RECHTBANK AMSTERDAM Bestuursrecht zaaknummer: AMS 24/5707 uitspraak van de enkelvoudige kamer van 26 maart 2025 in de zaak tussen [eiseres] , uit [woonplaats] , eiseres, en de Dienst Toeslagen, verweerder (gemachtigden: mr. H. Nieuwendijk en [gemachtigde] ). Procesverloop Met het besluit van 28 december 2019 (het primaire besluit I) heeft verweerder bepaald dat eiseres voor het jaar 2019 geen recht heeft op een voorschot voor de huurtoeslag. Met het besluit van 13 februari 2021 (het primaire besluit II) heeft verweerder de huurtoeslag van eiseres voor het jaar 2019 definitief vastgesteld op € 0,-. Met het besluit van 26 september 2024 (het bestreden besluit) heeft verweerder de bezwaren van eiseres niet-ontvankelijk verklaard. Eiseres heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. Verweerder heeft een verweerschrift ingediend. Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 10 maart
- Eiseres was aanwezig. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigden. Overwegingen Vrijstelling griffierecht
- Eiseres heeft de rechtbank verzocht om vrijstelling van het griffierecht wegens betalingsonmacht. De rechtbank wijst het verzoek om vrijstelling van het griffierecht toe, omdat aannemelijk is dat zij aan de voorwaarden voldoet. Dit betekent dat eiseres geen griffierecht hoeft te betalen. Eiseres heeft € 1,- aan griffierecht betaald. De rechtbank zal dit bedrag terugstorten op de rekening waarmee zij heeft betaald. Wat aan deze procedure voorafging
- Eiseres heeft vanaf maart 2002 een appartement gehuurd aan het [adres] in [woonplaats] . Voor de huur van dit appartement heeft eiseres bij verweerder huurtoeslag aangevraagd.
- Met het primaire besluit I heeft verweerder aan eiseres voor het jaar 2019 geen voorschot voor de huurtoeslag toegekend. Volgens verweerder is de (reken)huur per maand van de woning van eiseres namelijk hoger dan de maximale huurgrens. Eiseres heeft daarom geen recht op huurtoeslag voor het jaar
- Met het primaire besluit II heeft verweerder de huurtoeslag voor het jaar 2019 definitief vastgesteld op € 0,-.
- Eiseres heeft met een brief gedateerd 26 augustus 2024 tegen de primaire besluiten bezwaar gemaakt. Met het bestreden besluit heeft verweerder de bezwaren van eiseres niet-ontvankelijk verklaard, omdat zij tegen beide besluiten niet tijdig bezwaar heeft gemaakt. Volgens verweerder heeft eiseres ook geen redenen aangevoerd waardoor zou kunnen worden afgeleid dat de termijnoverschrijding niet aan haar is toe te rekenen. Eiseres heeft vervolgens een herzieningsverzoek tegen de primaire besluiten ingediend. Verweerder heeft dit met een apart besluit van 11 december 2024 afgewezen. Het oordeel van de rechtbank
- De rechtbank merkt allereerst op dat enkel het bestreden besluit ter toetsing voorligt. De rechtbank kan en mag dus alleen beoordelen of verweerder op goede gronden het bezwaar van eiseres niet-ontvankelijk heeft verklaard, omdat zij niet binnen de wettelijke termijn van zes weken bezwaar heeft gemaakt. Voor zover eiseres (op de zitting) heeft gevraagd om inzicht over de betalingenstromen van haar toeslagen, kan de rechtbank daarover geen beslissing nemen.
- Voor het indienen van een bezwaarschrift geldt een termijn van zes weken. Deze termijn begint op de dag na de dag waarop het besluit op de wettelijk voorgeschreven wijze is bekendgemaakt. Dat is in dit soort gevallen de dag na de dag waarop het besluit is toegezonden. Een bezwaarschrift is op tijd ingediend wanneer het voor het einde van de termijn is ontvangen. Als iemand een bezwaarschrift te laat indient, is het bezwaar niet-ontvankelijk. Dat is alleen anders als het niet tijdig indienen van het bezwaarschrift verschoonbaar is.
- De rechtbank stelt vast dat het bezwaarschrift van eiseres te laat is ingediend. De primaire besluiten zijn gedateerd 28 december 2019 en 13 februari
- Eiseres heeft niet betwist dat zij beide besluiten heeft ontvangen. De bezwaartermijnen zijn dan ook op10 februari 2020 en 27 maart 2021 geëindigd. Eiseres heeft pas op 26 augustus 2024 bezwaar gemaakt. Dit is meer dan drie jaar na afloop van de laatste termijn. Het bezwaarschrift is dan ook buiten de termijn ingediend.
- De rechtbank dient vervolgens de vraag te beantwoorden of de situatie van eiseres zo uitzonderlijk is dat haar geen enkel verwijt kan worden gemaakt voor het te laat indienen van het bezwaarschrift. De rechtbank is van oordeel dat dit niet het geval is. Eiseres heeft gesteld dat zij te laat bezwaar heeft gemaakt vanwege gerommel met haar persoonsgegevens, het opvragen van stukken en meerdere (gerechtelijke) procedures. Hoewel de rechtbank begrip heeft voor de situatie die eiseres (nog steeds) ervaart, kan op grond daarvan niet worden geoordeeld dat de termijnoverschrijding verschoonbaar is. Daartoe is van belang dat eiseres niet aannemelijk heeft gemaakt dat zij gedurende beide bezwaartermijnen geheel niet in staat is geweest om tijdig een bezwaarschrift in te dienen. Eiseres heeft pas een ruime tijd (meer dan drie jaar) later een bezwaarschrift ingediend. De rechtbank kan zich voorstellen dat de door eiseres genoemde omstandigheden mogelijk voor enige vertraging hebben gezorgd, maar dit is naar het oordeel van de rechtbank geen verklaring voor een dusdanig ruime termijnoverschrijding. Het ligt namelijk op de weg van eiseres om tijdig een bezwaarschrift in te dienen of om tijdig hulp te vragen bij het indienen van het bezwaarschrift.
- Gelet op het voorgaande is niet gebleken dat de termijnoverschrijding verschoonbaar is zodat verweerder het bezwaar op goede gronden niet-ontvankelijk heeft verklaard. De rechtbank komt hierdoor ook niet toe aan een verdere inhoudelijke beoordeling van de zaak. Conclusie
- Het beroep is ongegrond. Omdat het beroep ongegrond is, krijgt eiseres geen vergoeding van haar aangevoerde reiskosten en andere kosten. Beslissing De rechtbank verklaart het beroep ongegrond. Deze uitspraak is gedaan door mr. R. Hirzalla, rechter, in aanwezigheid vanmr.N.J.A. van Eck, griffier. De uitspraak is uitgesproken in het openbaar op 26 maart
- griffier rechter Afschrift verzonden aan partijen op: Rechtsmiddel Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. Als hoger beroep is ingesteld, kan bij de voorzieningenrechter van de hogerberoepsrechter worden verzocht om het treffen van een voorlopige voorziening. Artikel 6:7 van de Algemene wet bestuursrecht (de Awb). Artikel 6:8, eerste lid, van de Awb. Artikel 6:9, eerste lid, van de Awb. Artikel 6:11 van de Awb.