7 juni 2023,ECLI:NL:RVS:2023:2220, r.o. 5.2 en de grote kamer van het CBb van 26 maart 2024, ECLI:NL:CBB:2024:190.