RECHTBANK AMSTERDAM Bestuursrecht zaaknummer: AMS 24/434 uitspraak van de meervoudige kamer van 5 maart 2025 in de zaak tussen [eisers] , uit Amstelveen, eisers (gemachtigde: mr. J.G.J. Spiekker), en het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Amstelveen, verweerder (gemachtigde: [gemachtigde] ). Inleiding
- In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eisers tegen de afwijzing van de aanvraag om een voorziening op grond van de Jeugdwet (Jw) voor hun zoon [minderjarige] . 1.
- Verweerder heeft deze aanvraag met het besluit van 1 september 2023 (het primaire besluit) afgewezen. Met het bestreden besluit van 11 december 2023 (het bestreden besluit) op het bezwaar van eisers is verweerder bij de afwijzing van de aanvraag gebleven. 1.
- De rechtbank heeft het beroep op 23 januari 2025 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eisers, hun gemachtigde en de gemachtigde van verweerder vergezeld door mevrouw [betrokkene] Wat vooraf ging aan deze procedure
- [minderjarige] is geboren op [geboortedatum] 2015 en is gediagnostiseerd met ASS. Op de zitting vertelden eisers dat bij [minderjarige] ook hoogbegaafdheid is vastgesteld. Hij woont bij zijn ouders samen met zijn twee jaar oudere zus.
- Met een besluit van 14 februari 2019 is vanaf 1 december 2018 jeugdhulp bij het MOC ’t Kabouterhuis (’t Kabouterhuis) toegekend. Het gaat om hulp voor het hele gezin.
- Met een besluit van 18 maart 2020 is vanaf 20 februari 2020 jeugdhulp bij Familysupporters Amsterdam (Familysupporters) toegekend. Ook hier gaat het om hulp voor het hele gezin.
- Met een besluit van 26 januari 2021 is over de periode 1 november 2020 tot en met 1 oktober 2021 jeugdhulp aan [minderjarige] toegekend bij Familysupporters. Familysupporters heeft in september 2021 een eindevaluatie opgesteld.
- Partijen hebben in het kader van de besluiten van 1 september en 11 december 2023 eerder contact met elkaar gehad. In mei 2022 hebben eisers zich tot verweerder gewend met het verzoek om hulp bij het versterken van de sociaal emotionele vaardigheden van [minderjarige] in relatie tot andere kinderen. Vanwege deze aanvraag heeft de jeugdhulpverlener van verweerder op 11 mei 2022 Deel I van het zogenoemde Perspectiefplan opgesteld. Op 7 juli 2022 heeft verweerder een indicatie voor een sociale vaardigheidstraining bij de rupsenclub van ’t Kabouterhuis afgegeven. Op zitting is besproken dat partijen destijds hebben afgesproken dat [minderjarige] eerst deze training zou volgen. Na afloop van de sociale vaardigheidstraining heeft ’t Kabouterhuis op 12 december 2022 een eindverslag opgesteld. Onder het kopje “Advies en afspraken” staat aan het einde van het verslag het volgende vermeld: “Tijdens de evaluatie is besproken dat [minderjarige] in de toekomst mogelijk meer begeleiding nodig heeft bij zijn sociaal-emotionele ontwikkeling. MOC 't Kabouterhuis biedt geen opvolgende training. Ouders dachten zelf aan Carehouse, mocht er in de toekomst aanvullende hulp nodig zijn.”
- In december 2022 is de aanvraag weer opgepakt en is Deel II van het Perspectiefplan tot stand gekomen. In dit kader hebben partijen regelmatig per e-mail en telefonisch contact met elkaar gehad. Ook zijn er gesprekken gevoerd. Verweerder stelt zich op het standpunt dat het gelet op de beschikbare informatie voor het onderzoeken van de hulpvraag noodzakelijk is om contact op te nemen met de school van [minderjarige] . Verweerder heeft dit aan eisers voorgelegd. Eisers hebben hiervoor geen toestemming gegeven. In Deel III van het Perspectiefplan is hierna toegelicht welke informatie is betrokken en wat de overwegingen van verweerder zijn. Met het primaire besluit is de aanvraag vervolgens afgewezen omdat verweerder op basis van de beschikbaar gestelde informatie niet kan vaststellen dat een jeugdhulpvoorziening nodig is.
- Met het bestreden besluit heeft verweerder het primaire besluit gehandhaafd en het bezwaar daartegen ongegrond verklaard. Verweerder heeft aan het bestreden besluit het advies van de bezwaarschriftencommissie van 7 december 2023 ten grondslag gelegd. De commissie heeft overwogen dat de aanvraag ziet op de begeleiding en ondersteuning van de verdere sociaal-emotionele ontwikkeling van [minderjarige] , te verzorgen door Carehouse. In het advies is geconcludeerd dat verweerder gelet op deze aanvraag en op de bevindingen uit de eindevaluatie van Familysupporters en het eindverslag van ’t Kabouterhuis nadere informatie nodig heeft van de school van [minderjarige] (onder andere de mogelijkheden van passend onderwijs) om de aard en omvang van de jeugdhulp te kunnen bepalen. Beoordeling door de rechtbank
- Tussen partijen is niet in geschil dat [minderjarige] ondersteuning nodig heeft. Zij zijn verdeeld over de vraag of er voldoende informatie beschikbaar is om te kunnen beslissen op de aanvraag van eisers. Kort gezegd vindt verweerder van niet en eisers van wel. Om deze vraag te kunnen beantwoorden moet de rechtbank beoordelen of verweerder heeft voldaan aan zijn onderzoeksplicht en of eisers hebben voldaan aan hun medewerkingsplicht. De onderzoeksplicht van verweerder volgt uit artikel 2.3, eerste lid, van de Jw en artikel 3:2 van de Algemene wet bestuursrecht. De medewerkingsplicht van eisers volgt uit 8.1.2, derde lid, van de Jw. De rechtbank beoordeelt deze vraag aan de hand van de beroepsgronden van eisers.
- De rechtbank verklaart het beroep van eisers ongegrond. Dit betekent dat zij geen gelijk krijgen. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft. Voldoende informatie beschikbaar?
- Eisers voeren aan dat verweerder over voldoende informatie beschikt gelet op de eerdere toekenningsbesluiten, de eindevaluatie van Familysupporters, het eindverslag van ’t Kabouterhuis en de gevoerde gesprekken. Op basis van deze informatie kan al geconcludeerd worden dat [minderjarige] meer hulp en begeleiding nodig heeft en dat een jeugdhulpvoorziening noodzakelijk is. Het is volgens eisers daarom niet noodzakelijk en het gaat veel te ver dat verweerder zelf informatie wil inwinnen bij de school. Uit de eindevaluatie van Familysupporters blijkt dat school al intensief betrokken is bij het traject van Familysupporters, dat er een periodiek overleg is tussen eisers, school en het samenwerkingsverband en dat school op basis hiervan aanvullende begeleiding voor [minderjarige] inricht. De school doet derhalve al wat zij kan en wat van haar verwacht mag worden. Verweerder is op basis van de vele gesprekken bekend met wat de school doet en hoe zij [minderjarige] al helpen bij zijn sociaal-emotionele ontwikkeling.
- Verweerder verwijst ter onderbouwing van zijn standpunt naar de bevindingen uit de eindevaluatie van Familysupporters en het eindverslag van ’t Kabouterhuis. Volgens verweerder heeft binnen de schoolsetting het passend onderwijs een taak voor kinderen met een hulpvraag. Indien niet duidelijk is welke rol de school en het passend onderwijs kan vervullen in het kader van de sociaal-emotionele ontwikkeling van [minderjarige] , kan de noodzaak en omvang van de jeugdhulp niet worden vastgesteld.
- De rechtbank overweegt als volgt. Op zitting heeft verweerder toegelicht dat hij, om te kunnen beoordelen wat passend is in de situatie van [minderjarige] , informatie nodig heeft van zijn school. De rechtbank kan verweerder volgen dat rechtstreeks contact met de school van [minderjarige] nodig is om goed onderzoek te doen naar de noodzaak van (een vervolg op de al ingezette) jeugdhulp. In het eindverslag van Familysupporters staat immers dat het versterken van de sociale vaardigheden van [minderjarige] bij voorkeur plaatsvindt in een sociale setting, zoals school. De school vormt dus een belangrijke factor bij het doel van de aanvraag van eisers. De rechtbank begrijpt dan ook dat verweerder van de school wil horen welk effect de eerdere jeugdhulp van Familysupporters en ’t Kabouterhuis heeft gehad. Ook wil verweerder van de school horen welke verdere begeleiding de school zelf kan bieden aan [minderjarige] . Dit alles is van belang om te beoordelen welke jeugdhulp op dit moment het beste is voor [minderjarige] . Dat eisers bereid zijn om informatie over [minderjarige] die zij ontvangen van de school met verweerder te delen, doet hier niet aan af. De rechtbank kan zoals gezegd volgen dat rechtstreeks contact met de school voor verweerder nodig is om concrete vragen te kunnen stellen aan de school om de noodzaak van de jeugdhulp te kunnen onderzoeken.
- De rechtbank is dan ook van oordeel dat verweerder overtuigend heeft gemotiveerd waarom hij meer informatie nodig heeft om te kunnen beslissen op de aanvraag. Van eisers mag redelijkerwijs verwacht worden dat zij daaraan hun medewerking verlenen door toestemming te geven aan verweerder om nadere informatie aan de school te vragen. Privacy
- Eisers voeren verder aan dat het contact opnemen met de school een te grote inbreuk vormt op de privacy van [minderjarige] .
- Zoals de rechtbank heeft overwogen onder 13 vindt zij het voorstelbaar dat verweerder aanvullend contact wenst op te nemen met de school. De rechtbank vindt niet dat hierdoor een ongeoorloofde inbreuk wordt gemaakt op de privacy van [minderjarige] . Verweerder heeft toegelicht dat de informatie van de school noodzakelijk is om de aanvraag te kunnen beoordelen. De rechtbank begrijpt niet goed op welke manier eisers vrezen dat de privacy van [minderjarige] geschonden wordt. De betreffende partijen zijn immers al langer direct betrokken bij de jeugdhulp die [minderjarige] al kreeg. Bovendien speelt de school ook zelf een rol door passend onderwijs aan te bieden.
- Daarnaast is op zitting besproken dat eisers eventueel bij het gesprek met de school aanwezig kunnen zijn en is overleg mogelijk over de te stellen vragen. De vragen die staan geformuleerd in Deel I van het Perspectiefplan over het geven van toestemming voor het delen van informatie met derden, is een verplichting die op grond van de AVG op verweerder rust. Dit doet echter niet af aan de medewerkingsverplichting die eisers hebben op grond van de Jw. Naar het oordeel van de rechtbank hebben eisers geen redelijk belang bij weigering van toestemming aan verweerder om contact op te nemen met de school van [minderjarige] . Tot slot
- Op zitting is besproken dat de aanvraag ruim twee jaar geleden is ingediend. De rechtbank heeft niet alle informatie van partijen ontvangen. Op de zitting werd duidelijk dat al vóór het indienen van het beroep, na een verwijzing van de huisarts, jeugdhulpverlening is ingezet via Praktijk Rood. Daarnaast is ook de kinderpraktijk Amstelland betrokken bij de zorg rondom [minderjarige] en zit hij op G-voetbal.
- Op zitting heeft verweerder toegelicht dat hij bij het beoordelen van de aanvraag (of van een eventuele nieuwe aanvraag) ook contact wil opnemen met de nieuwe hulpverlenende instanties. Mocht deze informatie noodzakelijk zijn, dan is de medewerkingsplicht naar het oordeel van de rechtbank onverkort van toepassing. Conclusie en gevolgen
- Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat eisers geen gelijk krijgen. Zij krijgen daarom het griffierecht niet terug. Zij krijgen ook geen vergoeding van hun proceskosten. Beslissing De rechtbank verklaart het beroep ongegrond. Deze uitspraak is gedaan door mr. S.D. Arnold, voorzitter, en mr. M.H.W. Franssen en mr. J.A.C.M. Nielen, leden, in aanwezigheid van mr. S.E. Berghout, griffier. De uitspraak is uitgesproken in het openbaar op 5 maart
- griffier voorzitter Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op: Informatie over hoger beroep Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Centrale Raad van Beroep waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Digitaal hoger beroep instellen kan via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan de Centrale Raad van Beroep, Postbus 16002, 3500 DA Utrecht. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Centrale Raad van Beroep vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen. ASS: Autismespectrumstoornissen. MOC: Medisch Orthopedagogisch Centrum. Zie in dit kader de uitspraak van de rechtbank Gelderland van 24 januari 2024, ECLI:NL:RBGEL:2024:340 met een verwijzing naar de uitspraken van de Centrale Raad van Beroep van 16 januari 2019, ECLI:NL:CRVB:2019:276; 3 maart 2021, ECLI:NL:CRVB:2021:510; 23 maart 2022, ECLI:NL:CRVB:2022:693 en de uitspraak van 6 september 2023 van de rechtbank Gelderland, ECLI:NL:RBGEL:2023:
- AVG: Algemene verordening gegevensbescherming.